Art. 21. Geschillen betreffende de vestiging van de in de vorige artikelen vermelde erfdienstbaarheden, de bepaling van de loop, de afmetingen en de vorm van de waterleiding, de bouw en het onderhoud van de kunstwerken voor de watervang, de verandering van reeds bestaande werken en de vergoeding van de eigenaar van het erf waardoor het water loopt, of dat het aflopend water ontvangt, of waarop het kunstwerk rust, worden gebracht voor de vrederechter van het kanton waar de erfdienstbaarheid gelegen is. De rechter moet het belang van het werk overeenbrengen met de eerbiediging van het eigendomsrecht.