Art. 3.

In de beschermingszones type II zijn de volgende handelingen verboden :

1 het direct lozen van stoffen van lijst I of II;
2 het indirect lozen, deponeren, opslaan op of in de bodem, uitstrooien en het vervoeren van stoffen van lijst I of II uitgezonderd indien :
- bedoelde stoffen slechts in zulk een geringe hoeveelheid en concentratie de stoffen van lijst I of II bevatten, dat elk gevaar voor een verontreiniging van het ontvangende grondwater nu of in de toekomst is uitgesloten. De Vlaamse regering kan voor elke stof van lijst I of II deze hoeveelheid en concentratie vaststellen;
- bedoelde stoffen nodig zijn voor de produktie van drinkwater;
- het opslag van koolwaterstoffen betreft, voor zover de opslagtank voldoet aan de bepalingen van titel II van het Vlarem;
- bedoelde stoffen nodig zijn voor een normale bemesting van landbouwgronden, voor zover de bemesting gebeurt overeenstemming de bepalingen van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en zijn uitvoeringsbesluiten.
3 het besproein en bevloeien met afvalwaters;
4 het inrichten van stortplaatsen;
5 het inrichten van begraafplaatsen;
6 het installeren van rioolwaterzuiveringsinstallaties of installaties voor verwerking van afval;
7 boringen, ontgrondingen, graafwerken van meer dan 2,50 m onder het maaiveld, uitgezonderd peilputten;
8 de opslag van drijfmest in ondergrondse of bovengrondse opslagruimten;
9 het gebruik van sleuf- grondsilo's;
10 het aanleggen van mestvaalten;
11 het aanleggen van leidingen met een minimumlengte van 100 m voor het transport van stoffen van de lijst I of II.