Art. 22.

§ 1

Rekening houdende met de bepalingen van hoofdstuk VII, behandelt de milieu-instantie de aanvraag ten gronde, en deelt haar positieve, gedeeltelijke positieve of negatieve beslissing zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen de dertig kalenderdagen mee aan de aanvrager.

De beslissing over de aanvraag wordt genomen, onverminderd delegatie, door een bevoegd leidinggevend personeelslid van een milieu-instantie die over de milieu-informatie beschikt. Beschikt de milieu-instantie niet over personeel, dan wordt de beslissing genomen door de bevoegde persoon overeenkomstig de toepasselijke regelgeving en statuten.

 

§ 2

Als de aanvraag kennelijk te vaag is geformuleerd, verzoekt de milieu-instantie zo spoedig mogelijk de aanvrager zijn aanvraag te verduidelijken of te vervolledigen.

De milieu-instantie deelt mee waarom de aanvraag kennelijk te vaag geformuleerd is. Voorzover dat mogelijk is, geeft ze tevens aan welke gegevens over de gevraagde informatie nodig zijn om de aanvraag verder te kunnen behandelen.

Een nieuwe termijn van dertig dagen begint te lopen voor de milieu-instantie vanaf het moment dat de aanvrager zijn aanvraag heeft verduidelijkt of vervolledigd.

 

§ 3

Als de milieu-instantie oordeelt dat de toetsing van de aanvraag tot openbaarmaking op basis van de uitzonderingsgronden, bedoeld in artikelen 27 tot 32, of op basis van de omvang van de aanvraag, moeilijk tijdig uit te voeren is, dan deelt ze binnen de termijn vermeld in § 1 aan de aanvrager mee dat de mededelingstermijn van de beslissing tot vijfenveertig kalenderdagen wordt verlengd. De verlengingsbeslissing vermeldt de reden of de redenen voor het uitstel.

 

§ 4

Indien de aanvraag wordt afgewezen op grond van artikel 32, § 1, dan deelt de milieu-instantie mee wie verantwoordelijk is voor de verdere afwerking van de gevraagde milieu-informatie en binnen welke termijn dit vermoedelijk zal gebeuren.

 

§ 5

De negatieve of gedeeltelijk positieve beslissing bevat de reden voor de weigering alsook de beroepsprocedures zoals bedoeld in de artikelen 35 en volgende. Deze motiveringsverplichting mag evenwel niet :
1° de uitwendige veiligheid van de Staat in het gedrang brengen;
2° de openbare orde verstoren;
3° afbreuk doen aan de eerbied voor het privé-leven;
4° afbreuk doen aan de bepalingen inzake de zwijgplicht.

 

§ 6

In voorkomend geval, motiveert de milieu-instantie waarom zij de milieu-informatie niet ter beschikking kan stellen van de aanvrager binnen de door hem voorgestelde termijn.