Hoofdstuk III.
Bevloeiing en drooglegging.


Art. 15. Iedere eigenaar die ter bevloeiing van zijn erf gebruik wil maken van natuurlijk of kunstmatig gewonnen water waarover hij het recht heeft te beschikken, kan tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling het recht verkrijgen om dit water over de tussengelegen erven te leiden.

Art. 16. De eigenaars van de lager gelegen erven moeten het water van de aldus bevloeide gronden ontvangen, met dien verstande dat hun een vergoeding verschuldigd kan zijn.

Art. 17. Dit recht om water over de tussengelegen erven te leiden kan onder dezelfde voorwaarden worden verleend aan de eigenaar van een moeras of van een geheel of gedeeltelijk overstroomde grond om het schadelijke water afloop te geven, alsmede aan de eigenaar van een vochtige grond die door middel van ondergrondse leidingen of van greppels moet worden drooggemaakt.

Art. 18. Gebouwen, alsmede binnenplaatsen, tuinen, parken en besloten erven die aan een woning palen, zijn niet onderworpen aan de erfdienstbaarheid waarvan sprake is in de drie voorgaande artikelen.

Art. 19. Iedere eigenaar die tot bevloeiing van zijn eigendom gebruik wil maken van het water waarover hij het recht heeft te beschikken, kan tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling het recht verkrijgen om de voor zijn watervang noodzakelijke kunstwerken te doen rusten op het erf van de aangelande van de andere oever.
Die kunstwerken moeten derwijze worden gebouwd en onderhouden dat zij geen schade berokkenen aan de naburige erven.
Gebouwen, alsmede binnenplaatsen en tuinen die aan een woning palen, zijn aan deze erfdienstbaarheid niet onderworpen.

Art. 20. De aangelande van wie gevorderd wordt dat het kunstwerk op zijn erf zal rusten, kan steeds het gemeenschappelijk gebruik van de stuw verkrijgen, mits hij in de bouw- en onderhoudskosten bijdraagt naar verhouding van de oppervlakte die iedere gebruiker wil bevloeien en van de hoeveelheid water waarover hij zal beschikken.
Vordert de aangelande het gemeenschappelijk gebruik eerst nadat het werk begonnen of voltooid is, dan draagt alleen hij de kosten van de veranderingen die nodig zijn om die stuw geschikt te maken voor de bevloeiing van zijn erf.

Art. 21. Geschillen betreffende de vestiging van de in de vorige artikelen vermelde erfdienstbaarheden, de bepaling van de loop, de afmetingen en de vorm van de waterleiding, de bouw en het onderhoud van de kunstwerken voor de watervang, de verandering van reeds bestaande werken en de vergoeding van de eigenaar van het erf waardoor het water loopt, of dat het aflopend water ontvangt, of waarop het kunstwerk rust, worden gebracht voor de vrederechter van het kanton waar de erfdienstbaarheid gelegen is. De rechter moet het belang van het werk overeenbrengen met de eerbiediging van het eigendomsrecht.

Art. 22. […]