Hoofdstuk II.
Veldwachters.


Art. 51. […]

Art. 52. […]

Art. 53. […]

Art. 54. […]

Art. 55. […]

Art. 55bis. […]

Art. 56. […]

Art. 57. […]

Art. 58. […]

Art. 59. […]

Art. 59bis. […]

Art. 60. […]

Art. 61. In de plattelandsgemeenten hebben openbare instellingen en bijzondere personen het recht bijzondere wachters aan te stellen om hun vruchten en gewassen, de vruchten en gewassen van hun pachters of huurders en hun eigendommen van welke aard ook te beschermen, alsmede om hun vis- en jachtterreinen te bewaken.
Die wachters zijn bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie in de gevallen waarvoor ze bevoegd zijn om misdrijven op te sporen en vast te stellen.
De aanstellers zijn gehouden hen door de provinciegouverneur te doen erkennen, de arrondissementscommissaris en de procureur des Konings gehoord, en in de benoemingsakte de aard en de ligging aan te wijzen van de goederen die onder hun bewaking staan.

Art. 62. De bijzondere veldwachters mogen gewapend zijn met geweren met meer dan één schot.

Art. 63. Zij treden in dienst na in handen van de vrederechter van het kanton van hun verblijfplaats de eed te hebben afgelegd die door de leden van het personeel van de gemeentepolitie wordt afgelegd.
Zij zijn bovendien gehouden hun aanstelling en de akte van hun beëdiging te doen registreren ter griffie van de vredegerechten binnen welker rechtsgebied zij hun ambt moeten waarnemen.
De gouverneur kan de erkenning van de bijzondere wachters intrekken; zij worden vooraf gehoord.
Hij die de aanstelling van zijn bijzondere wachter intrekt, is gehouden daarvan onmiddellijk bij aangetekende brief kennis te geven aan de gouverneur. De intrekking van de aanstelling heeft eerst gevolg van de dag waarop de gouverneur er akte van heeft genomen.

Art. 64. […]

Art. 65. […]