Hoofdstuk 6.5.
PARTICULIERE STOOKOLIETANKS MET EEN INHOUD VAN MINDER DAN 5.000 KG


Afdeling 6.5.1.
GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN


Art. 6.5.1.1.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op particuliere opslaginstallaties waarvan de stookolietank een inhoud heeft van minder dan 5.000 kg. Met opslaginstallatie wordt bedoeld het geheel van vaste houder(s), waarschuwings- of beveiligingssysteem, leidingen, in voorkomend geval inkuiping en lekdetectiesysteem en alle toebehoren tot aan de verbrandingsinstallatie en dienstig voor de verwarming van een onroerend goed dat hoofdzakelijk als woongelegenheid wordt gebruikt.

 

De opslaginstallaties en hun onderdelen dienen gebouwd, getransporteerd, geplaatst en aangesloten volgens de toepasselijke codes van goede praktijk.


Art. 6.5.1.2. De opslaginstallaties dienen beschermd tegen mechanische beschadigingen en elke vorm van aantasting o.a. door corrosie. De dichtheid van leidingen, koppelingen, kranen en toebehoren dient te allen tijde verzekerd. Niet toegankelijke leidingen dienen in een brandstofdichte greppel of buis geplaatst. Deze greppel of buis helt af naar een toegankelijke opvangput.

Art. 6.5.1.3.

De houder dient uitgerust :

met een waarschuwingssysteem waarbij een akoestisch signaal dat steeds hoorbaar moet zijn voor de leverancier en deze verwittigt zodra de te vullen houder voor 95% is gevuld; dit systeem kan zowel mechanisch als elektronisch zijn, ofwel
met een beveiligingssysteem, waarbij de vloeistoftoevoer automatisch wordt afgesloten zodra de te vullen houder voor maximum 98 % is gevuld; dit systeem kan zowel mechanisch als elektronisch zijn;
met een ontluchtingssysteem dat uitmondt op een plaats waar de mogelijke hinder voor de buurt zo beperkt mogelijk is. Alle nodige maatregelen worden getroffen om waterinfiltratie via het ontluchtingssysteem te voorkomen.

 


Art. 6.5.1.4. Alle openingen en aansluitingen aan de houder dienen geplaatst boven het maximumpeil van de opgeslagen brandstof, behalve voor bovengrondse houders dienend voor verwarmingsinstallaties zonder aanzuiging, zoals kachels.

Art. 6.5.1.5. De houder mag alleen gevuld zijn met die brandstoffen waarvoor hij gebouwd is. De nodige maatregelen dienen genomen om het morsen van brandstof tijdens het vullen te voorkomen.

Afdeling 6.5.2.
BEPALINGEN VOOR OPSLAGINSTALLATIES MET BOVENGRONDSE HOUDERS


Art. 6.5.2.1.

Onverminderd de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 maart 1985 houdende reglementering van de handelingen binnen de waterwingebieden en de beschermingszones is de opslag van brandstoffen in bovengronds geplaatste houders toegelaten in :

houders uit metaal;
houders uit gewapend thermohardende kunststoffen;
houders uit roestvrij staal;
prefabconstructies bestaande uit een prefab betonnen cilindrische houder waarin een metalen houder is geplaatst;
houders uit kunststoffen andere dan gewapende thermohardende kunststoffen, op voorwaarde dat zij na de plaatsing en voor het in gebruik nemen ervan een drukproef hebben doorstaan gedurende ten minste één uur bij een overdruk of een onderdruk van 30 kPa.
opslagsystemen die naar voorkoming van bodem- en/of grondwaterverontreiniging toe dezelfde waarborgen bieden als voormelde houders; deze opslagsystemen moeten worden aanvaard door een milieudeskundige erkend in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen; een attest van deze aanvaarding wordt opgesteld en ondertekend door de voormelde milieudeskundige; dit attest wordt ter inzage gehouden van de toezichthouder.

 


Art. 6.5.2.2.

De houders dienen in of boven een inkuiping geplaatst.

 

Dubbelwandige houders en prefabconstructies als vermeld in artikel 6.5.2.1., dienen niet in of boven een inkuiping geplaatst mits ze uitgerust zijn met een permanent lekdetectiesysteem.

 

Een inkuiping mag alleen de houder en zijn toebehoren omvatten. Enkel de leidingen vereist voor de exploitatie van de houder mogen door de inkuiping gevoerd worden en wel boven het peil dat bereikt zou zijn wanneer de inkuiping gevuld zou zijn met de totale nominale inhoud van de erin geplaatste houders.

 

Indien zich hemelwater in de inkuiping kan bevinden dienen de nodige maatregelen getroffen om dit regelmatig te verwijderen zonder vervuiling van het milieu. Ongeacht de hoeveelheid water die zich eventueel in de inkuiping bevindt, moet deze steeds de totale maximale inhoud van de erin geplaatste houders kunnen opvangen. 


Afdeling 6.5.3.
BEPALINGEN VOOR OPSLAGINSTALLATIES MET ONDERGRONDSE HOUDERS


Art. 6.5.3.1.

§ 1.

Onverminderd de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 maart 1985 houdende reglementering van de handelingen binnen de waterwingebieden en de beschermingszones is de opslag van brandstoffen in rechtstreeks in de grond ingegraven houders toegelaten in :

 

dubbelwandige houders uit metaal;
houders uit gewapend thermohardende kunststoffen;
houders uit roestvrij staal;
prefabconstructies bestaande uit een prefab betonnen cilindrische houder waarin een enkelwandige metalen houder is geplaatst;
opslagsystemen die naar voorkoming van bodem- en/of grondwaterverontreiniging toe dezelfde waarborgen bieden als voormelde houders; deze opslagsystemen moeten worden aanvaard door een milieudeskundige erkend in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen; een attest van deze aanvaarding wordt opgesteld en ondertekend door de voormelde milieudeskundige; dit attest wordt ter inzage gehouden van de toezichthouder.

 

 

 

§ 2.

Onverminderd de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 maart 1985 houdende reglementering van de handelingen binnen de waterwingebieden en de beschermingszones is de opslag van brandstoffen in houders geplaatst in een groeve toegelaten in :

1°  de opslagwijzen vermeld in § 1;
enkelwandige houders uit metaal.

 

 

§ 3.

Het hoogste punt van de houder moet minstens 0,50 m onder het maaiveld liggen. Het plaatsen van roerende of onroerende lasten boven de houder moet vermeden worden. Indien dit toch gebeurt moeten alle maatregelen genomen zijn om beschadigingen aan de houder te voorkomen o.a. door een voldoende draagkrachtige afdekking die de lasten (met uitzondering van het eventuele opvullings- en afdekkingsmateriaal) niet overdraagt op de houder.


Art. 6.5.3.2. De aanvulling rond de houder dient te gebeuren met inert materiaal dat geen gevaar oplevert voor beschadiging of aantasting van de houder, zijn bekleding en de groeve. Bij metalen houders dient bijzondere aandacht besteed aan de mogelijke corrosie. Het aanvullingsmateriaal moet voldoende doorlatend zijn t.o.v. de brandstof, hiervoor mag de doorval van het zeefmonster door een zeef met maaswijdte 1,25 mm niet meer bedragen dan 15 % van zijn droge massa.

Art. 6.5.3.3.

De houder dient zich te bevinden op ten minste 1 m van de grenzen van de percelen van derden en op meer dan 0,75 m van ondergrondse constructies die niet tot de opslaginstallatie behoren. De onderlinge afstand tussen de houders dient minstens 0,50 m te bedragen.

 

De groeve mag alleen de houder en zijn toebehoren omvatten. Enkel de leidingen vereist voor de exploitatie van de houders mogen door de wanden van de groeve gevoerd worden en wel boven het peil dat bereikt zou zijn wanneer de groeve gevuld zou zijn met de totale nominale inhoud van de erin geplaatste houders, rekening houdend met het eventuele aanvullingsmateriaal.Wanneer de houder een inhoud heeft van meer dan 2.000 liter, moet tussen de wanden van de houder en de wanden van de groeve een vrije ruimte bestaan van minstens 0,50 m breedte om het onderzoek van de houder mogelijk te maken; indien de groeve wordt opgevuld dient deze ruimte minstens 0,30 m te bedragen.


Art. 6.5.3.4. Voor zover er een risico van oplichting van de houder ten gevolge van een onderdompeling in (grond)water bestaat, dient de houder stevig en onvervormbaar bevestigd aan een fundering of ballast waarvan het gewicht groter is dan de grootst mogelijk optredende opwaartse kracht.

Art. 6.5.3.5. De houder moet afhellen onder een helling van minstens 1cm/m in de richting van het mangat of de vul- of peilopening. Van zodra de waterinhoud van de houder gelijk is aan of groter is dan 3.000 liter moet een mangat aanwezig zijn met een opening waarvan de ingeschreven cirkel een diameter van ten minste 0,50 m heeft.

Afdeling 6.5.4.
DE CONTROLE OP DE BOUW VAN DE HOUDERS EN DE PLAATSING VAN EEN OPSLAGINSTALLATIE


Art. 6.5.4.1.

Opslaginstallaties dienen geplaatst [...] onder toezicht van een erkende technicus of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen. Na de plaatsing maar vóór de ingebruikname stelt [...] de erkende technicus of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen een certificaat op waaruit ondubbelzinnig moet blijken dat de opslaginstallatie voldoet aan de bepalingen van dit hoofdstuk. Dit certificaat vermeldt bovendien de naam en het erkenningsnummer van [...] de erkende technicus of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen.


Art. 6.5.4.2.

Voor de bouw van een opslaginstallatie mag enkel gebruik gemaakt zijn van producten en onderdelen waarvan ofwel de overeenkomst met de toepasselijke code van goede praktijk gecertificeerd is door een erkende certificeringsinstelling ofwel na een beproeving overeenkomstig de toepasselijke code van goede praktijk. Voor wat betreft de prefabconstructie bestaande uit een prefab betonnen cilindrische houder waarin een enkelwandige metalen houder is geplaatst, bestaat het certificaat op zijn minst uit een verklaring van de fabrikant welke hij gemachtigd is af te leveren na keuring van een prototype.


Art. 6.5.4.3.

Binnen de maand na de aanleg van de opslaginstallatie conform de bepalingen van dit hoofdstuk, brengt [...] de erkende technicus of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen op de houder een duidelijk leesbare en onuitwisbare groene merkplaat aan waarop onuitwisbaar volgende gegevens dienen aangebracht :

- zijn erkenningsnummer;
- de datum van de plaatsing van de opslaginstallatie;
-

de uiterste datum van de eerstvolgende controle ingeval van opslag in ondergrondse houder.

 

Als de merkplaat ontbreekt, is het verboden de houder te vullen of te laten vullen. 


Art. 6.5.4.4. Bij de oplevering van de opslaginstallatie bezorgt [...] de erkende technicus of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen aan de eigenaar het certificaat van de installatie samen met de certificaten of de beproevingsverslagen van de onderdelen ervan. De eigenaar van de opslaginstallatie draagt er zorg voor dat de exploitant(en) in het bezit is (zijn) van een kopie van het certificaat van de installatie.

Afdeling 6.5.5.
PERIODIEKE CONTROLES, ONDERHOUD EN BUITENGEBRUIKSTELLING


Art. 6.5.5.1.
Opslaginstallaties met bovengrondse houders dienen niet onderworpen aan periodieke controles.

Art. 6.5.5.2.

§ 1.

Opslaginstallaties met ondergrondse houders dienen vanaf de datum van de plaatsing ten minste om de vijf jaar onderworpen aan een periodieke controle als vermeld in artikel 6.5.5.3.

 

§ 2.

Van de termijn, vermeld in § 1, kan worden afgeweken bij gebruik van een controlemethode die toelaat de kwaliteit en de levensduur van de ondergrondse houder in te schatten, waarbij maximaal gezocht wordt naar het detecteren van niet-dichte houders en/of het classificeren van houders naargelang de kwaliteitstoestand.

 

De aanvaarding van laatstgenoemde controlemethode en de bijhorende criteria om de maximale termijn voor de hercontrole te bepalen, gebeurt door de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning en bijkomend moet worden aangetoond dat deze controlemethode als basis dient voor het voorkomen van de milieuschade die kan ontstaan vanaf de eerste controle met dit systeem.


Art. 6.5.5.3.

§ 1.

De periodieke controles vermeld in de artikel 6.5.5.2 moeten worden uitgevoerd door een erkende technicus of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen en omvatten :

een visuele controle van de opslaginstallatie met inbegrip van een controle van de wanden van de houder indien mogelijk zonder dat dit het uitgraven van de houder of het verwijderen van het aanvullingsmateriaal vereist;
een controle van de doeltreffendheid van het waarschuwings- of overvulbeveiligingssysteem; 
een controle naar de aanwezigheid van water en slib in de houder;
een controle van de doeltreffendheid van het eventueel aanwezig lekdetectiesysteem;
een nazicht van het certificaat en het proces-verbaal van de vorige controle;
indien mogelijk een meting van het potentiaalverschil tussen de rechtstreeks in de grond ingegraven metalen houder en de omhullende bodem of aanvulling;
de uitvoering van een dichtheidsbeproeving op rechtstreeks in de grond ingegraven houders die niet zijn uitgerust met een permanent lekdetectiesysteem, bij een overdruk van minstens 30 kPa gedurende minimum 1 uur of bij een onderdruk van hoogstens 30 kPa; beproeving bij een overdruk van meer dan 30 kPa mag enkel geschieden indien de houders daartoe volledig worden gevuld met water; niet toegankelijke enkelwandige leidingen moeten worden beproefd bij een overdruk van ten minste 30 kPa gedurende 1 uur of bij een onderdruk van hoogstens 30 kPa. Een gelijkwaardige beproeving die toelaat de kwaliteit en de levensduur van de houder in te schatten, waarbij maximaal gezocht wordt naar het detecteren van niet-dichte houders en/of het classificeren van houders naargelang de kwaliteitstoestand, uitgevoerd overeenkomstig een door de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning aanvaarde code van goede praktijk, is eveneens toegelaten;

 

Ingevolge de controle en vanaf 1 maart 2009 stelt de erkende technicus of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen een certificaat op waaruit ondubbelzinning moet blijken of de opslaginstallatie al dan niet voldoet aan de bepalingen van dit hoofdstuk. Dit certificaat vermeldt bovendien de naam en het erkenningsnummer van de erkende technicus of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen die de controle heeft uitgevoerd, de datum van de controle en de uiterste datum van de eerstvolgende controle.

 

Al naargelang het resultaat van de controle is de houder gemerkt met een duidelijk leesbare en onuitwisbare groene, oranje of rode merkplaat. Op deze merkplaat wordt onuitwisbaar het erkenningsnummer van de erkende technicus of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, de datum van de controle en de uiterste datum van de eerstvolgende controle aangebracht

 

Een groene merkplaat betekent dat de opslaginstallatie voldoet aan de bepalingen van dit hoofdstuk en mag worden gevuld, bijgevuld en verder gebruikt worden.

 

Een oranje merkplaat betekent dat de opslaginstallatie niet voldoet aan de bepalingen van dit hoofdstuk doch dat de vastgestelde gebreken geen aanleiding kunnen geven tot verontreiniging buiten de houder. De opslaginstallatie mag nog worden gevuld of bijgevuld tijdens een overgangsperiode van maximum 6 maanden die ingaat de eerste van de maand volgend op de maand vermeld op de oranje merkplaat. De exploitant dient alle nodige maatregelen te treffen, overeenkomstig het verslag van de erkende technicus of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, om de opslaginstallatie terug in goede staat te brengen. Vóór het verstrijken van voormelde overgangsperiode dient de opslaginstallatie terug aan een controle onderworpen. Het verlenen van een oranje merkplaat is eenmalig voor de vastgestelde gebreken, met andere woorden de oranje merkplaat wordt, afhankelijk van het al dan niet voldoen van de voorheen vastgestelde gebreken aan de bepalingen van dit hoofdstuk, gevolgd door een groene of rode merkplaat.

 

In afwijking van het tweede lid kan deze overgangsperiode van zes maanden door de deskundige of erkend technicus uitzonderlijk verlengd worden voor maatregelen die niet binnen de zes maanden uitgevoerd kunnen worden. De maatregelen en termijnen worden in dit geval schriftelijk vastgelegd. De deskundige of erkend technicus volgt de implementatie van de maatregelen verder op en beslist of frequentere tussentijdse controles op de betrokken houder en de installatie nodig zijn. Indien na afloop van de overgangsperiode de initieel vastgestelde gebreken niet verholpen werden, krijgt de houder en de installatie een rode klever of plaat.

 

Een rode merkplaat betekent dat de opslaginstallatie niet voldoet aan de bepalingen van dit hoofdstuk of dat volgend op een periode van maximaal zes maanden met oranje merkplaat nog altijd dezelfde gebreken aan de houder en de installatie worden vastgesteld. In dergelijk geval is het verboden de opslagtank te vullen of te laten vullen. De exploitant dient alle nodige maatregelen te treffen, overeenkomstig het verslag van de erkende technicus of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, om de opslaginstallatie terug in goede staat te brengen waarna de opslaginstallatie terug aan een controle dient onderworpen. Binnen de veertien dagen nadat een rode merkplaat aangebracht werd maakt de exploitant of op zijn verzoek de erkende technicus of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen hiervan melding bij de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij bevoegd voor grondwater.

 

Als een merkplaat ontbreekt, is het verboden de houder te vullen of te laten vullen.

 

§ 2.

De periodieke controles die overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk voor 1 maart 2009 werden uitgevoerd, blijven onverminderd rechtsgeldig ook wanneer deze in de in § 1 vermelde dichtheidsbeproeving niet hebben omvat.


Art. 6.5.5.4.

De exploitant dient er zorg voor te dragen dat de opslaginstallatie steeds in goede staat van werking en onderhoud verkeert en in het bijzonder dat elke verontreiniging van het milieu wordt voorkomen. Hij draagt er zorg voor dat de merkplaat steeds leesbaar blijft.

 

Indien zich een verontreiniging voordoet of lekkage vastgesteld of vermoed wordt, dienen onverwijld alle maatregelen genomen om de schade en verstoring van het milieu te beperken. Indien verdere verontreiniging van bodem en grondwater niet onmiddellijk tegengehouden kan worden, wordt de opslaginstallatie buiten gebruik gesteld en wordt de houder geledigd. In dit laatste geval wordt de toezichthouder onmiddellijk verwittigd.

 

Behalve in het geval van een ernstige verontreiniging en wanneer de voortschrijding ervan de saneringskosten sterk opdrijft, mag het buiten gebruik nemen van de installatie enkele dagen uitgesteld worden in de periode tussen 1 november en 31 maart om de exploitant en de gebruikers de mogelijkheid te geven om te voorzien in een alternatieve verwarmingsbron.

 

Na vakkundige herstelling mag de houder slechts opnieuw in gebruik worden genomen nadat een attest is afgeleverd door een erkende technicus. Rechtstreeks in de grond ingegraven houders dienen een geslaagde dichtheidsbeproeving als vermeld in artikel 6.5.5.3. te hebben ondergaan.

 

Uit het attest moet ondubbelzinnig blijken dat de houder en de installatie voldoen aan de voorschriften van dit hoofdstuk.


Art. 6.5.5.5.

Onverminderd het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen worden de houders van een opslaginstallatie die de eigenaar definitief buiten gebruik stelt, geledigd en gereinigd.

 

Als de bovengrondse houder ook wordt verwijderd, stelt de erkende technicus vanaf 1 oktober 2019 een certificaat op waaruit ondubbelzinnig blijkt dat de buitengebruikstelling is uitgevoerd volgens de regels van het vak. Dat certificaat vermeldt bovendien de naam en het erkenningsnummer van de erkende technicus.

 

Rechtstreeks in de grond ingegraven houders worden bovendien verwijderd; bij onmogelijkheid om de houder te verwijderen wordt in overleg met een erkende technicus, de houder gevuld met zand, schuim of enig ander inert materiaal. Alle nodige maatregelen worden genomen om milieuverontreiniging te voorkomen.

 

Naar aanleiding van de buitengebruikstelling van de rechtstreeks in de grond ingegraven houder stelt de erkende technicus vanaf 1 maart 2009 een certificaat op waaruit ondubbelzinnig moet blijken dat de buitengebruikstelling werd uitgevoerd volgens de regels van het vak. Dit certificaat vermeldt bovendien de naam en het erkenningsnummer van de erkende technicus.


Afdeling 6.5.6.
ERKENDE TECHNICI [...]


Art. 6.5.6.1.

Onder gecertificeerde onderdelen van een installatie wordt verstaan de onderdelen waarvoor in uitvoering van ofwel de wet van 20 juli 1990 betreffende de accreditatie van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling, ofwel een andere door de Vlaamse Regering goedgekeurde certificeringprocedure een certificaat van overeenkomst met de code van goede praktijk of technische specificatie werd afgeleverd.


Art. 6.5.6.2. [...]

Art. 6.5.6.3.

De erkende stookolietechnicus is een natuurlijkepersoon, erkend volgens van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu.

 

Alleen de technici die krachtens de bepalingen van dit reglement zijn erkend, mogen de benaming "stookolietechnicus, in het bezit van het certificaat van bekwaamheid [...] inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks” voeren en de taken uitvoeren die door dit reglement aan hen worden toegewezen.


Art. 6.5.6.4.

De inrichtingen die de opleiding aanbieden, worden [erkend als opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks, volgens] het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu.

Alleen de inrichtingen die krachtens de bepalingen van dit reglement zijn erkend, mogen de benaming "erkende inrichting voor het organiseren van de opleiding en het afleveren van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks" dragen en de taken uitvoeren die door dit reglement aan hen worden toegewezen.


Art. 6.5.6.5. [...]

Art. 6.5.6.6. [...]

Afdeling 6.5.7.
VOORWAARDEN VOOR BESTAANDE HOUDERS


Art. 6.5.7.1.

Als bestaande houders worden beschouwd de houders die vóór 1 augustus 1995 een eerste maal zijn gevuld.

 

Bestaande houders dienen uiterlijk op 1 augustus 2000 uitgerust te zijn met een waarschuwings- of beveiligingssysteem zoals bepaald in artikel 6.5.1.3.

 

Onverminderd de overige bepalingen van dit hoofdstuk zijn de bepalingen van dit hoofdstuk betreffende de verbods- en/of afstandsregels alsmede de constructie- en de installatiewijzen niet van toepassing op bestaande houders.

 

Bij vervanging van de bestaande houder dient de nieuwe houder aan de voorschriften van dit hoofdstuk te voldoen, behalve voor wat betreft de verbods- en/of afstandsregels.


Art. 6.5.7.2.

§ 1.

Opslaginstallaties met bovengrondse houders dienen vóór 1 augustus 2003 onderworpen aan een controle door een erkende technicus of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen. Deze opslaginstallaties dienen niet onderworpen aan verdere periodieke controles.

 

§ 2.

Opslaginstallaties met ondergrondse houders dienen vóór 1 augustus 2002 onderworpen aan een controle als vermeld in §1 van artikel 6.5.5.3.

Vanaf de datum van deze controle dienen periodieke controles uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van artikelen 6.5.5.2 en 6.5.5.3.

De controles die overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk vóór 1 augustus 2000 werden uitgevoerd, blijven onverminderd rechtsgeldig ook wanneer deze de dichtheidsbeproeving niet hebben omvat.