Art. 30. Hij die tot afsluiting van zijn erf een niet gemene sloot wil graven, moet tussen die sloot en het naburig erf half zoveel afstand laten als de sloot diep is.
Is het naburig erf een stuk bouwland of een hellend terrein, dan moet de afstand even groot zijn als de sloot diep is.
De sloten worden zo aangelegd dat zij een glooiing hebben aan de kant van de nabuur en de afloop van het water niet belemmeren.
Wanneer een levende haag tot afsluiting dient, moet zij, bij gebreke van een hiermee strijdig gebruik, op ten minste vijftig centimeter van de scheidingslijn staan.
Iedere andere afsluiting mag op de uiterste grens van het eigendom worden geplaatst.