Meer info
 

VLAREM II
Besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne

Afdeling 5.3.2. Bedrijfsafvalwaters

Artikel 5.3.2.1.
§ 1.

De in § 2 vermelde voorschriften zijn van toepassing op de lozingen van bedrijfsafvalwater in oppervlaktewater die afkomstig zijn van installaties van een of meer van de volgende bedrijfstakken die een biologische afbreekbare organische belasting van tenminste 4.000 inwonerequivalenten (i.e.) vertegenwoordigen:

bereiding van alcohol en alcoholhoudende dranken;
bereiding en botteling van frisdranken;
brouwerijen;
mouterijen;
vervaardiging van diervoeder uit plantaardige produkten;
vervaardiging van gelatine en lijm op basis van huiden en beenderen;
vervaardiging van produkten op basis van groenten en fruit;
verwerking van aardappelen;
visverwerkingsindustrie;
10°vleesindustrie;
11°zuivelindustrie.
§ 2.

De biologisch afbreekbare industriële afvalwaters afkomstig van een in het eerste lid bedoelde installatie, dienen uiterlijk op 31 december 2000 - vóór de lozing in het ontvangende oppervlaktewater tenminste behandeld in een secundaire afvalwaterbehandelingsinstallatie waarbij de minimumverminderingen ten opzichte van de influentbelasting, voorgeschreven in artikel 5.3.1.3. en bijlage 5.3.1. in acht worden genomen, onverminderd de emissiegrenswaarden die door dit reglement zijn opgelegd.

 

Het treffen van andere doeltreffende maatregelen dan deze voorgeschreven in het eerste lid is toegelaten, op voorwaarde dat deze een gelijkwaardige of een betere kwaliteit van het geloosde afvalwater waarborgen.

Gewijzigd bij art. 78 B.Vl.Reg. 19 januari 1999, B.S. 31 maart 1999, eerste editie
Artikel 5.3.2.2.
Voor de lozingen van bedrijfsafvalwaters in openbare riolering dienen ze vóór de lozing in een opvangsysteem of in een afvalwaterbehandelingsinstallatie voor stedelijk afvalwater tenminste een zodanige voorbehandeling te hebben ondergaan als nodig is om, onverminderd de emissiegrenswaarden die door dit reglement zijn opgelegd:
de gezondheid te beschermen van het personeel dat werkzaam is bij de opvangsystemen en de afvalwaterbehandelingsinstallaties;
ervoor te zorgen dat het opvangsysteem, de afvalwaterbehandelingsinstallatie en de bijhorende apparatuur niet worden beschadigd;
ervoor te zorgen dat de werking van de afvalwaterbehandelingsinstallatie en de zuivering van het slib niet worden gehinderd;
ervoor te zorgen dat lozingen uit de afvalwaterzuiveringsinstallaties geen nadelige invloed op het milieu hebben of verhinderen dat de ontvangende wateren aan de door dit reglement voorgeschreven milieukwaliteitsdoelstellingen voldoen;
ervoor te zorgen dat slib op een uit milieu-oogpunt verantwoorde wijze veilig kan worden afgevoerd.

Artikel 5.3.2.3.
§ 1.
Gezuiverd afvalwater dient indien mogelijk te worden hergebruikt.
§ 2.
Het van de zuivering van afvalwater afkomstig slib wordt indien mogelijk hergebruikt. Onverminderd de bepalingen van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen en van zijn uitvoeringsbesluiten, dienen de afvoertrajecten van dien aard te zijn dat de nadelige gevolgen voor het milieu minimaal zijn. De verwerking en verwijdering van het slib dient te gebeuren overeenkomstig de bepalingen van het hoofdstuk 5.2. van dit reglement.Gewijzigd bij art. 10.2.1. B.Vl.Reg. 17 februari 2012, B.S. 23 mei 2012
§ 3.
Het storten van het van de zuivering van afvalwater afkomstig slib in oppervlaktewater is verboden.
Artikel 5.3.2.4.
§ 1.

In afwijking van de algemene emissiegrenswaarden vastgesteld in hoofdstuk 4.2, gelden voor de lozingen van bedrijfsafvalwaters in functie van de aard van de bedrijvigheid voor de lozingen :

in openbare riolering [...] in het centrale gebied, een collectief geoptimaliseerde buitengebied of een collectief te optimaliseren buitengebied van een gemeente waarvoor een definitief gemeentelijk zoneringsplan is vastgesteld, de in bijlage 5.3.2 bepaalde emissiegrenswaarden voor lozing in openbare riolering;
in oppervlaktewater [...], respectievelijk een individueel te optimaliseren buitengebied van een gemeente waarvoor een definitief gemeentelijk zoneringsplan is vastgesteld, de in bijlage 5.3.2 bepaalde emissiegrenswaarden voor de lozing in oppervlaktewater.
Bij overschrijding van de temperatuursdrempels, vermeld in artikel 4.2.2.1.1, 4° geldt eveneens de in dat artikel vermelde mogelijkheid om bij wege van uitdrukkelijke vergunning een afwijking toe te staan.Gewijzigd bij art. 79, 1°, B.Vl.Reg. 19 januari 1999, B.S. 31 maart 1999, eerste editie
Vervangen bij art. 19 B.Vl.Reg. 9 mei 2008, B.S. 23 juni 2008
Gewijzigd bij art. 65 B.Vl.R. 23 december 2011, B.S. 21 maart 2012
§ 2.
Indien dit nodig is om de voor het ontvangende oppervlaktewater geldende kwaliteitsnormen te kunnen bereiken, worden overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.3.0.1. in de milieuvergunning emissiegrenswaarden opgelegd die strenger zijn dan de algemene of sectorale voorwaarden. Voor de parameters die in de sectorale voorwaarden met de nota v.g.t.g. zijn aangeduid worden in de vergunning emissiegrenswaarden opgelegd ter voorkoming van een overmatige belasting met zuurstofbindende stoffen van het oppervlaktewater waarin wordt geloosd.
§ 3.

De vergunningverlenende overheid kan op basis van vergaande waterbesparende maatregelen in de milieuvergunning voor bepaalde parameters hogere emissiegrenswaarden toestaan dan de emissiegrenswaarden, vermeld in paragraaf 1, als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:


het betreffen parameters die aanleiding geven tot concentratieverhoging;

de exploitant stelt lozingsvoorwaarden voor, rekening houdend met het overeenstemmende debiet (waterbesparing);

de exploitant toont aan dat:
a)
de BBT inzake preventie en waterzuivering wordt toegepast om de lozing van de parameters in kwestie te beperken;
b)
technieken worden toegepast die op een intensieve wijze het waterverbruik beperken;
c)
de milieukwaliteitsdoelstellingen van het ontvangende oppervlaktewater daardoor niet in het gedrang komen door de toepassing van de hogere emissiegrenswaarden;
d)
er geen acute toxiciteit wordt veroorzaakt in het oppervlaktewater door de toepassing van hogere emissiegrenswaarden;

de exploitant maakt een waterbalans op. 

 

Gewijzigd bij art. 79, 2°, B.Vl.Reg. 19 januari 1999, B.S. 31 maart 1999, eerste editie
Gewijzigd bij art. 65 B.Vl.R. 23 december 2011, B.S. 21 maart 2012
§ 4.
In de milieuvergunning kan het voorwerp van de vergunning worden beperkt door oplegging van de maximum hoeveelheid afvalwater die per uur, per dag, per maand en/of per jaar mag worden geloosd.
§ 5.
In de milieuvergunning kunnen voor parameters, waarvoor voor het ontvangende oppervlaktewater milieukwaliteitsnormen van kracht zijn, maar geen emissiegrenswaarde is bepaald in de algemene of sectoriële voorwaarden, emissiegrenswaarden worden opgelegd in functie van de te bereiken kwaliteitsnormen.
§ 6.

[...]

Opgeheven bij art. 65 B.Vl.R. 23 december 2011, B.S. 21 maart 2012
§ 7.

Steeds met betrekking tot de lozing van gevaarlijke stoffen bedoeld in bijlage 2C, gelden daarenboven de volgende bepalingen:

overeenkomstig de EU-richtlijn 84/156/EEG van 8 maart 1984 kan een milieuvergunning voor een nieuwe inrichting waarin kwik of kwikbevattende stoffen worden verwerkt, andere dan deze bedoeld sub 1°,met name elk industrieel procédé dat de produktie of het gebruik van kwik met zich meebrengt, of elk ander industrieel procédé waaraan de aanwezigheid van kwik inherent is, enkel worden verleend indien deze inrichting normen toepast die overeenstemmen met de beste beschikbare technieken, wanneer zulks nodig is om de verontreiniging door kwik te beëindigen of om concurrentievervalsing tegen te gaan;
overeenkomstig de EU-richtlijn 83/513/EEG van 26 september 1983 kan een milieuvergunning voor een nieuwe inrichting waarin cadmium of cadmiumbevattende stoffen worden verwerkt, met name elk industrieel proces dat de produktie of het gebruik van cadmium met zich meebrengt, of elk ander industrieel proces waaraan de aanwezigheid van cadmium inherent is, enkel worden verleend indien deze inrichting normen toepast die overeenstemmen met de beste beschikbare technieken, wanneer zulks nodig is om de verontreiniging door cadmium te beëindigen of om concurrentievervalsing tegen te gaan;
overeenkomstig de EU-richtlijn 84/491/EEG van 9 oktober 1984 kan een milieuvergunning voor een nieuwe inrichting waarin HCH of HCH bevattende stoffen worden verwerkt, met name elk industrieel proces dat de produktie of het gebruik van HCH met zich meebrengt, of elk ander industrieel proces waaraan de aanwezigheid van HCH inherent is, enkel worden verleend indien deze inrichting normen toepast die overeenstemmen met de beste beschikbare technieken, wanneer zulks nodig is om de verontreiniging door HCH te beëindigen of om concurrentievervalsing tegen te gaan;
verder dient ervoor gezorgd dat de krachtens dit besluit genomen maatregelen niet leiden tot een verhoogde HCH-verontreiniging in andere compartimenten van het milieu, en met name in de bodem en in de lucht.Gewijzigd bij art. 79, 3° en 4°, B.Vl.Reg. 19 januari 1999, B.S. 31 maart 1999, eerste editie
§ 8.
In de gevallen waarin de overwogen maatregelen op technische gronden niet overeenstemmen met de beste beschikbare technieken dient voorafgaandelijk een toelating tot afwijking van de bepalingen van § 7 overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 1.2. van dit besluit bekomen. Ongeacht de gekozen methode en voordat de toelating tot afwijking respectievelijk de milieuvergunning wordt verleend, wordt de rechtvaardiging van deze gronden, via de geëigende kanalen aan de EU-Commissie medegedeeld.Gewijzigd bij art. 79, 3°, B.Vl.Reg. 19 januari 1999, B.S. 31 maart 1999, eerste editie