Art. 12.

De ligging van ondergrondse leidingen met een minimumlengte van 100 m, die stoffen van lijst I of lijst II bevatten, moeten door de exploitant van de installatie medegedeeld te worden aan de direkteur van de provinciale dienst van de administratie voor ruimtelijke ordening en leefmilieu uiterlijk honderd vijftig kalenderdagen na het van kracht worden van onderhavig besluit. De exploitant van deze installatie moet volgende dokumenten en gegevens bij het dossier voegen :

1 een overzichtsplan op schaal 1/10 000;
2 detailplannen van de begin- en eindpunten van de leiding en de bestaande pompstations met hun karakteristieken;
3 de aard, dikte en diameter van de leidingsmaterialen;
4 de genomen maatregelen om verontreiniging van grondwater te voorkomen.