Art. 3. De voor het graafwerk nodige grond mag niet in bezit worden genomen dan nadat de noodzaak daarvan is vastgesteld en vergunning daartoe is verleend door het openbaar bestuur dat belast is met de uitvoering van of het toezicht op het werk ten behoeve waarvan gegraven wordt.
In geval van verzet van de eigenaar beslist de Koning, de bestendige deputatie van de provincieraad gehoord.
Het bestuur dat graafvergunning verleent, bepaalt de borgsom die de aannemer moet storten tot dekking van de eventueel aan de eigenaar te betalen schadevergoeding.