Meer info
 

Bosdecreet
Bosdecreet van 13 juni 1990

Artikel 87

Voor elke beplanting met houtachtige gewassen van minstens een halve hectare volgens een plan, goedgekeurd door het [Agentschap], kunnen door de Vlaamse regering subsidies verleend worden. [De Vlaamse Regering kan tevens subsidies verlenen met het oog op de bescherming, de ontwikkeling, het herstel, het behoud en de uitbreiding van het bosareaal, voor zover deze activiteiten beantwoorden aan de criteria voor duurzaam bosbeheer, vastgesteld ter uitvoering van artikel 41, tweede lid. [Ingeval de subsidie betrekking heeft op de aankoop van percelen, kan deze maximaal 60 % van de aankoopsom bedragen met een maximum van 2,5 EUR/m2. Deze subsidie kan gecumuleerd worden met subsidies van andere overheden maar mag samen 60 % van de aankoopsom niet overschrijden.]]
De Vlaamse regering bepaalt de nadere voorwaarden en de wijze van toekenning voor genoemde subsidies, binnen de perken van de begrotingskredieten. [Voor zover het gaat om kapitaalsubsidies gericht op uitbreiding of ontwikkeling van het bosareaal, worden deze toegekend met het oog op bebossingen:
op percelen die gelegen zijn in gebieden aangewezen op de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen en sorterend onder de categorie van gebiedsaanduiding “bos”, “overig groen” of “reservaat en natuur”. Een bestemmingsvoorschrift van een plan van aanleg is alleszins vergelijkbaar met een categorie van gebiedsaanduiding, indien deze concordantie vermeld wordt in de tabel, opgenomen in artikel 7.4.13, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening of in de concordantielijst, bepaald krachtens voornoemd artikel 7.4.13, tweede lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Deze bebossingen of herbebossingen gebeuren bij voorkeur in het kader van de te realiseren instandhoudingsdoelstellingen;
op percelen gelegen in een speciale beschermingszone zoals vermeld in artikel 2, 43°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, voor zover de bebossing nodig is voor het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen.
]
Indien de voorwaarden, die aan de subsidies verbonden werden, niet werden nageleefd, kan de subsidie teruggevorderd worden en toegewezen aan het [Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuur dat is ingeschreven in de begroting van het Vlaamse Gewest] overeenkomstig de bepalingen van artikel 13. [Wanneer de teruggevorderde subsidie afkomstig is uit het Fonds voor Compenserende Bebossing zoals bedoeld in artikel 17 van het decreet van 21 december 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2002, wordt zij toegewezen aan dat Fonds.]
[Voor de beplanting met houtachtige gewassen van gronden gelegen in agrarisch gebied verleent het daartoe aangestelde personeelslid van het departement Landbouw en Visserij een advies in het kader van de in artikel 35bis, § 5, van het Veldwetboek vereiste vergunning van het College van Burgemeester en Schepenen. Het advies wordt verleend binnen een termijn van 20 dagen. De termijn begint te lopen op de datum van verzending. Bij gebrek aan advies binnen deze termijn, wordt het advies geacht gunstig te zijn.]
Voor de rooiing binnen een termijn van 12 jaar na de aanplanting of de laatste exploitatie van de in het vorig lid bedoelde houtachtige gewassen of spontane bebossing, is [in afwijking van de stedenbouwkundige vergunningsplicht voor ontbossing, zoals bepaald in artikel 4.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening] , enkel een voorafgaande eenvoudige melding van de rooiing aan [het daartoe aangestelde personeelslid van het departement Landbouw en Visserij] en de ambtenaar vereist. Van deze melding stelt de ambtenaar onverwijld het College van Burgemeester en Schepenen en [het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed] in kennis. De hiervoor bedoelde termijn kan door de Vlaamse regering worden aangepast.
[[...]
De Vlaamse regering bepaalt criteria voor ecologisch verantwoorde bebossing en bosuitbreiding.]
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij art. 7 B. Vl. Reg. 22 oktober 1996 (B.S., 15 maart 1997), bij art. 5 Decr. Vl. Parl. 7 december 2001 (B.S., 28 december 2001 (tweede uitg.), err., B.S., 12 januari 2002), met ingang van 1 januari 2002 (art. 8), bij art. 20 Decr. Vl. Parl. 7 mei 2004 (B.S., 11 juni 2004 (eerste uitg.)), met ingang van 1 april 2006 (art. 4 B. Vl. Reg. 31 maart 2006 (B.S., 19 mei 2006 (tweede uitg.))), zelf opgeheven bij art. 5 Decr. Vl. Parl. 23 december 2005 (B.S., 21 februari 2006 (eerste uitg.)), met ingang van 31 maart 2006 (art. 3 B. Vl. Reg. 31 maart 2006 (B.S., 19 mei 2006 (tweede uitg.))), bij art. 18 Decr. Vl. Parl. 10 maart 2006 (B.S., 7 juni 2006), met ingang van 1 juli 2006 (art. 192, 1° B. Vl. Reg. 23 juni 2006 (B.S., 22 augustus 2006)), bij art. 36, 3° Decr. Vl. Parl. 7 december 2007 (B.S., 14 januari 2008), met ingang van 14 januari 2008 (art. 73), bij art. 44, 2° Decr. Vl. 12 december 2008 (BS 4 februari 2009) en bij art. 93 Decr.Vl. 30 april 2009 (BS 25 juni 2009 (ed. 1)), met ingang van 25 juni 2009 (art. 5, 1° B.Vl.Reg. 30 april 2009 (BS 25 juni 2009 (ed. 1))).