Art. 3. De vordering wordt ingesteld en behandeld zoals in kort geding overeenkomstig de artikelen 1035 tot 1038, 1040 en 1041 van het Gerechtelijk Wetboek.
Zij kan eveneens ingesteld worden bij verzoekschrift. Dit wordt in vier exemplaren neergelegd op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg of aan deze griffie verzonden bij een ter post aangetekende brief.
De griffier van de rechtbank verwittigt onverwijld de tegenpartij bij gerechtsbrief en nodigt haar uit te verschijnen ten vroegste drie dagen en ten laatste acht dagen na het verzenden van de gerechtsbrief, waarbij een exemplaar van het inleidend verzoekschrift is gevoegd.
Op straffe van nietigheid vermeldt het verzoekschrift :
1. de dag, de maand en het jaar;
2. de benaming en de zetel van de vereniging;
3. de naam en het adres van de rechtspersoon of van de natuurlijke prsoon tegen wie de vordering wordt ingesteld;
4. het onderwerp en de uiteenzetting van de middelen van de vordering;
5. de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.
Over de vordering wordt uitspraak gedaan niettegenstaande enige strafvervolging uitgeoefend wegens dezelfde feiten.
De uitspraak over de strafvordering die betrekking heeft op feiten waartegen een vordering tot staking is ingesteld, wordt uitgesteld totdat inzake de vordering tot staking een beslissing is gewezen die in kracht van gewijsde is gegaan.
Tijdens het uitstel wordt de verjaring van de strafvordering geschorst.
Er kan ook uitspraak worden gedaan over een tegenvordering wegens tergend en roekeloos geding.