Titel III.
Bodemsanering


Hoofdstuk I.
Identificatie en inventarisatie van gronden


Afdeling I.
Grondeninformatieregister


Art. 5.

§ 1

De OVAM beheert een grondeninformatieregister waarin ze gegevens over gronden opneemt die haar in het kader van dit decreet of het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten worden bezorgd.

 

§ 2

Bij de opname van een grond in het grondeninformatieregister levert de OVAM ambtshalve een bodemattest af aan :

de eigenaar en de gebruiker van de grond en de exploitant op de grond, voor zover deze door de OVAM gekend zijn;
de gemeente van de plaats waar de grond gelegen is. De gemeente legt de ontvangen bodemattesten ter inzage van belangstellenden.

 

In afwijking van het eerste lid, levert de OVAM niet ambtshalve een bodemattest af als een grond louter vanwege informatie uit de gemeentelijke inventaris van risicogronden in het grondeninformatieregister wordt opgenomen.


De OVAM levert ook op aanvraag een bodemattest af. Het bodemattest wordt afgeleverd binnen een termijn van veertien dagen na de ontvangst van de ontvankelijke aanvraag. Als de aanvraag betrekking heeft op een grond die in het grondeninformatieregister is opgenomen, wordt het bodemattest afgeleverd binnen een termijn van zestig dagen na de ontvangst van de ontvankelijke aanvraag.

 

§ 3

Het bodemattest vermeldt de identificatie van de grond en geeft een overzicht van de meest actuele informatie die over de grond beschikbaar is in het grondeninformatieregister.
De OVAM is niet verantwoordelijk voor de juistheid van de informatie die door derden aan haar werd verstrekt.

 

§ 4

De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende het beheer en de toegankelijkheid van het grondeninformatieregister.


Afdeling II.
Lijst van risico-inrichtingen


Art. 6. De Vlaamse Regering stelt een lijst vast van risicoinrichtingen.

Afdeling III.
Gemeentelijke inventaris


Art. 7.

§ 1

Elke gemeente beheert een inventaris van de risicogronden die op haar grondgebied gelegen zijn.
Op eerste verzoek verstrekt de [...] Deputatie van de provincie aan de gemeenten die gegevens die hen moeten toelaten de inventaris te beheren.

 

§ 2

Bij de opname van een grond in en de verwijdering van een grond uit de gemeentelijke inventaris, bezorgt de gemeente onverwijld een uittreksel betreffende de in de inventaris opgenomen gegevens aan de OVAM. De OVAM neemt deze gegevens op in het grondeninformatieregister.

 

§ 3

De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende het beheer en de toegankelijkheid van de gemeentelijke inventaris. De Vlaamse Regering kan ook bepalen welke niet-risicogronden in de gemeentelijke inventaris worden opgenomen.


Hoofdstuk II.
Bodemsaneringsdeskundige


Afdeling I.
Erkenning als bodemsaneringsdeskundige


Art. 8.

Op de erkenning als bodemsaneringsdeskundige zijn de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid van toepassing.

 

De OVAM is erkend als bodemsaneringsdeskundige. De Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek is erkend als bodemsaneringsdeskundige voor de taken die ze in opdracht van de OVAM uitvoert in het kader van dit decreet. De bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid zijn niet van toepassing op de erkenning van de OVAM en de VITO.


Afdeling II.
Kwaliteitsborging


Art. 8bis.

De erkende bodemsaneringsdeskundige verleent zijn medewerking aan audits die de OVAM organiseert in de kantoren van de bodemsaneringsdeskundige, op het te onderzoeken terrein of op een plaats die de OVAM bepaalt. De OVAM stelt een verslag op van de uitgevoerde audit. De audits hebben tot doel het kwaliteitssysteem dat de bodemsaneringsdeskundige hanteert bij de uitvoering van zijn taken als bodemsaneringsdeskundige, te toetsen door periodiek het volledige proces van opdrachtinitiatie tot aflevering van het eindproduct door te lichten.


De bodemsaneringsdeskundige geeft op verzoek van de OVAM het nodige gevolg aan het auditverslag en legt in voorkomend geval een plan van aanpak met corrigerende maatregelen en termijnen van uitvoering voor aan de OVAM ter goedkeuring. De bodemsaneringsdeskundige voert de corrigerende maatregelen uit binnen de termijn die vastgelegd is in het goedgekeurde plan van aanpak.


De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen over de uitvoering van de audit, het auditverslag, de corrigerende maatregelen en het plan van aanpak.


Hoofdstuk III.
Verplichting om het beschrijvend bodemonderzoek en de bodemsanering uit te voeren en te (pre)financieren


Afdeling I.
Nieuwe bodemverontreiniging


Onderafdeling I.
Saneringscriterium


Art. 9.

§ 1

De Vlaamse Regering stelt bodemsaneringsnormen vast. Deze bodemsaneringsnormen beantwoorden aan een niveau van bodemverontreiniging dat een aanmerkelijk risico inhoudt van negatieve effecten voor de mens of het milieu, gelet op de kenmerken van de bodem en de functies die deze vervult.

 

§ 2

Als er duidelijke aanwijzingen zijn dat de bodemverontreiniging de bodemsaneringsnormen overschrijdt of dreigt te overschrijden, wordt onverwijld een beschrijvend bodemonderzoek uitgevoerd.

 

§ 3

Als het beschrijvend bodemonderzoek aantoont dat de bodemsaneringsnormen overschreden zijn, wordt onverwijld overgegaan tot bodemsanering.
 

 

§ 4

Als de bodemverontreiniging omwille van haar bijzondere aard niet aan bodemsaneringsnormen kan worden getoetst, geldt het saneringscriterium, vermeld in artikel 19, § 1 en § 2.

 

§ 5

De bepalingen van § 2 en § 4 zijn niet van toepassing op schadegevallen die conform de bepalingen van artikel 74 tot en met 82 worden behandeld.


Onderafdeling II.
Saneringsdoel


Art. 10.

§ 1

Bodemsanering is er bij nieuwe bodemverontreiniging op gericht om de richtwaarden voor de bodemkwaliteit te realiseren.

 

§ 2

Als het wegens de kenmerken van de bodemverontreiniging of van de verontreinigde gronden niet mogelijk is de richtwaarden voor de bodemkwaliteit te realiseren door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen, wordt de bodemsanering er minstens op gericht een betere bodemkwaliteit te verwezenlijken dan bepaald door de toepasselijke bodemsaneringsnormen.


Ingeval de grond in het kader van een voorlopig vastgesteld ontwerp van plan van aanleg, ruimtelijk uitvoeringsplan of projectbesluit een bestemming krijgt waarvoor strengere bodemsaneringsnormen gelden, worden de strengere bodemsaneringsnormen als saneringsdoel gehanteerd.

 

§ 3

Als het wegens de kenmerken van de bodemverontreiniging of van de verontreinigde gronden niet mogelijk is de bodemkwaliteit, vermeld in § 1 en § 2, te verwezenlijken door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen, dan geldt het saneringsdoel, vermeld in artikel 21, § 1.

 

§ 4

Als het niet mogelijk is de bodemkwaliteit, vermeld in § 1 tot en met § 3, te verwezenlijken door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen, worden zo nodig gebruiks- of bestemmingsbeperkingen opgelegd.
 

 

§ 5

Als de bodemverontreiniging omwille van haar bijzondere aard niet aan richtwaarden voor de bodemkwaliteit kan worden getoetst, wordt het saneringsdoel, vermeld in artikel 21, § 1, gehanteerd. De bepalingen van § 4 zijn van overeenkomstige toepassing.

 

§ 6

De selectie van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen, gebeurt onafhankelijk van de financiėle draagkracht van de saneringsplichtige. De Vlaamse Regering kan bepalen met welke elementen in concreto rekening moet worden gehouden bij de evaluatie van de beste beschikbare technieken die geen overmatige kosten met zich meebrengen.


Onderafdeling III.
Saneringsplichtige


A. Aanduiding van de saneringsplichtige.

Art. 11.

De verplichting om in de gevallen, vermeld in artikel 9, met betrekking tot de verontreinigde gronden een beschrijvend bodemonderzoek en bodemsanering uit te voeren, rust op de volgende personen :

als op de grond waar de bodemverontreiniging tot stand is gekomen, een inrichting of activiteit gevestigd is die vergunnings- of meldingsplichtig is krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid: de exploitant, vermeld in titel V;
bij gebrek aan een exploitant, of als de exploitant werd vrijgesteld van de verplichting op grond van artikel 12, § 1 : de gebruiker van de grond waar de bodemverontreiniging tot stand kwam; Als de exploitant vrijgesteld is van de saneringsplicht voor een deel van de bodemverontreiniging, rust de saneringsplicht van de gebruiker op dat deel van de bodemverontreiniging.
bij gebrek aan een exploitant en gebruiker, of als de exploitant en gebruiker werden vrijgesteld van de verplichting op grond van artikel 12, § 1 : de eigenaar van de grond waar de bodemverontreiniging tot stand kwam. Als de exploitant en de gebruiker vrijgesteld zijn van de saneringsplicht voor een deel van de bodemverontreiniging, rust de saneringsplicht van de eigenaar op dat deel van de bodemverontreiniging.

 

Als de zelfstandige saneringsplicht, vermeld in artikel 9, niet onverwijld wordt uitgevoerd, kan de OVAM de saneringsplichtige, vermeld in het eerste lid, wijzen op zijn zelfstandige saneringsplicht en hierbij de termijn bepalen waarbinnen het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering wordt uitgevoerd. Alle belanghebbenden kunnen tegen deze beslissing van de OVAM een beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeenkomstig de bepalingen van artikel 153 tot en met 155.


B. Vrijstelling van de saneringsplicht.

Art. 12.

§ 1

De exploitant is niet verplicht om het beschrijvende bodemonderzoek of de bodemsanering uit te voeren als de OVAM op basis van het dossier van de grond of het gemotiveerd standpunt van de exploitant van oordeel is dat  hij cumulatief voldoet aan de volgende voorwaarden:

hij heeft de bodemverontreiniging niet zelf veroorzaakt;

de bodemverontreiniging is tot stand gekomen voor het tijdstip waarop hij exploitant op de grond werd.


Als de OVAM op basis van het dossier of het standpunt van oordeel is dat de exploitant voor een deel van de bodemverontreiniging cumulatief voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt de exploitant voor dat deel van de bodemverontreiniging vrijgesteld van de saneringsplicht.


De bepalingen van het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de gebruiker.

 

§ 2

De eigenaar is niet verplicht om het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering uit te voeren, als de OVAM op basis van het dossier van de grond of het gemotiveerd standpunt van de eigenaar van oordeel is dat hij cumulatief voldoet aan de volgende voorwaarden :

hij heeft de bodemverontreiniging niet zelf veroorzaakt;
de bodemverontreiniging is tot stand gekomen voor het tijdstip waarop hij eigenaar van de grond werd;
hij was niet op de hoogte en behoorde niet op de hoogte te zijn van de bodemverontreiniging op het ogenblik dat hij eigenaar van de grond werd. De Vlaamse Regering kan bepalen met welke elementen rekening moet worden gehouden bij de beoordeling of de eigenaar niet op de hoogte was of niet op de hoogte behoorde te zijn van de bodemverontreiniging op het ogenblik van de verwerving;
[...]

 

Als de OVAM op basis van het dossier of het standpunt van oordeel is dat de eigenaar voor een deel van de bodemverontreiniging cumulatief voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt de eigenaar voor dat deel van de bodemverontreiniging vrijgesteld van de saneringsplicht.

 

§ 3

In afwijking van de bepalingen van § 1 en § 2 is de persoon, vermeld in artikel 11, alsnog verplicht het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering uit te voeren, als de OVAM aantoont dat een rechtsvoorganger de bodemverontreiniging heeft veroorzaakt of dat de bodemverontreiniging tot stand gekomen is tijdens de periode dat een rechtsvoorganger de grond in exploitatie, gebruik of eigendom had.

 

§ 4

Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslissing van de OVAM, vermeld in § 1 tot en met § 3, een beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeenkomstig artikelen 153 tot en met 155.

 

§ 5

De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende :

de behandeling van de aanvraag tot vrijstelling van de verplichting om het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering uit te voeren;
de overdraagbaarheid en het verval van de vrijstelling van de verplichting om het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering uit te voeren.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regelen vaststellen betreffende :

de stukken die, op straffe van onontvankelijkheid van de aanvraag, bij het gemotiveerd standpunt, vermeld in § 1 of § 2, moeten worden gevoegd;
de termijn waarbinnen de aanvraag tot vrijstelling, op straffe van onontvankelijkheid, bij de OVAM moet worden ingediend.

 


Onderafdeling IV.
Saneringsfinanciering


A. (Pre)financiering.

Art. 13.

§ 1

De saneringsplichtige, vermeld in artikel 11, voert het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering uit op eigen kosten.

 

§ 2

De saneringsplichtige kan de kosten van het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering verhalen op de persoon die overeenkomstig artikel 16 aansprakelijk is en kan van deze saneringsaansprakelijke een voorschot vorderen of eisen dat hij een financiėle zekerheid stelt.


B. Draagkrachtregeling.

Art. 14.

§ 1

De saneringsplichtige, vermeld in artikel 11, die onvoldoende vermogen heeft om de bodemsanering te (pre)financieren, kan bij de Vlaamse Regering een gemotiveerde aanvraag tot toekenning van een draagkrachtregeling indienen. De draagkrachtregeling heeft tot doel de financieringslasten in de tijd te spreiden.
De Vlaamse Regering beslist over de toekenning van een draagkrachtregeling binnen een termijn van negentig dagen na de ontvangst van de ontvankelijke aanvraag.

 

§ 2

De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende de procedure tot aanvraag en de voorwaarden tot toekenning van een draagkrachtregeling.


C. Cofinanciering.

Art. 15.

§ 1

De Vlaamse Regering kan bepalen in welke gevallen de persoon die overgaat tot beschrijvend bodemonderzoek of tot bodemsanering aanspraak kan maken op cofinanciering. In dat geval stelt ze tevens nadere regelen vast betreffende de procedure en de voorwaarden tot cofinaciering, en het procentsgewijze aandeel van de cofinanciering in de totale kost van het beschrijvend bodemonderzoek of van de bodemsanering. De Vlaamse Regering kan tevens in nominale bedragen de maxima van de cofinanciering bepalen.

 

§ 2

De cofinanciering wordt toegekend binnen de perken van de daartoe voorziene kredieten op de begroting van het Vlaamse Gewest.


Onderafdeling V.
Aansprakelijkheid


Art. 16.

§ 1

Wie bodemverontreiniging heeft veroorzaakt, is aansprakelijk voor de kosten die overeenkomstig dit decreet gemaakt worden voor het beschrijvend bodemonderzoek, de bodemsanering en de andere maatregelen, vermeld in hoofdstuk VI, evenals voor de schade die door deze activiteiten of maatregelen veroorzaakt wordt.

 

§ 2

Als de emissie waardoor de bodemverontreiniging tot stand is gebracht afkomstig is van een inrichting of activiteit die vergunnings- of meldingsplichtig is krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene epalingen inzake milieubeleid, is de exploitant van de inrichting of activiteit, vermeld in titel V, echter aansprakelijk.

 

§ 3.

De aansprakelijkheid voor de kosten en verdere schade, vermeld in § 1, die de persoon die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 12, § 1 of § 2, kan oplopen op basis van voor dit decreet van toepassing zijnde regels die aansprakelijkheid vestigen op de loutere eigendom of de loutere bewaking van de grond wordt beperkt tot het bedrag van de kosten nodig om te voorkomen dat de bodemverontreiniging zich verder verspreidt of een onmiddellijk gevaar vormt.


Art. 17.

§ 1

Als meerdere personen op grond van de bepalingen van dit decreet aansprakelijk zijn voor een zelfde bodemverontreiniging, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk.

 

§ 2

In dat geval heeft diegene die de schadelijder heeft vergoed, een regres tegen de andere aansprakelijke personen, in de mate waarin de verschillende emissies waarvoor zij aansprakelijk zijn, hebben bijgedragen tot het veroorzaken van de bodemverontreiniging.

 

§ 3

De bepalingen van dit decreet doen geen afbreuk aan de mogelijkheden voor de aansprakelijke om op basis van een andere rechtsgrond regres uit te oefenen.


Art. 18.

De bepalingen van dit decreet doen geen afbreuk aan de andere rechten, die de personen die kosten maakten of schade leden als vermeld in artikel 16, § 1, hebben tegen de veroorzaker of tegen andere personen.


Afdeling II.
Historische bodemverontreiniging


Onderafdeling I.
Saneringscriterium


Art. 19.

§ 1

Op gronden met historische bodemverontreiniging wordt overgegaan tot een beschrijvend bodemonderzoek als er duidelijke aanwijzingen zijn van een ernstige bodemverontreiniging.

 

§ 2

Op gronden met historische bodemverontreiniging wordt overgegaan tot bodemsanering als het beschrijvend bodemonderzoek de aanwezigheid van een ernstige bodemverontreiniging aantoont.

 

§ 3

[...]


Art. 20. [...]

Onderafdeling II.
Saneringsdoel


Art. 21.

§ 1

Bodemsanering is er bij historische bodemverontreiniging op gericht om te vermijden dat de bodemkwaliteit een risico oplevert of kan opleveren tot nadelige beļnvloeding van mens of milieu door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen.


Ingeval de grond in het kader van “een voorlopig vastgesteld ontwerp van plan van aanleg, ruimtelijk uitvoeringsplan of projectbesluit een andere bestemming krijgt, wordt de bodemsanering er op gericht te vermijden dat de bodemkwaliteit een risico oplevert of kan opleveren tot nadelige beļnvloeding van mens of milieu binnen deze toekomstige bestemming.

 

§ 2

Als het niet mogelijk is de bodemkwaliteit, vermeld in § 1, te verwezenlijken door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen, worden zo nodig gebruiks- of bestemmingsbeperkingen opgelegd.

 

§ 3

De bepalingen van artikel 10, § 6, zijn van overeenkomstige toepassing.


Onderafdeling III.
Saneringsplichtige


A. Aanduiding van de saneringsplichtige.

Art. 22.

Als de OVAM van oordeel is dat een historische bodemverontreiniging als vermeld in artikel 19, aan een beschrijvend bodemonderzoek of prioritair aan bodemsanering moet worden onderworpen, maant de OVAM de volgende persoon aan tot uitvoering ervan:

als op de grond waar de bodemverontreiniging tot stand is gekomen, een inrichting of activiteit gevestigd is die vergunnings- of meldingsplichtig is krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid: de exploitant vermeld in titel V;
bij gebrek aan een exploitant, of als de exploitant vrijgesteld is van de verplichting met toepassing van artikel 23, § 1: de gebruiker van de grond waar de verontreiniging tot stand is gekomen. Als de exploitant vrijgesteld is van de saneringsplicht voor een deel van de bodemverontreiniging, rust de saneringsplicht van de gebruiker op dat deel van de bodemverontreiniging;
bij gebrek aan een exploitant en gebruiker, of als de exploitant en gebruiker vrijgesteld zijn van de verplichting met toepassing van artikel 23, § 1: de eigenaar van de grond waar de verontreiniging tot stand is gekomen. Als de exploitant en de gebruiker vrijgesteld zijn van de saneringsplicht voor een deel van de bodemverontreiniging, rust de saneringsplicht van de eigenaar op dat deel van de bodemverontreiniging.


De OVAM kan de termijn bepalen waarin het beschrijvend bodemonderzoek wordt uitgevoerd en het bodemsaneringsproject wordt opgesteld, en waarin het verslag van het beschrijvend bodemonderzoek en het bodemsaneringsproject aan haar wordt bezorgd.


Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslissing van de OVAM, vermeld in het eerste en tweede lid, beroep indienen bij de Vlaamse Regering conform artikel 153 tot en met 155.

 

In afwijking van het eerste lid rust de verplichting tot bodemsanering van rechtswege op de persoon die door de OVAM is aangemaand om een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren als dat bodemonderzoek een ernstige historische bodemverontreiniging tot stand gekomen op de betreffende grond aantoont, met behoud van de toepassing van de vrijstellingsregeling, vermeld in artikel 23.


B. Vrijstelling van de saneringsplicht.

Art. 23.

§ 1

De exploitant is niet verplicht om het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering uit te voeren als de OVAM op basis van het dossier van de grond of het gemotiveerd standpunt van de exploitant van oordeel is dat hij cumulatief voldoet aan de volgende voorwaarden:

hij heeft de bodemverontreiniging niet zelf veroorzaakt;
de bodemverontreiniging is tot stand gekomen voor het tijdstip waarop hij exploitant op de grond werd.


Als de OVAM op basis van het dossier of het standpunt van oordeel is dat de exploitant voor een deel van de bodemverontreiniging cumulatief aan de vrijstellingsvoorwaarden voldoet, wordt de exploitant voor dat deel van de bodemverontreiniging vrijgesteld van de saneringsplicht.


De bepalingen van het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de gebruiker.

 

§ 2

De eigenaar is niet verplicht om het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering uit te voeren, als de OVAM op basis van het dossier van de grond of het gemotiveerd standpunt van de eigenaar van oordeel is, dat hij cumulatief voldoet aan de volgende voorwaarden :

hij heeft de bodemverontreiniging niet zelf veroorzaakt;
de bodemverontreiniging is tot stand gekomen voor het tijdstip waarop hij eigenaar van de grond werd;
hij was niet op de hoogte en behoorde niet op de hoogte te zijn van de bodemverontreiniging op het ogenblik dat hij eigenaar van de grond werd. De Vlaamse Regering kan bepalen met welke elementen rekening moet worden gehouden bij de beoordeling of de eigenaar niet op de hoogte was of niet op de hoogte behoorde te zijn van de bodemverontreiniging op het ogenblik van de verwerving.


De eigenaar die, hoewel hij van de bodemverontreiniging op de hoogte was of behoorde te zijn, voor 1 januari 1993 een verontreinigde grond heeft verworven, is eveneens niet verplicht om het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering uit te voeren, als de OVAM op basis van het dossier van de grond of het gemotiveerd standpunt van de eigenaar van oordeel is dat hij de verontreiniging niet zelf heeft veroorzaakt en dat hij de grond sinds de verwerving enkel heeft aangewend voor particulier gebruik.

 

Als de OVAM op basis van het dossier of het standpunt van oordeel is dat de eigenaar voor een deel van de bodemverontreiniging cumulatief aan de vrijstellingsvoorwaarden voldoet, wordt de eigenaar voor dat deel van de bodemverontreiniging vrijgesteld van de saneringsplicht.

 

§ 3

In afwijking van de bepalingen van § 1 en § 2 is de persoon, vermeld in artikel 22, alsnog verplicht het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering uit te voeren, als de OVAM aantoont dat een rechtsvoorganger de bodemverontreiniging heeft veroorzaakt of dat de bodemverontreiniging tot stand gekomen is tijdens de periode dat een rechtsvoorganger de grond in exploitatie, gebruik of eigendom had.

 

§ 4

Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslissing van de OVAM, vermeld in § 1 tot en met § 3, een beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeenkomstig de bepalingen van artikel 153 tot en met 155.

 

§ 5

De bepalingen van artikel 12, § 5, zijn van overeenkomstige toepassing.


Onderafdeling IV.
Saneringsfinanciering


Art. 24.

De bepalingen van artikel 13 tot en met 15 zijn van overeenkomstige toepassing.


Onderafdeling V.
Aansprakelijkheid


Art. 25.

§ 1

De aansprakelijkheid voor de kosten die overeenkomstig dit decreet gemaakt worden voor het beschrijvend bodemonderzoek, het waterbodemonderzoek, de bodemsanering en de andere maatregelen, vermeld in hoofdstuk VI, evenals voor de schade die door deze activiteiten of maatregelen veroorzaakt wordt, wordt bij historische bodemverontreiniging vastgesteld overeenkomstig de aansprakelijkheidsregels die van toepassing waren voor 29 oktober 1995.

 

§ 2

De aansprakelijkheid voor de kosten en verdere schade, vermeld in § 1, die de persoon die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 23, § 1 of § 2, kan oplopen op basis van de voor 29 oktober 1995 van toepassing zijnde regels die aansprakelijkheid vestigen op de loutere eigendom of de loutere bewaking van de grond, wordt beperkt tot het bedrag van de kosten nodig om te voorkomen dat de bodemverontreiniging zich verder verspreidt of een onmiddellijk gevaar vormt.
 


Afdeling III.
Gemengde bodemverontreiniging


Art. 26. [...]

Art. 27.

§ 1

Bij vaststelling van een gemengde bodemverontreiniging maakt de bodemsaneringsdeskundige naar alle redelijkheid een zo accuraat mogelijke verdeling van de bodemverontreiniging in een deel dat vóór 29 oktober 1995 en een deel dat na 28 oktober 1995 tot stand gekomen is.


Op basis van het gemotiveerd voorstel van de bodemsaneringsdeskundige in zijn verslag van bodemonderzoek doet de OVAM uitspraak over de verdeling. Alle belanghebbenden kunnen tegen die beslissing van de OVAM beroep indienen bij de Vlaamse Regering conform artikel 153 tot en met 155.

 

§ 2

Als de OVAM op basis van de verdeling van oordeel is dat het grootste deel van de gemengde bodemverontreiniging vóór 29 oktober 1995 tot stand gekomen is, of dat het deel dat vóór 29 oktober 1995 ontstaan is even groot is als het deel dat na 28 oktober 1995 tot stand gekomen is, zijn op de gemengde bodemverontreiniging uitsluitend de bepalingen die gelden voor historische bodemverontreiniging, van toepassing.


Als op basis van de verdeling het grootste deel van de gemengde bodemverontreiniging na 28 oktober 1995 tot stand gekomen is, zijn op de gemengde bodemverontreiniging uitsluitend de bepalingen die gelden voor nieuwe bodemverontreiniging, van toepassing.


Afdeling IV.
vermengde bodemverontreiniging


Onderafdeling I.
Kwalificatie als vermengde bodemverontreiniging


Art. 27bis.

De OVAM kan een bodemverontreiniging kwalificeren als een vermengde bodemverontreiniging. De OVAM omschrijft de vermengde bodemverontreiniging en vermeldt de grond of gronden waar de vermengde bodemverontreiniging tot stand gekomen is.


Onder voorbehoud van andersluidende bepalingen in deze afdeling zijn de bepalingen van artikel 9 tot en met 11, artikel 13 tot en met 22, en artikel 24 tot en met 27 van toepassing op de vermengde bodemverontreiniging.


Onderafdeling II.
Verplichting tot gezamenlijke uitvoering van een beschrijvend bodemonderzoek en bodemsanering voor de vermengde bodemverontreiniging


Art. 27ter.

De kwalificatie als vermengde bodemverontreiniging heeft van rechtswege tot gevolg dat de personen die met toepassing van artikel 9 en 11 saneringsplichtig zijn of met toepassing van artikel 19 en 22 saneringsplichtig werden gesteld, de verplichting hebben om gezamenlijk een beschrijvend bodemonderzoek of bodemsanering voor de vermengde bodemverontreiniging uit te voeren.


Op voorwaarde dat de saneringsplichtige personen akkoord gaan, kan de OVAM overgaan tot uitvoering van het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering voor de vermengde bodemverontreiniging. Dat gebeurt op kosten van de saneringsplichtige personen overeenkomstig de verdeelsleutel, vastgesteld met toepassing van artikel 27quater.


Onderafdeling III.
Plicht tot (pre)financiering op basis van verdeelsleutel


Art. 27quater.

In afwijking van artikel 13, eerste lid, en artikel 24 gebeurt de (pre)financiering van de uitvoering van het beschrijvend bodemonderzoek en de bodemsanering door de saneringsplichtige personen, vermeld in artikel 27ter, volgens een verdeelsleutel die door de OVAM op basis van de beschikbare gegevens naar alle redelijkheid wordt vastgesteld. De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels voor de vaststelling van de verdeelsleutel.


Onderafdeling IV.
Adminstratief beroep


Art. 27quinquies.

Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslissingen van de OVAM, vermeld in artikel 27bis en 27quater, beroep aantekenen bij de Vlaamse Regering conform artikel 153 tot en met 155.


Hoofdstuk IV.
Oriėnterend bodemonderzoek en beschrijvend bodemonderzoek


Afdeling I.
Oriėnterend bodemonderzoek


Onderafdeling I.
Doel, inhoud en procedure


Art. 28.

§ 1

Een oriėnterend bodemonderzoek heeft tot doel uit te maken of er duidelijke aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van bodemverontreiniging. [...]

 

§ 2

Een oriėnterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Een verslag van het oriėnterend bodemonderzoek wordt opgemaakt en bij de OVAM ingediend door de bodemsaneringsdeskundige conform de voormelde standaardprocedure.

 

Een bodemonderzoek dat niet is uitgevoerd conform de standaardprocedure, vermeld in het eerste lid, wordt niet beschouwd als een oriėnterend bodemonderzoek.

 

§ 3

[...]

 

§ 4

[...]


Onderafdeling Ibis.
Beslissingen op basis van het oriėnterend bodemonderzoek


Art. 28bis. [...]

Art. 28ter.

Binnen een termijn van zestig dagen na de ontvangst van het verslag van het oriėnterend bodemonderzoek spreekt de OVAM zich uit over de aard van de bodemverontreiniging. Ze oordeelt ook of er duidelijke aanwijzingen zijn van een ernstige bodemverontreiniging of van een bodemverontreiniging die de bodemsaneringsnormen overschrijdt of dreigt te overschrijden.


De OVAM brengt de opdrachtgever van het oriėnterend bodemonderzoek op de hoogte van de beslissingen, vermeld in het eerste lid.


Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslissingen van de OVAM, vermeld in het eerste lid, beroep indienen bij de Vlaamse Regering conform artikel 153 tot en met 155.


Art. 28quater. [...]

Onderafdeling II.
Verplichting om een oriėnterend bodemonderzoek uit te voeren


A. Overdracht van een risicogrond.

Art. 29. Een oriėnterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd op initiatief en op kosten van de overdrager of de gemandateerde voor de overdracht van een risico-grond.

Art. 30.

In afwijking van artikel 29 en 102 moet voor de overdracht van een privatief deel van een onroerend goed dat valt onder het stelsel van gedwongen mede-eigendom zoals bedoeld in artikel 577-3 van het Burgerlijk Wetboek of dat valt onder toepassing van artikel 577-2 van het Burgerlijk Wetboek, alleen in de volgende gevallen een oriėnterend bodemonderzoek worden uitgevoerd:

in dat privatieve deel is of was een risico-inrichting gevestigd;
in de gemeenschappelijke delen is of was een risico-inrichting gevestigd, die uitsluitend bestemd is of was voor dat privatieve deel.

 

Het oriėnterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd op initiatief en op kosten van de overdrager of desgevallend de gemandateerde.


B. Eenmalig oriėnterend bodemonderzoek bij gedwongen mede-eigendom.

Art. 30bis.

In de volgende gevallen moet voor een onroerend geheel dat valt onder het stelsel van gedwongen mede-eigendom, vermeld in artikel 577-3 van het Burgerlijk Wetboek, een oriėnterend bodemonderzoek worden uitgevoerd op initiatief en op kosten van de vereniging van mede-eigenaars voor 31 december 2014 :

voor de vestiging van de gedwongen mede-eigendom was een risico-inrichting gevestigd op de grond waarop de gedwongen mede-eigendom gevestigd is;
in de gemeenschappelijke delen was een risico-inrichting gevestigd die bestemd was ten behoeve van de gedwongen mede-eigendom.

 

Bij afwezigheid van een vereniging van mede-eigenaars wordt het oriėnterend bodemonderzoek uitgevoerd op initiatief en op kosten van de mede-eigenaars.


C. Verplicht oriėnterend bodemonderzoek voor nog niet onderzochte gronden met potentieel historische bodemverontreiniging.

Art. 31.

[...]

 

§ 1.

Voor de volgende risicogronden waarop volgens de informatie in het grondeninformatieregister nog geen oriėnterend bodemonderzoek is uitgevoerd, moet op initiatief en op kosten van de volgende personen een oriėnterend bodemonderzoek worden uitgevoerd:

risicogronden waarop een of meer risico-inrichtingen, aangeduid in bijlage 1 van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 met kenletter ‘O’, worden geėxploiteerd met aanvang van de exploitatie vóór 29 oktober 1995: de exploitant van de risico-inrichting;
risicogronden waarop een of meer risico-inrichtingen, vermeld in bijlage 1 van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, werden geėxploiteerd met aanvang van de exploitatie vóór 29 oktober 1995: de eigenaar van de risicogrond.


De bodemsaneringsdeskundige onder wiens leiding het oriėnterend bodemonderzoek werd uitgevoerd, dient het verslag in bij de OVAM.

 

§ 2.

Het oriėnterend bodemonderzoek moet worden uitgevoerd en het verslag ervan bij de OVAM worden ingediend voor het volgende tijdstip:

voor de risicogronden, vermeld in paragraaf 1, 1°: vóór 31 januari 2027;
voor de risicogronden, vermeld in paragraaf 1, 2°:
  a) als het gaat om een of meer risico-inrichtingen waarvan minstens één met kenletter ‘B’: vóór 31 december 2021;
  b) als het gaat om een risico-inrichting met kenletter ‘A’, meerdere risico-inrichtingen met allemaal kenletter ‘A’ of meerdere risico-inrichtingen waarvan minstens één met kenletter ‘A’ en geen enkele met kenletter ‘B’: vóór 31 december 2023;
  c) als het gaat om een risico-inrichting met kenletter ‘O’ of meerdere risico-inrichtingen met allemaal kenletter ‘O’: vóór 31 januari 2027.

 

§ 3.

De eigenaar is niet verplicht om het oriėnterend bodemonderzoek uit te voeren als de OVAM op basis van het dossier van de grond of het gemotiveerd standpunt van de eigenaar van oordeel is dat cumulatief voldaan is aan de volgende voorwaarden:

de eigenaar heeft de risico-inrichtingen niet zelf geėxploiteerd;
de risico-inrichtingen werden op de grond geėxploiteerd voor hij eigenaar werd van de grond;
sinds de verwerving heeft de eigenaar de grond alleen aangewend voor particulier gebruik;
als de eigenaar het eigendomsrecht op de risicogrond door vererving heeft verworven: in hoofde van de erflater is voldaan aan de vrijstellingsvoorwaarden, vermeld in punt 1° tot en met 3°.

 

De eigenaar dient zijn aanvraag tot vrijstelling van de plicht tot het uitvoeren van het oriėnterend bodemonderzoek met gemotiveerd standpunt in bij de OVAM. Dit kan op elk tijdstip, maar moet op straffe van niet-ontvankelijkheid van de aanvraag gebeuren uiterlijk binnen een termijn van negentig dagen na ontvangst van de brief waarin de OVAM de eigenaar wijst op zijn zelfstandige verplichting om het oriėnterend bodemonderzoek uit te voeren. De OVAM onderzoekt het gemotiveerd standpunt van de ontvankelijke aanvraag en oordeelt of de eigenaar voldoet aan de vrijstellingsvoorwaarden. De OVAM stelt de eigenaar in kennis van haar beslissing binnen een termijn van negentig dagen na ontvangst van de aanvraag.


Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslissing van de OVAM beroep indienen bij de Vlaamse Regering conform artikel 153 tot en met 155.

 

§ 4.

Als de eigenaar van de risicogrond vrijstelling van de bodemonderzoeksplicht heeft verkregen, gaat die vrijstelling op het moment van de overdracht van de grond van rechtswege over op de verwerver als die de risico-inrichtingen niet zelf heeft geėxploiteerd op de grond.


D. Sluiting van een risico-inrichting.

Art. 32. Een oriėnterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd op initiatief en op kosten van de exploitant naar aanleiding van de sluiting van een risico-inrichting.

E. Onderzoeksplicht in het kader van de exploitatie van bepaalde risico-inrichtingen.

Art. 33. De Vlaamse Regering kan bij algemene regel bepalen dat de exploitanten van bepaalde categorieėn van risico-inrichtingen binnen een door haar bepaalde termijn en vervolgens periodiek volgens de door haar bepaalde periodiciteit op eigen initiatief en op eigen kosten een oriėnterend bodemonderzoek moeten uitvoeren. [...]

Art. 33bis.

§ 1.

Naar aanleiding van de aanvang van de exploitatie van de door de Vlaamse Regering aangewezen risico-inrichtingen die vergunningsplichtig zijn krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wordt op initiatief en op kosten van de exploitant een oriėnterend bodemonderzoek uitgevoerd.

 

Het oriėnterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd en het verslag daarvan wordt aan de OVAM bezorgd vóór de omgevingsvergunningsaanvraag voor de exploitatie van de risico-inrichting bij de vergunningverlenende overheid wordt ingediend.

 

§ 2.

Voor de risico-inrichtingen, vermeld in paragraaf 1, waarvoor op het moment van de aanvang van de exploitatie de onderzoeksplicht, vermeld in § 1, niet van toepassing was, wordt op initiatief en op kosten van de exploitant eenmalig een oriėnterend bodemonderzoek uitgevoerd.

 

De Vlaamse Regering bepaalt voor welke van die risico-inrichtingen het oriėnterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd en het verslag daarvan aan de OVAM wordt bezorgd vóór 7 januari 2014, en voor welke van die risico-inrichtingen die verplichtingen worden uitgevoerd vóór 7 juli 2015.


F. Faillissement.

Art. 34. Als een handelaar of een vennootschap die eigenaar is van een risicogrond, failliet wordt verklaard, wordt op initiatief van de curator een oriėnterend bodemonderzoek uitgevoerd op de risicogrond.

G. Aanwijzingen van ernstige bodemverontreiniging.

Art. 35.

Als de OVAM van oordeel is dat er aanwijzingen zijn voor een ernstige bodemverontreiniging op een grond, kan ze de personen, vermeld in artikel 11 of 22, de verplichting opleggen om binnen een bepaalde termijn een oriėnterend bodemonderzoek op de grond uit te voeren en het verslag ervan aan haar te bezorgen.


Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslissing van de OVAM, vermeld in het eerste lid, beroep indienen bij de Vlaamse Regering conform artikel 153 tot en met 155.


H. Geen nieuw oriėnterend bodemonderzoek.

Art. 36.

De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen waarbij in de gevallen, vermeld in artikelen 29 tot en met 34, geen verplichting bestaat om een nieuw orienterend bodemonderzoek uit te voeren of een verplichting bestaat om slechts een beperkte aanvulling van het meest recente oriėnterend bodemonderzoek uit te voeren.


Onderafdeling III.
Ambtshalve oriėnterend bodemonderzoek


Art. 37. Met behoud van de bevoegdheden van de toezichthoudende ambtenaren krachtens andere wetten of decreten, kan de OVAM te allen tijde ambtshalve een oriėnterend bodemonderzoek uitvoeren.

Afdeling II.
Beschrijvend bodemonderzoek


Onderafdeling I.
Doel, inhoud en procedure


Art. 38.

§ 1

Een beschrijvend bodemonderzoek wordt uitgevoerd om de ernst van de bodemverontreiniging vast te stellen. Het beoogt een beschrijving te geven van de soort, de aard, de hoeveelheid, de concentratie, de oorsprong en de omvang van de verontreinigende stoffen of organismen, de mogelijkheid op verspreiding ervan en het gevaar op blootstelling eraan van mensen, planten en dieren en van het grond- en oppervlaktewater.
Daarnaast kunnen in een beschrijvend bodemonderzoek gegevens worden opgenomen met betrekking tot de inschatting van het gevaar op blootstelling aan de bodemverontreiniging van mensen, planten en dieren en van het grond- en oppervlaktewater bij een potentieel andere bestemming.

 

§ 2

Een beschrijvend bodemonderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Een verslag van het beschrijvend bodemonderzoek wordt opgemaakt en bij de OVAM ingediend door de bodemsaneringsdeskundige conform de voormelde standaardprocedure.


Een bodemonderzoek dat niet is uitgevoerd conform de standaardprocedure, vermeld in het eerste lid, wordt niet beschouwd als een beschrijvend bodemonderzoek.

 

§ 3

Een beschrijvend bodemonderzoek kan gefaseerd worden uitgevoerd in de gevallen en overeenkomstig de voorwaarden die worden bepaald in de standaardprocedure, vermeld in § 2.


Onderafdeling II.
Beslissingen op basis van het beschrijvend bodemonderzoek


Art. 39. [...]

[...].


Art. 40.

Binnen een termijn van zestig dagen na de ontvangst van het verslag van het beschrijvend bodemonderzoek spreekt de OVAM zich uit over:

de aard van de bodemverontreiniging;
de aanwezigheid van een bodemverontreiniging die de bodemsaneringsnormen overschrijdt of van een ernstige bodemverontreiniging.

 

De OVAM brengt de opdrachtgever van het beschrijvend bodemonderzoek op de hoogte van de beslissingen, vermeld in het eerste lid.

 

Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslissingen van de OVAM, vermeld in het eerste lid, beroep indienen bij de Vlaamse Regering conform artikel 153 tot en met 155.


Art. 41. [...]

Onderafdeling IV.
Ambtshalve beschrijvend bodemonderzoek


Art. 42. Met behoud van de bevoegdheden van de toezichthoudende ambtenaren krachtens andere wetten of decreten, kan de OVAM te allen tijde ambtshalve overgaan tot het uitvoeren of aanvullen van een beschrijvend bodemonderzoek.

Onderafdeling V.
Administratief beroep


Art. 43. [...]

Afdeling III.
Oriėnterend en beschrijvend bodemonderzoek


[...].


Art. 44.

Het beschrijvend bodemonderzoek kan gelijktijdig of onmiddellijk na het oriėnterend bodemonderzoek worden uitgevoerd. In dat geval worden de resultaten van beide onderzoeken in een verslag bij de OVAM ingediend, onder de benaming ‘Verslag van oriėnterend en beschrijvend bodemonderzoek’.


Een oriėnterend en beschrijvend bodemonderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Een verslag van oriėnterend en beschrijvend bodemonderzoek wordt opgemaakt en bij de OVAM ingediend door de bodemsaneringsdeskundige conform de voormelde standaardprocedure.


Een bodemonderzoek dat niet is uitgevoerd conform de standaardprocedure vermeld in het tweede lid, wordt niet beschouwd als een oriėnterend en beschrijvend bodemonderzoek.


Artikel 40 is van overeenkomstige toepassing op de beslissingen over het oriėnterend en beschrijvend bodemonderzoek.


[...].


Art. 45. [...]

Art. 46. [...]

Afdeling IV.
Beoordeling van de conformiteit van bodemonderzoeken


Art. 46bis.

Binnen een termijn van zestig dagen na de ontvangst van het verslag van een oriėnterend bodemonderzoek, een beschrijvend bodemonderzoek, een oriėnterend en beschrijvend bodemonderzoek of siteonderzoek kan de OVAM beoordelen of het betreffende bodemonderzoek conform de overeenstemmende standaardprocedure is uitgevoerd. Als de OVAM de conformiteit van het bodemonderzoek beoordeelt, brengt ze de opdrachtgever van het bodemonderzoek op de hoogte van haar beslissing binnen de voormelde termijn van zestig dagen.

 

Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslissing van de OVAM, vermeld in het eerste lid, beroep indienen bij de Vlaamse Regering conform artikel 153 tot en met 155.


Hoofdstuk V.
Bodemsanering


Afdeling I.
Bodemsaneringsproject


Onderafdeling I.
Doel, procedure en inhoud van het bodemsaneringsproject


Art. 47.

§ 1

Een bodemsaneringsproject stelt de wijze vast waarop bodemsaneringswerken worden uitgevoerd en de eventuele nazorg wordt verzekerd.

 

§ 2

Een bodemsaneringsproject wordt opgesteld onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij gebrek aan dergelijke standaardprocedure wordt het bodemsaneringsproject opgesteld volgens een code van goede praktijk.

 

§ 3

Het bodemsaneringsproject steunt op de resultaten van een [...] beschrijvend bodemonderzoek. Als de OVAM van oordeel is dat de resultaten van dit bodemonderzoek onvoldoende actueel zijn om een accuraat beeld van de verontreinigingssituatie te gevenen op zorgvuldige wijze een bodemsaneringsproject op te stellen, legt ze aan de opdrachtgever van het bodemsaneringsproject de verplichting op om binnen een welbepaalde termijn het beschrijvend bodemonderzoek te actualiseren.

 

§ 4

Een bodemsaneringsproject kan gefaseerd worden opgesteld in de gevallen en overeenkomstig de voorwaarden bepaald in de standaardprocedure, vermeld in § 2.


Art. 47bis.

§ 1.

Als het bodemsaneringsproject activiteiten omvat waarvoor met toepassing van artikel 4.3.2, § 2bis of § 3bis, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid een project-m.e.r-screeningsnota moet worden opgesteld, gelden in afwijking van artikel 4.3.3, § 2, van het voormelde decreet, de bepalingen, vastgesteld bij en krachtens dit decreet.

 

§ 2.

In het geval, vermeld in paragraaf 1, wordt in het bodemsaneringsproject een project- m.e.r.-screeningsnota opgenomen waarin voor de voorgenomen activiteiten, vermeld in paragraaf 1, wordt aangegeven of er al dan niet aanzienlijke effecten voor mens en milieu te verwachten zijn. De inhoud van de project-m.e.r.-screeningsnota wordt nader geregeld in de standaardprocedure voor het bodemsaneringsproject.

 

§ 3.

Op basis van de project-m.e.r.-screeningsnota neemt de OVAM een beslissing of een project-MER moet worden opgesteld. De OVAM neemt die beslissing op het ogenblik van en als onderdeel van de beslissing van de ontvankelijkheid en volledigheid van het bodemsaneringsproject. De beslissing of al dan niet een project-MER moet worden opgesteld, wordt ter beschikking gesteld van het publiek.

 

Als besloten wordt dat een project-MER moet worden opgesteld, bevat de beslissing van de OVAM, vermeld in het eerste lid, de belangrijkste redenen waarom een project-MER moet worden opgesteld, waarbij verwezen wordt naar de relevante criteria, vermeld in bijlage II bij het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake het milieubeleid.


Als besloten wordt dat er geen project-MER hoeft te worden opgesteld, bevat de beslissing van de OVAM de belangrijkste redenen waarom er geen project-MER hoeft te worden opgesteld, waarbij verwezen wordt naar de relevante criteria, vermeld in bijlage II bij het voormelde decreet, en, als de exploitant die heeft voorgesteld, de kenmerken van het project of de geplande maatregelen om te vermijden of te voorkomen wat anders wellicht aanzienlijke nadelige milieueffecten zouden zijn geweest.


De OVAM houdt bij de beslissing, vermeld in het eerste lid, als dat relevant is, rekening met de resultaten van voorafgaande controles die zijn verricht of beoordelingen van de effecten op het milieu die zijn gemaakt met toepassing van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake het milieubeleid of met toepassing van andere gewestelijke of federale regelgeving.


Er moet geen project-MER worden opgesteld in de volgende gevallen:

de OVAM is van oordeel dat een toetsing aan de criteria, vermeld in bijlage II van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, uitwijst dat het voorgenomen project geen aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het milieu en een project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten;
vroeger werd al een plan-MER goedgekeurd betreffende een plan of programma waarin een project met vergelijkbare effecten beoordeeld werd of een project-MER goedgekeurd werd voor een project waarvan het voorgenomen initiatief een herhaling, voortzetting of alternatief is, en de OVAM is van oordeel dat een nieuw project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende de gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten.


De beslissing dat een project-MER moet worden opgesteld, heeft van rechtswege de onvolledigheid van het bodemsaneringsproject tot gevolg.


Art. 47ter.

§ 1.

Als het bodemsaneringsproject activiteiten omvat waarvoor met toepassing van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid of op basis van de beslissing van de OVAM, vermeld in artikel 47bis, § 3, een project-MER moet worden opgesteld, gelden, in afwijking van artikel 4.3.4, § 1 tot en met §4, en artikel 4.3.5 tot en met 4.3.9 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, de bepalingen, vastgesteld bij en krachtens dit decreet, en zijn artikel 4.3.3 en 4.3.4, § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat “initiatiefnemer” gelezen moet worden als “de persoon die tot bodemsanering overgaat”.

 

§ 2.

In het geval, vermeld in paragraaf 1, kan de persoon die tot bodemsanering overgaat voor hij het bodemsaneringsproject betekent, de OVAM verzoeken een advies uit te brengen over de inhoud van de gegevens die het bodemsaneringsproject als gevolg daarvan moet bevatten. De OVAM raadpleegt in dat verband de persoon die tot bodemsanering overgaat en de instanties die de Vlaamse Regering heeft aangewezen voor ze haar advies uitbrengt. Het feit dat de OVAM een advies heeft uitgebracht belet niet dat ze vervolgens om meer informatie kan verzoeken.


In ieder geval worden in het bodemsaneringsproject de gegevens opgenomen, vermeld in artikel 4.3.7 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.


Art. 48. De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende de inhoud, de kennisgeving en de ontvankelijkheid en volledigheid van het bodemsaneringsproject.

Onderafdeling II.
Openbaar onderzoek en adviesverlening


Art. 49. De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende de procedure tot openbaar onderzoek en adviesverlening met betrekking tot het bodemsaneringsproject.

Onderafdeling III.
Conformverklaring van het bodemsaneringsproject


Art. 50.

§ 1

Na afloop van het openbaar onderzoek en na ontvangst van de adviezen, vermeld in artikel 49, en uiterlijk negentig dagen na ontvangst van het ontvankelijk en volledig bodemsaneringsproject, spreekt de OVAM zich uit over de conformiteit van het bodemsaneringsproject met de bepalingen van dit decreet. De OVAM legt aanvullingen op of wijzigingen aan het bodemsaneringsproject op, of levert een conformiteitsattest af.

 

§ 1bis.

Als het bodemsaneringsproject activiteiten omvat waarvoor een project-MER is vereist, wordt de termijn van negentig dagen, vermeld in paragraaf 1, verlengd tot 150 dagen na de ontvangst van het ontvankelijke en volledige bodemsaneringsproject. In het conformiteitsattest van het bodemsaneringsproject neemt de OVAM een gemotiveerde conclusie over de aanzienlijke effecten van het project op het milieu. Ze houdt daarbij rekening met het advies van de administratie die bevoegd is voor milieueffectrapportage, met de adviezen van de adviesverlenende instanties en met de inspraak in het kader van het openbaar onderzoek.

 

§ 2

[...]


Art. 51. De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende de conformverklaring van het bodemsaneringsproject en het opleggen van wijzigingen en aanvullingen op het bodemsaneringsproject, en de kennisgeving van deze beslissingen.

Onderafdeling IV.
Voorwaarden en termijn voor de uitvoering van de bodemsaneringswerken


Art. 52.

In het conformiteitsattest bepaalt de OVAM de voorwaarden waaronder de bodemsaneringswerken moeten worden uitgevoerd. Deze voorwaarden beogen de bescherming van mens en milieu en de verwezenlijking van een goede plaatselijke aanleg. De OVAM kan bij het bepalen van de voorwaarden in het conformiteitsattest voor het bodemsaneringsproject in individuele gevallen en op gemotiveerd verzoek afwijken van de voorwaarden, opgelegd door of krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, op voorwaarde dat het bodemsaneringsproject:

in overeenstemming is met de goede plaatselijke aanleg;
voorziet in een gelijkwaardige bescherming van mens en milieu.

Art. 53. De OVAM kan de termijn bepalen waarbinnen de bodemsaneringswerken moeten worden aangevat.

Onderafdeling V.
Conformiteitsattest als meldingsakte of omgevingsvergunning


Art. 54.

Als de bodemsaneringswerken handelingen, inrichtingen of activiteiten omvatten die meldings- of vergunningsplichtig zijn krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid of krachtens titel IV, hoofdstuk II, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, geldt het conformiteitsattest als meldingsakte of omgevingsvergunning.


Onderafdeling VI.
Administratief beroep


Art. 55.

Behalve in de gevallen waarvoor de beroepsprocedure in artikelen 146 tot en met 152 geregeld is, kan elke belanghebbende tegen de beslissingen van de OVAM, vermeld in artikelen 50, § 1, 52 en 53, bij de Vlaamse Regering een beroep indienen overeenkomstig de bepalingen van artikelen 153 tot en met 155.


Afdeling II.
Beperkt bodemsaneringsproject


Onderafdeling I.
Toepassingsgebied


Art. 56.

Als bodemverontreiniging kan worden behandeld door bodemsaneringswerken die maximaal honderdtachtig dagen in beslag nemen en slechts een beperkte impact hebben op mens en milieu, kan in plaats van een bodemsaneringsproject een beperkt bodemsaneringsproject worden opgesteld, op voorwaarde dat de eigenaars en gebruikers van de gronden waarop bodemsaneringswerken zullen plaatsvinden die noodzakelijk zijn om het beperkt bodemsaneringsproject uit te voeren zich schriftelijk akkoord verklaren met de uitvoering van de bodemsaneringswerken. De beperkte impact kan nader omschreven worden in de standaardprocedure, vermeld in artikelen 57 en 47, § 2.


Onderafdeling II.
Doel, procedure en inhoud van het beperkt bodemsaneringsproject


Art. 57.

De bepalingen van artikelen 47 en 48 zijn van overeenkomstige toepassing.


Onderafdeling III.
Conformverklaring van het beperkt bodemsaneringsproject


Art. 58.

§ 1

Uiterlijk dertig dagen na ontvangst van het ontvankelijk en volledig beperkt bodemsaneringsproject [...] spreekt de OVAM zich uit over de conformiteit van het beperkt bodemsaneringsproject met de bepalingen van dit decreet. De OVAM legt aanvullingen op of wijzigingen aan het beperkt bodemsaneringsproject op, of levert een conformiteitsattest af.

 

§ 2

De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende de conformverklaring van het beperkt bodemsaneringsproject en het opleggen van wijzigingen en aanvullingen op het beperkt bodemsaneringsproject, en de kennisgeving van deze beslissingen.


Onderafdeling IV.
Voorwaarden en termijn voor de uitvoering van de bodemsaneringswerken


Art. 59.

De bepalingen van artikelen 52 en 53 zijn van overeenkomstige toepassing.
 


Onderafdeling V.
Conformiteitsattest als melding, omgevingsvergunning


Art. 60.

De bepalingen van artikel 54, zijn van overeenkomstige toepassing.


Onderafdeling VI.
Administratief beroep


Art. 61.

Behalve in de gevallen waarvoor de beroepsprocedure in artikel 146 tot en met 152 geregeld is, kan elke belanghebbende tegen de beslissingen van de OVAM, vermeld in artikel 58, § 1, en de beslissingen van de OVAM, genomen krachtens artikel 59, bij de Vlaamse Regering een beroep indienen overeenkomstig de bepalingen van artikel 153 tot en met 155.


Afdeling III.
Bodemsaneringswerken


Onderafdeling I.
Procedure


Art. 62. Bodemsaneringswerken worden uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de voorwaarden en de termijn vermeld in het conformiteitsattest en de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij gebrek aan dergelijke standaardprocedure worden de bodemsaneringswerken uitgevoerd volgens een code van goede praktijk.

Onderafdeling II.
Aanvulling of wijziging van het conformverklaarde bodemsaneringsproject of beperkt bodemsaneringsproject tijdens de bodemsaneringswerken


Art. 63.

§ 1

Tijdens de uitvoering van de bodemsaneringswerken kan de opdrachtgever van het bodemsaneringsproject, het beperkt bodemsaneringsproject of de bodemsaneringswerken overgaan tot de uitvoering van een kleine wijziging of aanvulling van het conformverklaard bodemsaneringsproject of het conformverklaard beperkt bodemsaneringsproject overeenkomstig de standaardprocedure, vermeld in artikel 62.

 

De bodemsaneringsdeskundige onder wiens leiding de bodemsaneringswerken worden uitgevoerd, meldt de kleine wijziging of aanvulling aan de OVAM die er akte van neemt. Dit gebeurt conform de standaardprocedure, vermeld in artikel 62.

 

De Vlaamse Regering bepaalt in welke gevallen en onder welke voorwaarden een kleine wijziging of aanvulling kan worden uitgevoerd.

 

§ 2

Tijdens de uitvoering van de bodemsaneringswerken kan de opdrachtgever van het bodemsaneringsproject, het beperkt bodemsaneringsproject of de bodemsaneringswerken bij de OVAM tevens een voorstel indienen tot grote wijziging of aanvulling van het conformverklaard bodemsaneringsproject of het conformverklaard beperkt bodemsaneringsproject. Een voorstel tot grote wijziging of aanvulling wordt bij beslissing door de OVAM goedgekeurd of desgevallend afgekeurd. De grote wijziging of aanvulling wordt uitgevoerd overeenkomstig de voorwaarden, vermeld in de goedkeuringsbeslissing, en overeenkomstig de standaardprocedure, vermeld in artikel 62.

 

De Vlaamse Regering bepaalt in welke gevallen en onder welke voorwaarden een voorstel van grote wijziging of aanvulling kan worden opgesteld en bij de OVAM kan worden ingediend. Tevens kan de Vlaamse Regering nadere regels vaststellen betreffende de procedure tot grote wijziging of aanvulling.

 

§ 3

Als tijdens de uitvoering van de bodemsaneringswerken in het kader van een conformverklaard beperkt bodemsaneringsproject blijkt dat de bodemverontreiniging niet binnen de termijn van honderdtachtig dagen, vermeld in artikel 56, kan behandeld worden, kan de opdrachtgever van de bodemsaneringswerken een eenmalige verlenging van het conformiteitsattest voor het beperkt bodemsaneringsproject voor een termijn van honderdtachtig dagen aanvragen. De gemotiveerde aanvraag tot verlenging moet, op straffe van onontvankelijkheid, uiterlijk dertig dagen voor het einde van de termijn van honderdtachtig dagen bij de OVAM worden ingediend. Uiterlijk dertig dagen na ontvangst van de aanvraag, spreekt de OVAM zich uit over de verlenging.


Art. 64.

§ 1

Als de OVAM tijdens de uitvoering van de bodemsaneringswerken op basis van eigen bevindingen of op basis van een verslag van de bodemsaneringsdeskundige onder wiens leiding de bodemsaneringswerken worden uitgevoerd, van oordeel is dat de maatregelen ter behandeling van de bodemverontreiniging, vermeld in het conformverklaard bodemsaneringsproject of het conformverklaard beperkt bodemsaneringsproject, niet of in onvoldoende mate leiden tot de resultaten vastgelegd in het conformiteitsattest, kan ze de verplichting opleggen om binnen een welbepaalde termijn een voorstel tot kleine of grote wijziging of aanvulling van het conformverklaard bodemsaneringsproject of conformverklaard beperkt bodemsaneringsproject op te stellen en bij de OVAM in te dienen.

 

§ 2

In voorkomend geval kan de OVAM de verplichting opleggen om binnen een welbepaalde termijn een nieuw bodemsaneringsproject of nieuw beperkt bodemsaneringsproject op te stellen en aan de OVAM te bezorgen.


Art. 65.

Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslissing van de OVAM, vermeld in artikelen 63 en 64, een beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeenkomstig de bepalingen van artikel 153 tot en met 155.


Onderafdeling III.
Kennisgeving van de bodemsaneringswerken en plaatsbeschrijving


Art. 66. De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende de kennisgeving van de uitvoering van de bodemsaneringswerken en de uitvoering van een plaatsbeschrijving voor de aanvang van de bodemsaneringswerken.

Afdeling IV.
Eindevaluatieonderzoek en eindverklaring


Art. 67.

§ 1

De bodemsaneringswerken worden beėindigd na het bereiken van de doelstellingen van de bodemsanering.

 

§ 2

Na de uitvoering van de bodemsaneringswerken wordt een eindevaluatieonderzoek uitgevoerd waarin de resultaten van de bodemsaneringswerken worden opgenomen en waarin zo nodig een voorstel van nazorg wordt geformuleerd.

 

§ 3

Een eindevaluatieonderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij gebrek aan dergelijke standaardprocedure wordt het eindevalutatieonderzoek uitgevoerd volgens een code van goede praktijk.


Art. 68.

Als de doelstellingen van de bodemsanering worden bereikt, levert de OVAM op basis van de resultaten van het eindevaluatieonderzoek een eindverklaring af. De OVAM bezorgt de eindverklaring aan de opdrachtgever van de bodemsaneringswerken en “de personen, vermeld in artikel 11 of 22, als die bekend zijn bij de OVAM.

 

Alle belanghebbenden kunnen tegen deze beslissing van de OVAM een beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeenkomstig de bepalingen van artikel 153 tot en met 155.

 


Hoofdstuk VI.
Andere maatregelen


Afdeling I.
Veiligheidsmaatregelen


Art. 69.

§ 1

Als de OVAM van oordeel is dat bodemverontreiniging een onmiddellijk gevaar vormt, legt ze veiligheidsmaatregelen op. Deze bevoegdheid doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van andere overheden om veiligheidsmaatregelen te treffen.

 

§ 2

Een bodemsaneringsdeskundige die in het kader van de uitvoering van een opdracht krachtens deze titel van oordeel is dat bodemverontreiniging een onmiddellijk gevaar vormt en veiligheidsmaatregelen noodzakelijk zijn, maakt hiervan op gemotiveerde wijze onverwijld melding aan de OVAM.

 

§ 3

Als de veiligheidsmaatregelen handelingen, inrichtingen of activiteiten omvatten die meldings- of vergunningsplichtig zijn krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid of krachtens titel IV, hoofdstuk II, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, geldt het conformiteitsattest als meldingsakte of omgevingsvergunning.

 

§ 4

Veiligheidsmaatregelen worden uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige.


Afdeling II.
Voorzorgsmaatregelen


Art. 70.

§ 1

De OVAM kan voorzorgsmaatregelen opleggen met het oog op het beschermen van de mens of het milieu tegen de risico's van bodemverontreiniging in afwachting van de uitvoering van bodemsaneringswerken.

 

§ 2

Een bodemsaneringsdeskundige die in het kader van de uitvoering van een opdracht krachtens deze titel van oordeel is dat voorzorgsmaatregelen noodzakelijk zijn, maakt hiervan op gemotiveerde wijze onverwijld melding aan de OVAM. De exploitanten, gebruikers of eigenaars van de verontreinigde gronden kunnen hierbij onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige voorzorgsmaatregelen voorstellen aan de OVAM.


Binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van het voorstel spreekt de OVAM zich uit over de voorgestelde voorzorgsmaatregelen en kan ze voorzorgsmaatregelen opleggen.

 

§ 3

Als de veiligheidsmaatregelen handelingen, inrichtingen of activiteiten omvatten die meldings- of vergunningsplichtig zijn krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid of krachtens titel IV, hoofdstuk II, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, geldt het conformiteitsattest als meldingsakte of omgevingsvergunning.

 

§ 4

Voorzorgsmaatregelen worden uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige.


Afdeling III.
Nazorg


Art. 71.

§ 1

De OVAM kan nazorg opleggen in het conformiteitsattest van het bodemsaneringsproject of van het beperkt bodemsaneringsproject, of in de eindverklaring.
Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslissing van de OVAM een beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeenkomstig de bepalingen van artikel 153 tot en met 155.

 

§ 2

De nazorg wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de voorwaarden, vermeld in het conformiteitsattest of de eindverklaring, en conform de standaardprocedure vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij gebrek aan dergelijke standaardprocedure, wordt de nazorg uitgevoerd volgens een code van goede praktijk.

 

§ 3

De persoon die tot nazorg moet overgaan, stelt op verzoek van de OVAM financiėle zekerheden tot waarborg van zijn verplichting om de nazorg uit te voeren. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop deze financiėle zekerheden worden gesteld.


Afdeling IV.
Gebruiksbeperkingen


Art. 72.

§ 1

Als de OVAM van oordeel is dat bodemverontreiniging het gebruik van verontreinigde gronden beperkt of verhindert, kan ze gebruiksbeperkingen opleggen.
Alle belanghebbenden kunnen tegen deze beslissing van de OVAM een beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeenkomstig de bepalingen van artikel 153 tot en met 155.

 

§ 2

Elke belanghebbende kan onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige op gemotiveerde wijze gebruiksbeperkingen voorstellen aan de OVAM.


Afdeling V.
Bestemmingsbeperkingen


Art. 73.

§ 1

Als de Vlaamse Regering van oordeel is dat bodemverontreiniging het gebruik van verontreinigde gronden overeenkomstig hun bestemming verhindert, kan ze op advies van de OVAM bestemmingsbeperkingen opleggen, nadat de eigenaar en gebruiker van de verontreinigde gronden of desgevallend de gemandateerde gehoord zijn.

 

§ 2

Elke belanghebbende kan onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige op gemotiveerde wijze bestemmingsbeperkingen voorstellen aan de Vlaamse Regering.


Afdeling VI.
Behandeling van bodemverontreiniging bij schadegevallen


Onderafdeling I.
Toepassingsgebied


Art. 74. De bepalingen van deze afdeling zijn enkel van toepassing op schadegevallen die gemeld worden bij de bevoegde overheid binnen een termijn van dertig dagen nadat ze zich hebben voorgedaan en waarbij de effectieve behandeling van de bodemverontreiniging maximaal honderdtachtig dagen duurt.

Onderafdeling II.
Bevoegde overheid


Art. 75.

§ 1

De bevoegde overheid in het kader van deze afdeling is de OVAM als het schadegeval gebeurt op :

een grond in eigendom of beheer van een gemeente, autonoom gemeentebedrijf of intergemeentelijk samenwerkingsverband; 
een grond waarop een inrichting of activiteit is gevestigd die krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid ingedeeld wordt in de eerste klasse;
een grond waarop een beschrijvend bodemonderzoek of bodemsanering wordt uitgevoerd. 

 

§ 2

In alle andere gevallen is de bevoegde overheid de burgemeester van de gemeente waar het schadegeval gebeurt.


Onderafdeling III.
Procedure


Art. 76.

§ 1

Als op een grond een schadegeval gebeurt, meldt de exploitant, gebruiker of eigenaar van de grond dit onverwijld aan de bevoegde overheid. In deze melding geeft de exploitant, gebruiker of eigenaar aan welke maatregelen hij eventueel reeds genomen heeft ter uitvoering van zijn zorgvuldigheidsplicht.

 

§ 2

De bevoegde overheid kan een schadegeval vaststellen, een uitspraak doen over de aanpak van een schadegeval en maatregelen tot behandeling van bodemverontreiniging bij schadegevallen opleggen. De bevoegde overheid deelt haar beslissing binnen dertig dagen na ontvangst van de melding mee aan de personen, vermeld in artikel 80, voor zover deze door haar gekend zijn.


Als een schadegeval overeenkomstig het eerste lid wordt vastgesteld, zijn de bepalingen van artikel 9, § 2 en § 4, niet van toepassing.

 

De maatregelen tot behandeling van de bodemverontreiniging worden uiterlijk binnen honderdtachtig dagen na de kennisgeving van de beslissing, vermeld in het eerste lid, uitgevoerd.


Art. 77.

Als de maatregelen, vermeld in artikel 76, § 2, handelingen, inrichtingen of activiteiten omvatten die meldings- of vergunningsplichtig zijn krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid of krachtens titel IV, hoofdstuk II, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, geldt de beslissing van de bevoegde overheid, vermeld in artikel 76, § 2, als meldingsakte of omgevingsvergunning.


Art. 78.

Na de uitvoering van de maatregelen, vermeld in artikel 76, § 2, wordt onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige een evaluatierapport opgesteld waarin de resultaten van deze maatregelen worden opgenomen. Het evaluatierapport wordt aan de bevoegde overheid en de OVAM overgemaakt.
 


Art. 79.

§ 1

Als de OVAM op basis van de resultaten opgenomen in het evaluatierapport van oordeel is dat er na de uitvoering van de maatregelen, vermeld in artikel 76, § 2, nog altijd bodemverontreiniging aanwezig is en dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat de bodemverontreiniging de bodemsaneringsnormen overschrijdt of dreigt te overschrijden, kan de OVAM de persoon, vermeld in artikel 11, aanmanen om een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren.

 

§ 2

Als de OVAM op basis van de resultaten opgenomen in het evaluatierapport van oordeel is dat er geen duidelijke aanwijzingen zijn dat de bodemverontreiniging de bodemsaneringsnormen overschrijdt of dreigt te overschrijden, levert de OVAM aan de personen, vermeld in artikel 80, en aan de bevoegde overheid een verklaring af waarin de resultaten van de uitgevoerde maatregelen vastgesteld worden.


Onderafdeling IV.
Aanduiding van de plichtige


Art. 80.

De verplichting om onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige de maatregelen tot behandeling van bodemverontreiniging bij schadegevallen onverwijld uit te voeren, rust op de volgende persoon :

de exploitant, vermeld in titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, als op de grond waar de bodemverontreiniging tot stand is gekomen een inrichting of activiteit gevestigd is die vergunnings- of meldingsplichtig is krachtens titel V;
bij gebrek aan een exploitant : de gebruiker van de grond waar de bodemverontreiniging tot stand kwam; 
bij gebrek aan een exploitant en gebruiker : de eigenaar van de grond waar de bodemverontreiniging tot stand kwam. 

Art. 81.

Als de plichtige, vermeld in artikel 80, niet of in onvoldoende mate optreedt, maant de bevoegde overheid die persoon aan om zijn verplichtingen alsnog na te leven binnen een bepaalde termijn. Wordt binnen de gestelde termijn aan de aanmaning geen of in onvoldoende mate gevolg gegeven, kan de bevoegde overheid ambtshalve in zijn plaats de maatregelen, vermeld in artikel 76, § 2, uitvoeren en de kosten ervan verhalen op de ingebrekeblijvende plichtige en de persoon die overeenkomstig artikel 16 aansprakelijk is.


Art. 82.

Wie overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling kosten maakt, kan deze verhalen op de persoon die overeenkomstig artikel 16 aansprakelijk is en kan van die persoon een voorschot vorderen of eisen dat hij een financiėle zekerheid stelt.


Afdeling VII.
Risicobeheer


Onderafdeling I.
Toepassingsgebied


Art. 83. [...]

Onderafdeling II.
Risicobeheersplan


Art. 84. [...]

Art. 85. [...]

Art. 86. [...]

Onderafdeling III.
Risicobeheersmaatregelen


Art. 87. [...]

Art. 88. [...]

Onderafdeling IV.
Verhouding risicobeheer en saneringsplicht


Art. 89. [...]

Onderafdeling V.
Financiėle zekerheden


Art. 90. [...]

Afdeling VIII.
Bodempreventie- en bodembeheersplicht


Art. 91. [...]

Hoofdstuk VII.
Vrijwillige uitvoering van beschrijvend bodemonderzoek, bodemsanering of andere maatregelen


Afdeling I.
Algemeen


Art. 92.

Zolang er krachtens deze titel voor een grond met historische bodemverontreiniging geen verplichting tot beschrijvend bodemonderzoek of bodemsanering bestaat, kan elk persoon als saneringswillige een beschrijvend bodemonderzoek of bodemsanering [...] uitvoeren.

 

Een ander persoon dan de plichtige, vermeld in artikel 11 of 22, kan als saneringswillige de verplichting tot beschrijvend bodemonderzoek of bodemsanering, opgelegd krachtens deze titel, [...] uitvoeren.

 

De bepalingen van artikel 16 tot en met 18, artikel 25, en artikel 38 tot 68 zijn van overeenkomstige toepassing op de vrijwillige uitvoering van het beschrijvend bodemonderzoek en de bodemsanering, vermeld in het eerste en tweede lid, met behoud van de bevoegdheid van de OVAM om op een later tijdstip de andere bepalingen van deze titel toe te passen.

 

De OVAM kan als saneringswillige overgaan tot uitvoering van een beschrijvend bodemonderzoek en bodemsanering als vermeld in het eerste en tweede lid. De OVAM kan eveneens als saneringswillige overgaan tot uitvoering van een waterbodemonderzoek of de sanering van een waterbodem. In verband met de (pre) fi nanciering van de vrijwillige sanering door de OVAM kan de Vlaamse Regering een regeling treffen of een overeenkomst sluiten. 

 


Art. 93.

Een ander persoon dan de plichtige, vermeld in artikel 80, kan als saneringswillige de verplichting tot behandeling van bodemverontreiniging bij schadegevallen [...] uitvoeren. De bepalingen van artikel 74 tot en met 82 zijn van overeenkomstige toepassing.


Art. 94. [...]

Afdeling II.
Bodemsaneringsorganisaties


Onderafdeling I.
Doelstelling en erkenning van bodemsaneringsorganisaties


Art. 95.

§ 1

Een bodemsaneringsorganisatie is een rechtspersoon die als maatschappelijk doel heeft het voorkomen en beheersen van bodemverontreiniging, alsook het begeleiden en stimuleren van de sanering van bodemverontreiniging die tot stand is gekomen naar aanleiding van de uitoefening van een activiteit als bepaald door de Vlaamse Regering.

 

§ 2

Een bodemsaneringsorganisatie kan door de Vlaamse Regering worden erkend op voorwaarde dat ze mede is opgericht door een organisatie die representatief is of verschillende organisaties die samen
representatief zijn voor alle natuurlijke personen of rechtspersonen die de activiteit uitoefenen waarvoor de bodemsaneringsorganisatie is opgericht.
De Vlaamse Regering bepaalt de procedure tot erkenning als bodemsaneringsorganisatie. Ze bepaalt tevens de voorwaarden voor het gebruik van de erkenning en kan bijkomende erkenningsvoorwaarden bepalen.


Onderafdeling II.
Verplichte taken van erkende bodemsaneringsorganisaties


Art. 96.

Een erkende bodemsaneringsorganisatie heeft minstens de volgende taken met betrekking tot de activiteit waarvoor ze is opgericht :

het opmaken van een algemeen bodempreventieplan;
het stimuleren en optimaliseren van onderzoeks-en saneringsconcepten;
het verlenen van advies inzake preventie, beheersing, bodemonderzoek en bodemsanering van de bodemverontreiniging, alsook inzake de voorbereiding en opvolging van voorzorgsmaatregelen, aan de personen die met de bodemsaneringsorganisatie een overeenkomst hebben gesloten als vermeld in artikel 97, § 1.

 


Onderafdeling III.
Facultatieve taken van erkende bodemsaneringsorganisaties


Art. 97.

§ 1

De persoon, vermeld in artikel 11 of 22, die saneringsplichtig is voor bodemverontreiniging die het gevolg is van een activiteit waarvoor een erkende bodemsaneringsorganisatie is opgericht, kan minstens voor de historische bodemverontreiniging die veroorzaakt is door die activiteit, de verplichting tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek of bodemsanering aan die erkende bodemsaneringsorganisatie overdragen, op voorwaarde dat hij hiervoor met die erkende bodemsaneringsorganisatie een overeenkomst sluit, volgens de voorwaarden die de Vlaamse Regering vaststelt. Door die overeenkomst komt de plicht tot beschrijvend bodemonderzoek of bodemsanering voor de bodemverontreiniging zoals vervat in de overeenkomst te liggen bij de erkende bodemsaneringsorganisatie. In geval van beėindiging van de overeenkomst keert de plicht tot beschrijvend bodemonderzoek of bodemsanering terug.

 

Een persoon die overeenkomstig de bepalingen van artikel 92 als saneringswillige wenst over te gaan tot beschrijvend bodemonderzoek of bodemsanering, kan dit engagement tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek of bodemsanering aan de erkende bodemsaneringsorganisatie overdragen, op voorwaarde dat hij hiervoor een overeenkomst sluit met die erkende bodemsaneringsorganisatie, volgens de voorwaarden die de Vlaamse Regering vaststelt.

 

De Vlaamse Regering kan een termijn bepalen waarin de overeenkomsten, vermeld in het eerste en het tweede lid, moeten worden gesloten.

 

§ 2

De erkende bodemsaneringsorganisatie voert de beschrijvende bodemonderzoeken en de bodemsaneringen waarvoor ze conform § 1 een overeenkomst heeft gesloten uit overeenkomstig de termijnen die opgenomen zijn in het saneringsprogramma dat jaarlijks aan de OVAM ter goedkeuring moet worden voorgelegd. Dat saneringsprogramma omvat minstens de lijst en de prioriteit van alle beschrijvende bodemonderzoeken en bodemsaneringen waartoe de erkende bodemsaneringsorganisatie zich verbonden heeft overeenkomstig § 1. De Vlaamse Regering kan de nadere regels vaststellen met betrekking tot de verplichte inhoud en de goedkeuringsprocedure van het saneringsprogramma.

 

§ 3

Voor de bodemonderzoeken en bodemsaneringen die worden uitgevoerd in het kader van § 2, kan de Vlaamse Regering afwijkingen toestaan op de toepassing van artikel 38 tot en met 68 en van artikel 71.


Onderafdeling IV.
Subsidies


Art. 98.

De Vlaamse Regering kan subsidies toekennen aan een erkende bodemsaneringsorganisatie voor de gedeeltelijke financiering van de taken en de werkingskosten noodzakelijk om die taken uit te voeren inzake historische bodemverontreiniging die is veroorzaakt door de activiteit waarvoor een erkende bodemsaneringsorganisatie is opgericht. De subsidies kunnen ook worden toegekend voor door derden gemaakte en door de erkende bodemsaneringsorganisatie aanvaarde kosten voor beschrijvende bodemonderzoeken of bodemsaneringen voor dergelijke historische bodemverontreiniging, volgens de voorwaarden die de Vlaamse Regering vaststelt.


Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de gemengde bodemverontreiniging die is veroorzaakt door de activiteit waarvoor een erkende bodemsaneringsorganisatie is opgericht, en waarop de bepalingen voor historische bodemverontreiniging van toepassing zijn conform artikel 27, § 2.


De Vlaamse Regering stelt de nadere regels voor de subsidies vast.


Onderafdeling V.
Toezicht en sancties


Art. 99. De Vlaamse Regering en de OVAM houden toezicht op de vervulling van de taken die krachtens deze afdeling rusten op een erkende bodemsaneringsorganisatie. De Vlaamse Regering kan de nadere regels hiervoor bepalen.

Art. 100. Als een erkende bodemsaneringsorganisatie de verplichtingen in deze afdeling niet of onvoldoende naleeft, kan de Vlaamse Regering de erkenning van de bodemsaneringsorganisatie schorsen of opheffen. De Vlaamse Regering bepaalt hiervan de nadere voorwaarden.

Hoofdstuk VIII.
Overdrachten


Afdeling I.
Overeenkomst betreffende de overdracht van gronden


Art. 101.

§ 1

Voor het sluiten van een overeenkomst betreffende de overdracht van gronden moet de overdrager of desgevallend de gemandateerde bij de OVAM een bodemattest aanvragen en de inhoud ervan meedelen aan de verwerver.


[...]

 

§ 2

De onderhandse akte waarin de overdracht van gronden wordt vastgelegd, bevat de inhoud van het bodemattest.

 

§ 3

In alle akten betreffende de overdracht van gronden, neemt de instrumenterende ambtenaar de verklaring van de overdrager of desgevallend de gemandateerde op dat de verwerver voor het sluiten van de overeenkomst op de hoogte is gebracht van de inhoud van het bodemattest. De instrumenterende ambtenaar neemt tevens de inhoud van het bodemattest in de akte op.


Afdeling II.
Overdracht van risicogronden


Onderafdeling I.
Algemene bepalingen


A. Verplichting om een oriėnterend bodemonderzoek uit te voeren.

Art. 102.

§ 1

Risicogronden kunnen slechts overgedragen worden als er vooraf een orienterend bodemonderzoek werd uitgevoerd en het verslag ervan aan de OVAM werd bezorgd.


In afwijking van het eerste lid geldt de regeling, vermeld in artikel 30, voor de uitvoering van een oriėnterend bodemonderzoek in het kader van de overdracht van een privatief deel van een onroerend goed dat valt onder het stelsel van gedwongen mede-eigendom zoals bedoeld in artikel 577-3 van het Burgerlijk Wetboek of dat valt onder toepassing van artikel 577-2 van het Burgerlijk Wetboek.

 

De eigenaar van de risicogrond die een vrijstelling van de bodemonderzoeksplicht, vermeld in artikel 31, § 1, heeft verkregen, is van rechtswege vrijgesteld van de onderzoeksplicht, vermeld in het eerste lid en artikel 29, als sedert de vrijstellingsbeslissing op de risicogrond geen risico-inrichtingen zijn geėxploiteerd.

 

§ 2

Het oriėnterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd op initiatief en op kosten van de persoon, vermeld in artikel 29 of 30.


B. Melding van overdracht.

Art. 103. [...]

Onderafdeling II.
Nieuwe bodemverontreiniging


A. Saneringsplicht.

Art. 104.

§ 1

Als de OVAM op basis van het oriėnterend bodemonderzoek, vermeld in artikel 102, of het grondeninformatieregister van oordeel is dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat een risicogrond is aangetast door een nieuwe bodemverontreiniging die de bodemsaneringsnormen overschrijdt of dreigt te overschrijden, kan de overdracht niet plaatsvinden voor de overdrager of, in voorkomend geval, de gemandateerde voor die bodemverontreiniging een beschrijvend bodemonderzoek heeft uitgevoerd en het verslag ervan aan de OVAM heeft bezorgd.

 

§ 2

Als de OVAM op basis van het verslag van beschrijvend bodemonderzoek, het verslag van orienterend en beschrijvend bodemonderzoek of het grondeninformatieregister van oordeel is dat de bodemsaneringsnormen overschreden zijn, kan de overdracht niet plaatsvinden vooraleer de overdrager of desgevallend de gemandateerde :
1° een bodemsaneringsproject of een beperkt bodemsaneringsproject heeft opgesteld en hiervoor een conformiteitsattest werd afgeleverd;
2° jegens de OVAM de verbintenis heeft aangegaan de verdere bodemsanering en de eventuele nazorg uit te voeren;
3° financiėle zekerheden heeft gesteld tot waarborg van de uitvoering van de verbintenis, vermeld in 2°. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop deze financiėle zekerheden worden gesteld.

 

De verplichting om de verdere bodemsanering en de eventuele nazorg uit te voeren moet voldaan worden overeenkomstig de voorwaarden van de eenzijdige verbintenis, vermeld in het eerste lid, 2°. 

 

§ 3

Als de bodemverontreiniging omwille van haar bijzondere aard niet aan bodemsaneringsnormen kan worden getoetst, zijn de bepalingen van dit artikel van overeenkomstige toepassing als er een ernstige bodemverontreiniging aanwezig is.


B. Vrijstelling van de saneringsplicht.

Art. 105.

§ 1

De overdrager of, in voorkomend geval, de gemandateerde is niet verplicht om het beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren of de vereisten, vermeld in artikel 104, § 2, na te leven, als de OVAM op basis van het dossier van de grond of op basis van het gemotiveerd standpunt van de overdrager of, in voorkomend geval, de gemandateerde van oordeel is dat aan een van de volgende elementen voldaan is:

de bodemverontreiniging is niet op de over te dragen grond tot stand gekomen;
de overdrager voldoet cumulatief aan de voorwaarden, vermeld in artikel 12, § 1, eerste lid, als het gaat om een overdrager die de hoedanigheid heeft van gebruiker. Als de gebruiker voor een deel van de verontreiniging cumulatief aan die voorwaarden voldoet, is hij in het kader van de overdracht vrijgesteld van de saneringsplicht voor dat deel van de bodemverontreiniging;
de overdrager voldoet cumulatief aan de voorwaarden, vermeld in artikel 12, § 2, eerste lid, als het gaat om een overdrager die de hoedanigheid heeft van eigenaar. Als de eigenaar voor een deel van de verontreiniging cumulatief aan die voorwaarden voldoet, is hij in het kader van de overdracht vrijgesteld van de saneringsplicht voor dat deel van de bodemverontreiniging. De eigenaar is ook vrijgesteld van de saneringsplicht voor de bodemverontreiniging of het deel van de bodemverontreiniging waarvoor de exploitant of de gebruiker die op de over te dragen grond aanwezig is, niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 12, § 1.

 

§ 2

In afwijking van de bepalingen van § 1 is de overdrager alsnog verplicht het beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren of de verplichtingen, vermeld in artikel 104, § 2, na te leven als de OVAM een van de volgende elementen aantoont :
1° een rechtsvoorganger van de overdrager heeft de bodemverontreiniging veroorzaakt;
2° de bodemverontreiniging is tot stand gekomen tijdens de periode dat een rechtsvoorganger van de overdrager de grond in exploitatie, in gebruik of in eigendom had.

 

§ 3.

Op straffe van niet-ontvankelijkheid wordt de gemotiveerde aanvraag tot vrijstelling van de saneringsplicht voor de elementen, vermeld in paragraaf 1, 2° en 3°, bij de OVAM ingediend voor de overdracht van de grond met toepassing van artikel 104 heeft plaatsgevonden.


Art. 106.

De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende de behandeling van de aanvraag tot vrijstelling van de verplichting om het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering uit te voeren. De Vlaamse Regering kan nadere regelen vaststellen betreffende de stukken die, op straffe van onontvankelijkheid van de aanvraag, bij het gemotiveerd standpunt, vermeld in artikel 105, § 1, moeten worden gevoegd.


Art. 107.

De Vlaamse Regering kan nadere regelen vaststellen betreffende de overdraagbaarheid en het verval van de vrijstelling van de verplichtingen, vermeld in artikel 104.


C. Administratief beroep.

Art. 108.

Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslissingen van de OVAM, vermeld in artikel 104 en 105, een beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeenkomstig de bepalingen van artikel 153 tot en met 155.


Onderafdeling III.
Historische bodemverontreiniging


A. Saneringsplicht.

Art. 109.

§ 1

Als de OVAM op basis van het oriėnterend bodemonderzoek, vermeld in artikel 102, of het grondeninformatieregister van oordeel is dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat een risicogrond is aangetast door een ernstige historische bodemverontreiniging, kan de overdracht niet plaatsvinden voor de overdrager of, in voorkomend geval, de gemandateerde voor die bodemverontreiniging een beschrijvend bodemonderzoek heeft uitgevoerd en het verslag ervan aan de OVAM heeft bezorgd.

 

§ 2

Als de OVAM op basis van het verslag van beschrijvend bodemonderzoek, het verslag van oriėnterend en beschrijvend bodemonderzoek of het grondeninformatieregister van oordeel is dat de grond is aangetast door een ernstige historische bodemverontreiniging, kan de overdracht niet plaatsvinden vooraleer de overdrager of in voorkomend geval de gemandateerde :
1° een bodemsaneringsproject of een beperkt bodemsaneringsproject heeft opgesteld en hiervoor een conformiteitsattest werd afgeleverd;
2° jegens OVAM de verbintenis heeft aangegaan de verdere bodemsanering en de eventuele nazorg uit te voeren;
3° financiėle zekerheden heeft gesteld tot waarborg van de uitvoering van de verbintenis, vermeld in 2°. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop deze financiėle zekerheden worden gesteld.

 

De verplichting om de verdere bodemsanering en de eventuele nazorg uit te voeren moet voldaan worden overeenkomstig de voorwaarden van de eenzijdige verbintenis, vermeld in het eerste lid, 2°. 


B. Vrijstelling van de saneringsplicht.

Art. 110.

§ 1

De overdrager of, in voorkomend geval, de gemandateerde is niet verplicht om het beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren of de vereisten, vermeld in artikel 109, § 2, na te leven, als de OVAM op basis van het dossier van de grond of op basis van het gemotiveerd standpunt van de overdrager of, in voorkomend geval, de gemandateerde van oordeel is dat aan een van de volgende elementen voldaan is:

de bodemverontreiniging is niet tot stand gekomen op de over te dragen grond;
de overdrager voldoet cumulatief aan de voorwaarden, vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, als het gaat om een overdrager die de hoedanigheid heeft van gebruiker. Als de gebruiker voor een deel van de verontreiniging cumulatief voldoet aan die voorwaarden, is hij in het kader van de overdracht vrijgesteld van de saneringsplicht voor dat deel van de bodemverontreiniging;

de overdrager voldoet cumulatief aan de voorwaarden, vermeld in artikel 23, § 2, eerste lid, of cumulatief aan de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, als het gaat om een overdrager die de hoedanigheid heeft van eigenaar.


Als de betrokkene voor een deel van de verontreiniging cumulatief voldoet aan die voorwaarden, is hij in het kader van de overdracht vrijgesteld van de saneringsplicht voor dat deel van de bodemverontreiniging. De eigenaar is ook vrijgesteld van de saneringsplicht voor de bodemverontreiniging of het deel van de bodemverontreiniging waarvoor de exploitant of de gebruiker die op de over te dragen grond aanwezig is, niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 23, § 1.

 

§ 2

In afwijking van de bepalingen van § 1 is de overdrager alsnog verplicht het beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren of de vereisten, vermeld in artikel 109, § 2, na te leven, als de OVAM een van de volgende elementen aantoont :
1° een rechtsvoorganger van de overdrager heeft de bodemverontreiniging veroorzaakt;
2° de bodemverontreiniging is tot stand gekomen tijdens de periode dat een rechtsvoorganger van de overdrager de grond in exploitatie, in gebruik of in eigendom had.

 

§ 3.

Op straffe van niet-ontvankelijkheid wordt de gemotiveerde aanvraag tot vrijstelling van de saneringsplicht voor de elementen, vermeld in paragraaf 1, 2° en 3°, bij de OVAM ingediend voor de overdracht van de grond met toepassing van artikel 109 heeft plaatsgevonden.


Art. 111.

De bepalingen van artikelen 106 en 107 zijn van overeenkomstige toepassing.


C Administratief beroep.

Art. 112.

Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslissingen van de OVAM, vermeld in artikel 109 en 110, een beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeenkomstig de bepalingen van artikel 153 tot en met 155.


Onderafdeling IV.
Gemengde bodemverontreiniging

[...]


Art. 113. [...]

Onderafdeling V.
Overname uitvoering van verplichtingen


Art. 114. De Vlaamse Regering kan nadere regelen vaststellen betreffende de overname van de uitvoering van de verplichtingen om tot overdracht van risicogronden te kunnen overgaan.

Onderafdeling VI.
Versnelde overdrachtsprocedure


Art. 115.

§ 1

In afwijking van de bepalingen van artikelen 104, § 2, en 109, § 2, kan de overdracht toch plaatsvinden op voorwaarde dat de versnelde overdrachtsprocedure, vermeld in § 2 tot en met § 5, wordt nageleefd.

 

§ 2

De overdrager of de gemandateerde of de verwerver of de persoon die beschikt over een rechtsgeldige titel om de overdracht te doen uitvoeren, meldt aan de OVAM zijn bedoeling om de versnelde overdrachtsprocedure toe te passen.


Zij voegen bij deze melding de volgende documenten :

het verslag van oriėnterend en beschrijvend bodemonderzoek of het verslag van beschrijvend bodemonderzoek, voor zover de OVAM daarvan nog niet in het bezit is;
een kostenraming van de bodemsanering en de eventuele nazorg, opgemaakt door een bodemsaneringsdeskundige;
[...]

 

 

§ 3

Binnen een termijn van zestig dagen na de ontvangst van alle documenten, vermeld in § 2, spreekt de OVAM zich uit over [...] het verzoek tot toepassing van de versnelde overdrachtsprocedure.
Als de OVAM zich niet binnen de termijn van zestig dagen heeft uitgesproken, kan de overdracht plaatsvinden, met behoud van de mogelijkheid om de andere bepalingen van dit decreet later toe te passen.

 

§ 4

Als uit het verslag van beschrijvend bodemonderzoek, uit het verslag van oriėnterend en beschrijvend bodemonderzoek of uit het grondeninformatieregister blijkt dat de grond is aangetast door een nieuwe bodemverontreinging die de bodemsaneringsnormen overschrijdt, door een ernstige historische bodemverontreiniging of door een gemengde bodemverontreiniging die de bodemsaneringsnormen overschrijdt dan wel een ernstige bodemverontreiniging vormt naargelang de toepasselijke regeling krachtens de bepalingen van artikel 27, kan de overdracht niet plaatsvinden vooraleer de verwerver :
1° jegens de OVAM de verbintenis heeft aangegaan om een bodemsaneringsproject op te stellen en de verdere bodemsanering en de eventuele nazorg uit te voeren;
2° financiėle zekerheden heeft gesteld tot waarborg van de uitvoering van zijn verplichtingen overeenkomstig 1°. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop deze financiėle zekerheden worden gesteld.

 

De verplichting om de bodemsanering en de eventuele nazorg uit te voeren, moet voldaan worden overeenkomstig de voorwaarden van de eenzijdige verbintenis, vermeld in het eerste lid, 1°. 

 

§ 5

Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslissingen van de OVAM, vermeld in § 3 en § 4, beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeenkomstig de bepalingen van artikel 153 tot en met 155.

 

§ 6.

Artikel 105, § 3, en artikel 110, § 3, zijn van overeenkomstige toepassing op de vrijstelling van de saneringsplicht in de procedure van versnelde overdracht.


Afdeling III.
Nietigheid en niet-tegenstelbaarheid


Art. 116.

§ 1

De verwerver kan de nietigheid vorderen van de overdracht die plaatsvond in strijd met de bepalingen van afdeling I.
De nietigheid kan niet meer worden ingeroepen als cumulatief voldaan is aan de volgende voorwaarden :
1° de verwerver is in het bezit gesteld van het meest recent afgeleverde bodemattest of van een bodemattest waarvan de inhoud identiek is aan de inhoud van het meest recent afgeleverde bodemattest;
2° de verwerver laat zijn verzaking aan de nietigheidsvordering uitdrukkelijk in een authentieke akte vaststellen.

 

§ 2

De verwerver kan de nietigheid vorderen van de overdracht die plaatsvond in strijd met de bepalingen van afdeling II.
  De nietigheid kan niet meer worden ingeroepen als cumulatief voldaan is aan de volgende voorwaarden :
  1° de bepalingen van afdeling II van dit hoofdstuk werden alsnog nageleefd;
  2° de verwerver laat zijn verzaken aan de nietigheidsvordering uitdrukkelijk in een authentieke akte opnemen.

 

§ 3

De overdracht van een risicogrond is niet tegenstelbaar aan de OVAM als die heeft plaatsgevonden in strijd met de overdrachtsbepalingen voor risicogronden. De OVAM kan de overdrager die de risicogrond onwettig heeft overgedragen, de volgende verplichtingen opleggen:

de uitvoering van een oriėnterend bodemonderzoek op de overgedragen risicogrond;
de uitvoering van een beschrijvend bodemonderzoek, bodemsanering of eventuele nazorg voor de bodemverontreiniging die tot stand gekomen is op de overgedragen risicogrond en naar alle redelijkheid aanwezig was op die grond op het ogenblik van de onwettige overdracht.

Art. 117. In de akte houdende overdracht van de gronden vermeldt de instrumenterende ambtenaar dat de bepalingen van afdeling II werden toegepast.

Afdeling IV.
Afstand van eigendomsrecht


Art. 118.

Afstand van het eigendomsrecht of van de andere zakelijke rechten, vermeld in artikel 2, 18°, ontslaat de houder van het zakelijk recht niet van de verplichting om het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering uit te voeren die op hem rusten krachtens de bepalingen van dit decreet.
 


Hoofdstuk IX.
Onteigening van gronden


Afdeling I.
Bepalingen van toepassing op alle onteigeningen


Art. 119.

De overheid die van plan is over te gaan tot onteigening vraagt bij de OVAM een bodemattest aan betreffende de gronden die ze wil onteigenen.


De onteigening van een grond waarop blijkens het Grondeninformatieregister bodemverontreiniging tot stand gekomen is waarvoor het saneringscriterium, vermeld in artikel 9 of 19, overschreden is, heeft van rechtswege de volgende gevolgen:

een eventuele bestaande saneringsplicht voor die bodemverontreiniging vervalt op het ogenblik van de onteigening;
de onteigenende overheid wordt saneringsplichtig voor die bodemverontreiniging op het ogenblik van de onteigening. Dit is niet het geval als de personen, vermeld in artikel 11 en 21, vóór de onteigening vrijstelling van saneringsplicht hebben bekomen voor die bodemverontreiniging.

 

Voor de bodemverontreiniging, vermeld in het tweede lid, die op het ogenblik van de onteigening niet in het Grondeninformatieregister opgenomen is, ontstaat de saneringsplicht of wordt de saneringsplicht gevestigd na de onteigening overeenkomstig artikel 9 en 11 of artikel 19 en 22.

 

[...]


Art. 119bis. De overheid die van plan is tot onteigening van een grond of gronden over te gaan, kan op de te onteigenen grond of gronden op eigen kosten een bodemonderzoek uitvoeren.

Afdeling II.
Bepalingen van toepassing op de onteigening van risicogronden


Art. 120. [...]

Art. 121. [...]

Hoofdstuk X.
Sluiting van een risico-inrichting


Art. 122.

§ 1

Binnen een termijn van negentig dagen na de sluiting van een risico-inrichting wordt een oriėnterend bodemonderzoek uitgevoerd op de grond waar de inrichting gevestigd is of was.

 

§ 2

Het oriėnterend bodemonderzoek wordt op initiatief en op kosten van de exploitant uitgevoerd.

 

§ 3

De exploitant meldt aan de OVAM de sluiting van de risico-inrichtingbinnen de termijn, vermeld in § 1. Op straffe van niet-ontvankelijkheid wordt uiterlijk op de datum van de melding aan de OVAM een verslag van het oriėnterende bodemonderzoek of, in voorkomend geval, een verslag van het oriėnterende en het beschrijvende bodemonderzoek bezorgd. De melding moet, op straffe van niet-ontvankelijkheid, gedaan worden met een volledig ingevuld, gedagtekend en ondertekend meldingsformulier voor sluiting.


De Vlaamse Regering kan nadere regelen vaststellen betreffende de modaliteiten van deze melding.

 

§ 4

Als de OVAM op basis van het oriėnterend bodemonderzoek van oordeel is dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat de risicogrond is aangetast door een nieuwe bodemverontreiniging die de bodemsaneringsnormen overschrijdt of dreigt te overschrijden, of door een ernstige nieuwe of historische bodemverontreiniging, maant ze binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van de ontvankelijke melding van sluiting de exploitant, vermeld in § 2, aan om een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren.

 

Als de OVAM op basis van het verslag van beschrijvend bodemonderzoek of het verslag van oriėnterend en beschrijvend bodemonderzoek van oordeel is dat de nieuwe bodemverontreiniging de bodemsaneringsnormen overschrijdt of dat er sprake is van een ernstige nieuwe of historische bodemverontreiniging, maant ze de exploitant, vermeld in § 2, binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van het verslag van beschrijvend bodemonderzoek of het verslag van oriėnterend en beschrijvend bodemonderzoek aan om over te gaan tot bodemsanering en uitvoering van de eventuele nazorg.

 

Op verzoek van de OVAM stelt de exploitant financiėle zekerheden tot waarborg van de uitvoering van zijn verplichtingen, vermeld in het eerste en tweede lid. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop die financiėle zekerheden worden gesteld.

 

De OVAM kan de termijn bepalen waarin het beschrijvend bodemonderzoek wordt uitgevoerd en het bodemsaneringsproject wordt opgesteld, en het verslag van het beschrijvend bodemonderzoek en het bodemsaneringsproject aan haar wordt bezorgd.

 

§ 5.

De exploitant, vermeld in § 2, is niet verplicht om op de aanmaning tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek of bodemsanering en de eventuele nazorg in te gaan, als de OVAM op basis van het dossier van de grond of het gemotiveerd standpunt van de exploitant van oordeel is dat hij cumulatief voldoet aan de volgende voorwaarden :

hij heeft de bodemverontreiniging niet zelf veroorzaakt;

de bodemverontreiniging is tot stand gekomen voor het tijdstip waarop hij de grond in exploitatie heeft genomen.

Als de OVAM op basis van het dossier of het standpunt van oordeel is dat de exploitant voor een deel van de bodemverontreiniging cumulatief aan die voorwaarden voldoet, wordt de exploitant voor dat deel van de bodemverontreiniging vrijgesteld van de saneringsplicht.

 

In afwijking van het eerste lid is de exploitant, vermeld in § 2, alsnog verplicht in te gaan op de aanmaning tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek of bodemsanering en de eventuele nazorg, als de OVAM aantoont dat een rechtsvoorganger de bodemverontreiniging heeft veroorzaakt of dat de bodemverontreiniging tot stand gekomen is tijdens de periode dat een rechtsvoorganger de grond in exploitatie had.

 

De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende de behandeling van de aanvraag van de vrijstelling van de verplichting om het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering en de eventuele nazorg uit te voeren. De Vlaamse Regering kan een termijn vaststellen waarbinnen de aanvraag tot vrijstelling, op straffe van onontvankelijkheid, bij de OVAM moet worden ingediend.

 

§ 6.

Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslissingen van de OVAM, vermeld in § 4 en § 5, beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeenkomstig de bepalingen van artikelen 153 tot en met 155.


Hoofdstuk XI.
Faillissement [...]


Art. 123.

§ 1

Als een handelaar of een vennootschap die eigenaar is van een risicogrond, failliet wordt verklaard, wordt op initiatief van de curator een oriėnterend bodemonderzoek uitgevoerd op de risicogrond. De curator neemt het initiatief tot het uitvoeren van het oriėnterend bodemonderzoek binnen een termijn van zestig dagen na zijn vaststelling dat de gefailleerde eigenaar is van een risicogrond.

 

§ 2

[...]

 

§ 3

Binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van het verslag van oriėnterend bodemonderzoek spreekt de OVAM er zich over uit en stelt ze de curator [...] en de eigenaar en de gebruiker van de grond hiervan in kennis.


Hoofdstuk XII.
Waterbodems


Afdeling I.
Waterbodemonderzoek


Onderafdeling I.
Verplichting om een waterbodemonderzoek uit te voeren


Art. 124.

§ 1

De Vlaamse Regering wijst de waterbodems aan waar de beheerder binnen een door haar bepaalde termijn op eigen initiatief en op eigen kosten een waterbodemonderzoek moet uitvoeren.

 

§ 2

Een waterbodemonderzoek kan worden uitgevoerd door een andere persoon dan de beheerder van de waterbodem.


Onderafdeling II.
Doel, inhoud en procedure


Art. 125.

§ 1

Een waterbodemonderzoek heeft tot doel uit te maken of er een ernstige bodemverontreiniging ter hoogte van de waterbodem bestaat. Het beoogt een beschrijving te geven van de aard, hoeveelheid, concentratie, oorsprong en omvang van de verontreinigende stoffen of organismen, de mogelijkheid op verspreiding ervan en het gevaar op blootstelling eraan van mensen, planten en dieren en van het grond- en oppervlaktewater.
  Daarnaast kunnen in een waterbodemonderzoek gegevens worden opgenomen met betrekking tot de inschatting van het gevaar op blootstelling aan de bodemverontreiniging van mensen, planten en dieren en van het grond- en oppervlaktewater bij een potentieel andere bestemming.

 

§ 2

Een waterbodemonderzoek bestaat uit een historisch onderzoek en een monsterneming van de waterbodem en de gronden die verontreinigd kunnen zijn ten gevolge van de verspreiding van de verontreiniging van de waterbodem of het oppervlaktewater.

 

§ 3

Een waterbodemonderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure vastgesteld door de Vlaamse Regering. Bij ontstentenis van dergelijke standaardprocedure wordt het waterbodemonderzoek uitgevoerd volgens een code van goede praktijk.

 

§ 4

Een waterbodemonderzoek kan gefaseerd worden uitgevoerd in de gevallen en overeenkomstig de voorwaarden bepaald in de standaardprocedure, vermeld in § 3.


Onderafdeling III.
Conformverklaring van het waterbodemonderzoek


Art. 126.

§ 1

Binnen een termijn van negentig dagen na ontvangst van het verslag van het waterbodemonderzoek spreekt de OVAM zich uit over de conformiteit van het onderzoek met de bepalingen van deze afdeling, en levert ze een conformiteitsattest af of legt ze aanvullende onderzoeksverrichtingen op.

 

§ 2

De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende de kennisgeving en de conformverklaring van het waterbodemonderzoek en de inhoud en de kennisgeving van het conformiteitsattest.


Onderafdeling IV.
Ernst van de bodemverontreiniging


Art. 127. Op het moment van de conformverklaring van het waterbodemonderzoek beoordeelt de OVAM of er sprake is van een ernstige bodemverontreiniging.

Onderafdeling V.
Administratief beroep


Art. 128.

Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslissingen van de OVAM, vermeld in artikelen 126 en 127, beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeenkomstig artikel 153 tot met 155.


Onderafdeling VI.
Ambtshalve waterbodemonderzoek


Art. 129. Onverminderd de bevoegdheden van de toezichthoudende ambtenaren krachtens andere wetten of decreten, kan de Vlaamse Regering de OVAM belasten om ambtshalve een waterbodemonderzoek uit te voeren.

Afdeling II.
Saneringsplicht


Onderafdeling I.
Saneringscriterium


Art. 130.

§ 1

Er wordt overgegaan tot bodemsanering als het waterbodemonderzoek de aanwezigheid van een ernstige bodemverontreiniging aantoont.
 

 

§ 2

De Vlaamse Regering wijst die waterbodems met een ernstige bodemverontreiniging aan, evenals de gronden die verontreinigd zijn ten gevolge van de verspreiding van de verontreiniging van de waterbodem of het oppervlaktewater, waar bodemsanering prioritair moet plaatsvinden. De Vlaamse Regering kan zich bij de prioriteitsbepaling baseren op de stroomgebiedbeheerplannen, vermeld in het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid.


Onderafdeling II.
Saneringsdoel


Art. 131.

De bepalingen van artikel 21 zijn van overeenkomstige toepassing.
 


Onderafdeling III.
Aanduiding van de plichtige tot uitvoering en (pre)financiering van de bodemsanering


Art. 132.

§ 1

De verplichting om op eigen kosten de bodemsanering voor de verontreiniging, vermeld in artikel 130, § 2, uit te voeren, rust op de beheerder van de waterbodem. In afwijking hiervan rust voor die verontreiniging van de waterbodem waarvoor kan worden aangewezen op welke grond ze tot stand gekomen is, de saneringsplicht op de persoon, vermeld in artikel 22.

 

§ 2

De personen, vermeld in § 1, kunnen de kosten van de bodemsanering verhalen op de personen die overeenkomstig artikel 25 aansprakelijk is en kunnen van deze saneringsaansprakelijke een voorschot vorderen of eisen dat hij een financiėle zekerheid stelt.

 

§ 3

De bodemsanering kan worden uitgevoerd door een andere persoon dan de saneringsplichtige personen, vermeld in § 1.


Onderafdeling IV.
Vrijstelling van de saneringsplicht


Art. 133.

De bepalingen van artikel 23 zijn van overeenkomstige toepassing.
 


Onderafdeling V.
Aansprakelijkheid


Art. 134.

De bepalingen van artikel 25 zijn van overeenkomstige toepassing.
 


Afdeling III.
Bodemsanering


Art. 135.

De bepalingen van hoofdstuk V en hoofdstuk VI zijn van overeenkomstige toepassing op de bodemsanering van waterbodems, met uitzondering van [...] de bepalingen vastgesteld krachtens artikelen 48, 51 58, § 2, en 66, voor zover de saneringswerken plaatsvinden binnen een strook vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam tot vijf meter landinwaarts.


Hoofdstuk XIII.
Het gebruik van uitgegraven bodem


Afdeling I.
Toepassingsgebied


Art. 136. De bepalingen van dit hoofdstuk regelen het gebruik van uitgegraven bodem. De bepalingen van dit hoofdstuk gelden ook voor gereinigde uitgegraven bodem en uitgegraven bodem waarop een fysische scheiding wordt toegepast.

Art. 137. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het gebruik van primaire oppervlaktedelfstoffen, als vermeld in het decreet van 4 april 2003 betreffende de oppervlaktedelfstoffen, op delfstoffen die in grindwinningsgebieden volgens het decreet van 14 juli 1993 tot oprichting van het Grindfonds en tot regeling van de grindwinning ontgonnen worden en op ingevoerde minerale delfstoffen die als geologische afzetting in hun natuurlijke staat ontgonnen worden.


Afdeling II.
Algemene bepalingen


Art. 138.

§ 1

Om de verspreiding van bodemverontreiniging te beheersen en het duurzame gebruik van uitgegraven bodem te bevorderen stelt de Vlaamse Regering nadere regelen vast betreffende de voorwaarden voor het gebruik van uitgegraven bodem, de procedure voor het traceren van uitgegraven bodem en de taken die een bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats en grondreinigingscentrum als vermeld in artikel 139 hierbij vervult.

 

§ 2

De Vlaamse Regering kan het gebruik van uitgegraven bodem afhankelijk maken van het opstellen van een technisch verslag. De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast met betrekking tot de inhoud van het technisch verslag.
Een technisch verslag wordt opgesteld onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij ontstentenis van dergelijke standaardprocedure wordt het technisch verslag opgesteld volgens een code van goede praktijk.


Afdeling III.
Erkenning als bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats of grondreinigingscentrum


Art. 139.

§ 1

De Vlaamse Regering is bevoegd om een rechtspersoon te erkennen als bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats of grondreinigingscentrum voor het uitvoeren van de taken, vastgesteld door de Vlaamse Regering krachtens de bepalingen van artikel 138, § 1.

 

§ 2

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en de procedure tot erkenning, schorsing en opheffing van de erkenning als bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats of grondreinigingscentrum, evenals de voorwaarden voor het gebruik van de erkenning.

 

§ 3

De Vlaamse Regering kan bepalen in welke gevallen de OVAM de taken van een erkende bodembeheerorganisatie kan overnemen. De Vlaamse Regering kan ook nadere regelen vaststellen betreffende de procedure en de voorwaarden tot overname van de taken door de OVAM.


Hoofdstuk XIV.
Sites


Afdeling I.
Vaststelling van een site


Art. 140.

§ 1

De OVAM kan een site vaststellen op basis van bodemverontreiniging of potentiėle bodemverontreiniging. Die vaststelling wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

 

§ 2

De Vlaamse Regering kan een site vaststellen op basis van andere factoren dan bodemverontreiniging of potentiėle bodemverontreiniging, na advies van de OVAM over de bodemverontreiniging of potentiėle bodemverontreiniging. Bij die vaststelling kan een potentiėle nabestemming gevoegd zijn en ze wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.


In de vaststelling, vermeld in het eerste lid, kan de Vlaamse Regering afwijken van de regeling, vastgesteld krachtens artikel 138. In dat geval kan de Vlaamse Regering bepalen dat artikel 141 niet van toepassing is op de site.


Afdeling II.
Siteonderzoek


Onderafdeling I.
Uitvoering van een siteonderzoek


Art. 141.

De vaststelling als site heeft van rechtswege tot gevolg dat de OVAM een siteonderzoek uitvoert.

 

Met behoud van de toepassing van het eerste lid kan een andere persoon dan de OVAM beslissen om het siteonderzoek vrijwillig uit te voeren.


Het siteonderzoek wordt uitgevoerd binnen de termijn die in het sitebesluit is vastgelegd.


Onderafdeling II.
Doel, inhoud en procedures


Art. 142.

Een siteonderzoek wordt uitgevoerd op een site om de bodemverontreiniging of potentiėle bodemverontreiniging die afkomstig is van de bodemverontreinigende activiteit waarvoor de site is vastgesteld, in kaart te brengen en om de ernst ervan vast te stellen. Het siteonderzoek voldoet aan de doelstellingen van een oriėnterend en beschrijvend bodemonderzoek voor de bodemverontreinigende activiteit waarvoor de site is vastgesteld.

 

Een siteonderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, vermeld in artikel 44, tweede lid, voor de bodem verontreinigende activiteit waarvoor de site is vastgesteld. Bij gebrek aan een dergelijke standaardprocedure wordt het siteonderzoek uitgevoerd volgens een code van goede praktijk. Een verslag van siteonderzoek wordt opgemaakt en bij de OVAM ingediend door de bodemsaneringsdeskundige conform de voormelde standaard-procedure.

 

Een siteonderzoek dat niet is uitgevoerd conform de standaardprocedure, vermeld in het tweede lid, wordt niet beschouwd als een siteonderzoek.


Onderafdeling III.
Beslissingen op basis van het siteonderzoek


Art. 143.

[...]


De bepalingen van artikel 40, zijn van overeenkomstige toepassing.


Afdeling III.
Verplichting om bodemsanering uit te voeren op een site


Art. 144.

De bepalingen van artikel 9 tot en met 27quinquies, artikel 47 tot en met 68 en artikel 92 zijn van overeenkomstige toepassing op bodemsanering op siteniveau.


Afdeling V.
Algemene bepaling


Art. 145.

De toepassing van dit hoofdstuk heeft geen schorsend effect op de toepassing van de bepalingen van dit decreet op een grond die deel uitmaakt van een site, behalve in geval van een uitdrukkelijk andersluidende beslissing van de OVAM. De OVAM garandeert zo nodig een optimale coördinatie.


Voor de overdracht van de risicogronden die van de site deel uitmaken, kan de OVAM vrijstelling verlenen van de onderzoeksplicht, vermeld in artikel 29, 30 en 102, § 1.


Hoofdstuk XV.
Administratief beroep


Afdeling I.
Beroep tegen beslissingen over het bodemsaneringsproject of het beperkt bodemsaneringsproject


Art. 146.

Alle belanghebbenden kunnen tegen de volgende beslissingen van de OVAM beroep indienen bij de Vlaamse Regering:

de conformverklaring van het bodemsaneringsproject of van het beperkt bodemsaneringsproject;
de vaststelling van de voorwaarden en de termijn voor de uitvoering van de bodemsaneringswerken.

 


Art. 147.

Het beroep wordt, op straffe van niet-ontvankelijkheid, ingediend met een aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs.


Het beroep wordt, op straffe van niet-ontvankelijkheid, ingediend binnen dertig dagen na de kennisgeving van het conformiteitsattest door de OVAM overeenkomstig de bepalingen, vastgesteld krachtens artikel 51. De personen die aangewezen zijn op de bekendmaking via aanplakking, kunnen beroep indienen binnen dertig dagen na de eerste dag van de aanplakking van de beslissing overeenkomstig de bepalingen, vastgesteld krachtens artikel 51.


Art. 148.

Bij het beroepschrift worden, op straffe van onontvankelijkheid, de volgende documenten gevoegd :

een afschrift van de bestreden beslissing;
als het beroep wordt ingediend door personen die aangewezen zijn op de bekendmaking via aanplakking, een attest van de burgemeester waaruit de bekendmaking blijkt. 

 

De Vlaamse Regering kan bepalen welke andere documenten op straffe van onontvankelijkheid bij het beroepschrift moeten worden gevoegd.


Art. 149.

Bij het beroepschrift worden, op straffe van onontvankelijkheid, de volgende documenten gevoegd :
1° een afschrift van de bestreden beslissing;
2° in het geval het beroep wordt aangetekend door de personen, vermeld in artikel 146, 2° en 3°, een attest van de burgemeester waaruit de bekendmaking overeenkomstig artikel 50, § 2, tweede lid, blijkt.


Art. 150.

§ 1

Het administratief beroep, vermeld in artikel 146, beperkt zich tot een marginale toetsing waarbij de Vlaamse Regering uitspraak doet over de manifeste onredelijkheid van de bestreden beslissing van de OVAM.

 

§ 2

Binnen een termijn van negentig dagen na de verzendingsdatum van de kennisgeving van het ontvankelijk beroep, doet de Vlaamse Regering uitspraak over het beroep. De beslissing van de Vlaamse Regering wordt binnen tien dagen na datum van deze beslissing bij aangetekende brief ter kennis gebracht van alle personen en overheidsorganen die in kennis werden gesteld van het ontvankelijk beroep.

 

§ 3

Als de uitspraak over het ingediende beroep en de kennisgeving ervan niet gebeurt binnen de termijn, vermeld in § 2, wordt het beroep geacht verworpen te zijn.

 

§ 4.

De uitspraak wordt op de wijze, vastgesteld krachtens artikel 51, bekendgemaakt.


Art. 151.

Het beroep schorst de uitvoering van de bestreden beslissingen, vermeld in artikel 146, tot de dag na de datum van de betekening van de beslissing.


Art. 152. De Vlaamse Regering kan nadere regelen vaststellen betreffende de procedure voor de behandeling van het beroep.

Afdeling II.
Andere beroepen


Art. 153.

Behalve in de gevallen waarvoor de beroepsprocedure in artikel 146 tot en met 152 geregeld is, kan door elke belanghebbende tegen elke beslissing van de OVAM waartegen overeenkomstig dit decreet beroep openstaat, bij de Vlaamse Regering een niet-schorsend beroep worden aangetekend.


Art. 154.

§ 1.

Het beroep wordt, op straffe van niet-ontvankelijkheid, ingediend met een aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing van de OVAM overeenkomstig de bepalingen van dit decreet.

 

Bij het beroepschrift wordt, op straffe van onontvankelijkheid, een afschrift van de bestreden beslissing gevoegd. De Vlaamse Regering kan bepalen welke andere documenten, op straffe van onontvankelijkheid, bij het beroepschrift moeten worden gevoegd.

 

§ 2.

Binnen een termijn van veertien dagen na ontvangst van het beroep wordt de indiener van het beroep door de Vlaamse Regering of de daartoe gemachtigde ambtenaar bij aangetekende brief in kennis gesteld over de ontvankelijkheid van het beroep.


Art. 155.

§ 1

Het administratief beroep, vermeld in artikel 153, is een vol beroep als het beroep betrekking heeft op een beslissing van de OVAM over de aanduiding van de saneringsplichtige, de vrijstelling van de saneringsplicht of de exoneratie van de verplichting om een site-onderzoek uit te voeren, met uitzondering van die onderdelen van voormelde beslissingen waarbij de OVAM als bodemsaneringsdeskundige uitspraak heeft gedaan.

 

In de andere gevallen beperkt het administratief beroep, vermeld in artikel 153, zich tot een marginale toetsing waarbij de Vlaamse Regering uitspraak doet over de manifeste onredelijkheid van de bestreden beslissing van de OVAM of het betreffende onderdeel ervan.

 

§ 2

Binnen een termijn van negentig dagen na de verzendingsdatum van de kennisgeving van het ontvankelijk beroep doet de Vlaamse Regering uitspraak over het beroep. De beslissing wordt binnen tien dagen na de datum ervan bij aangetekende brief ter kennis gebracht van alle personen en overheidsorganen die in kennis werden gesteld van het ontvankelijke beroep.

 

§ 3.

De Vlaamse Regering kan nadere regelen vaststellen voor de behandeling van het beroep.


Hoofdstuk XVI.
Ambtshalve tussenkomst van de OVAM


Art. 156.

In geval van een vrijstelling van de onderzoeksplicht, vermeld in artikel 31, § 1, kan de OVAM beslissen om ambtshalve een oriėnterend bodemonderzoek uit te voeren of de grond op te nemen in een site met het oog op de uitvoering van een siteonderzoek.


Art. 157.

De OVAM kan beslissen om ambtshalve een beschrijvend bodemonderzoek, bodemsanering of de andere maatregelen, vermeld in afdelingen III, VI en VII van hoofdstuk VI, uit te voeren, als de exploitant, gebruiker en eigenaar van de gronden waar de bodemverontreiniging tot stand kwam niet gehouden is om een beschrijvend bodemonderzoek of bodemsanering uit te voeren krachtens de bepalingen van artikel 12 of 23, artikel 105 of 110, of artikel 133. Als de eigenaar krachtens de voormelde bepalingen voor een deel van de bodemverontreiniging van de saneringsplicht vrijgesteld is, kan de OVAM beslissen om voor dat deel van de bodemverontreiniging ambtshalve een beschrijvend bodemonderzoek, bodemsanering of de andere maatregelen, vermeld in titel III, hoofdstuk VI, afdeling III en VI, uit te voeren.

 

Als een grond die het voorwerp uitmaakt van een ambtshalve bodemsanering, door de OVAM in de periode tussen de beslissing tot ambtshalve uitvoering van het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering en de aflevering van de eindverklaring voor de ambtshalve bodemsanering in het kader van een voorlopig of definitief vastgesteld ruimtelijk uitvoeringsplan of bijzonder plan van aanleg een bestemming krijgt waardoor met toepassing van artikel 10, § 2, of artikel 21, § 1, een aangepast saneringsdoel op de bodemsanering van toepassing wordt, worden de eventuele meerkosten van de ambtshalve uitvoering van de bodemsanering vanwege de toepassing van het aangepaste saneringsdoel ge(pre)financierd door de persoon die eigenaar is van die grond op het moment van de definitieve vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan of het bijzonder plan van aanleg.


Art. 158.

De OVAM kan beslissen om bodemsanering of de andere maatregelen, vermeld in titel III, hoofdstuk VI, afdeling III en VI, op siteniveau ambtshalve uit te voeren.


Art. 159. Als de OVAM ambtshalve optreedt, kan ze zich laten bijstaan door andere overheidsinstellingen, ondernemingen of deskundigen.

Art. 160.

Als de OVAM krachtens de bepalingen van dit decreet van rechtswege of ambtshalve optreedt, verhaalt ze de kosten op de persoon die aansprakelijk is conform artikel 16 of 25.


Art. 160bis.

In afwijking van artikel 160 kan de OVAM beslissen af te zien van verhaal als de verhaalkosten groter zijn dan het terug te vorderen bedrag.


Art. 161.

§ 1

Op grond van de beslissing van de OVAM beslissing van de OVAM tot ambtshalve uitvoering krachtens de bepalingen van dit decreet, heeft de OVAM tot zekerheid van de voldoening van de kosten van de ambtshalve uitvoering ervan een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de personen, vermeld in artikel 160, en kan ze een wettelijke hypotheek nemen op al de daarvoor vatbare en in het Vlaamse Gewest gelegen of geregistreerde goederen van deze personen. Hetzelfde geldt als de OVAM van rechtswege een siteonderzoek uitvoert met toepassing van artikel 141.

 

§ 2

Het voorrecht neemt rang in onmiddellijk na de voorrechten die vermeld zijn in de artikelen 19 en 20 van de wet van 16 december 1851 en in artikel 23 van boek II van het Wetboek van Koophandel.

 

§ 3

De rang van de wettelijke hypotheek wordt bepaald door de dagtekening van de inschrijving die genomen wordt krachtens de betekende beslissing van de OVAM tot ambtshalve uitvoering krachtens de bepalingen van dit decreet .

 

§ 4

De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de ambtenaar daartoe aangewezen door de Vlaamse Regering.
De inschrijving heeft plaats, niettegenstaande beroep, op voorlegging van een afschrift van de beslissing van de OVAM tot ambtshalve uitvoering krachtens de bepalingen van dit decreet , die eensluidend wordt verklaard door die ambtenaar en die melding maakt van de betekening ervan.

 

§ 5

Artikel 19, tweede lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek inzake de verschuldigde kosten van de ambtshalve uitvoering krachtens de bepalingen van dit decreet, waarvoor een beslissing door de OVAM genomen werd en waarvan de betekening aan de personen, vermeld in artikel 160, is gedaan voor het vonnis van faillietverklaring.


Hoofdstuk XVII.
Retributies


Art. 162.

§ 1

De Vlaamse Regering kan de toegankelijkheid van het grondeninformatieregiser afhankelijk stellen van de betaling van een retributie.

 

§ 2

De Vlaamse Regering kan de beoordeling van een verslag van oriėnterend bodemonderzoek, een verslag van site-onderzoek, een verslag van beschrijvend bodemonderzoek, een verslag van oriėnterend en beschrijvend bodemonderzoek, een verslag van aanvullende onderzoeksverrichtingen, evenals een bodemsaneringsproject, een beperkt bodemsaneringsproject, een aangevuld of gewijzigd bodemsaneringsproject , een eindevaluatieonderzoek [...] [...] afhankelijk stellen van de betaling van een retributie.

 

§ 3

De Vlaamse Regering kan de beoordeling van een aanvraag tot vrijstelling van de saneringsplicht afhankelijk stellen van de betaling van een retributie.

 

§ 4

De Vlaamse Regering kan de beoordeling van een aanvraag tot cofinanciering en van de aanvraag tot toepassing van de draagkrachtregeling afhankelijk stellen van de betaling van een retributie.

 

§ 5

De Vlaamse Regering kan de beoordeling van een aanvraag tot erkenning als [...], bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats en grondreinigingscentrum afhankelijk stellen van de betaling van een retributie.

 

§ 6

De Vlaamse Regering kan de beoordeling van een aanvraag tot toepassing van haar bevoegdheden, vermeld in artikelen 164 en 165, afhankelijk stellen van de betaling van een retributie.

 

§ 7

De Vlaamse Regering kan de beoordeling van een beroep, vermeld in artikelen 146 en 153, afhankelijk stellen van de betaling van een retributie.

 

§ 8

Als de OVAM ambtshalve optreedt overeenkomstig artikelen 157 of 158 van dit decreet, of artikel 16.4.7, § 1, 3°, of artikel 16.4.16, tweede lid, van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid zijn de ingebrekeblijvende plichtige of de aansprakelijke personen een retributie verschuldigd aan de OVAM.

 

§ 9

Als de Vlaamse Regering in de gevallen, vermeld in § 1 tot en met § 7, een retributie vaststelt, moet, op straffe van onontvankelijkheid, het bewijs van betaling van de retributie gevoegd worden :

  1. bij de aanvraag van een bodemattest;
  2. bij het verslag van oriėnterend bodemonderzoek, het verslag van beschrijvend bodemonderzoek, het verslag van oriėnterend en beschrijvend bodemonderzoek, het verslag van aanvullende onderzoeksverrichtingen, het bodemsaneringsproject, het beperkt bodemsaneringsproject, het aangevuld of gewijzigd bodemsaneringsproject , het eindevaluatieonderzoek [...] [...];
  3. bij het verzoek, vermeld in § 2, of bij de aanvraag, vermeld in § 3 tot en met § 6;
  4. bij het beroep, vermeld in § 7.

 


Art. 163.

§ 1

De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag van de retributies, vermeld in artikel 162, § 1 tot en met § 8.

 

§ 2

De Vlaamse Regering duidt de ambtenaren van de OVAM aan die belast zijn met de inning en de invordering van de retributies, vermeld in artikel 162, en bepaalt de nadere regelen betreffende hun bevoegdheid.


Hoofdstuk XVIII.
Bevoegdheden van de Vlaamse Regering


Afdeling I.
Schikkingen, dadingen, overdracht van schuldvorderingen en zekerheden, subrogatie, afzien van verhaal en overeenkomsten


Art. 164.

In verband met de toepassing van de bepalingen van artikelen 9 tot en met 135 en artikel 160 kan de Vlaamse Regering alle schikkingen, voorstellen tot concordaat inbegrepen, aannemen, dadingen sluiten, schuldvorderingen en zekerheden overdragen, derden in haar rechten subrogeren, van verhaal afzien, afwijkingen toestaan en overeenkomsten sluiten.
 


Art. 165.

Met behoud van de toepassing van artikel 164 kan de Vlaamse Regering in verband met de toepassing van de bepalingen van artikel 140 tot en met 145 alle schikkingen aannemen, afwijkingen toestaan en overeenkomsten afsluiten.
 


Afdeling II.
Onteigening


Art. 166. Met behoud van haar andere bevoegdheden in verband met onteigeningen, kan de Vlaamse Regering, voor de uitvoering van bodemsaneringswerken, op verzoek van de persoon die krachtens deze titel tot bodemsanering verplicht is of van de OVAM, overgaan tot de onteigening ten algemene nutte van onroerende goederen. De onteigening gebeurt op naam en voor rekening van de aanvrager.