Hoofdstuk V.
Misdrijven en straffen.


Art. 86. De in dit wetboek niet omschreven wanbedrijven en overtredingen waardoor landelijke eigendommen van welke aard ook worden geschonden, zijn strafbaar met de straffen daarop gesteld door het Strafwetboek en de andere geldende wetten.

Art. 87. Met geldboete van een frank tot tien frank worden gestraft :
1° Zij die zonder wettige reden binnentreden in een besloten erf of in een aanhorigheid van een woning, waar tak- of wortelvaste vruchten staan;
2° Zij die, zonder dat er een andere door de wet bepaalde omstandigheid bijkomt, aan een ander toebehorende vruchten plukken of ter plaatse eten.
Het feit gepleegd in een besloten erf of in een aanhorigheid van een woning wordt gestraft met geldboete van tien frank en gevangenisstraf van eén dag tot zeven dagen;
3° Zij die hun vee hun trek-, last of rijdieren laten lopen over andermans weiden in groei of over andermans grond voordat de oogst is weggehaald;
4° Zij die anders dan met de hand aren lezen of die naharken met behulp van een hark met ijzeren tanden;
5° (...)
6° (...)
7° Zij wier geiten of woldieren (...) worden aangetroffen, grazend op andermans grond zonder verlof van de eigenaar of knabbelend aan hagen of bomen langs een openbare weg of langs een erf; de overtreders worden bovendien gestraft met geldboete van één frank per dier;
8° Zij die, zonder noodzaak en ondanks het verbod van de eigenaar, gebruik maken van een weg die aan een bijzondere persoon toebehoort.

Art. 88.

Met geldboete van vijf tot vijftien frank worden gestraft :
1° (...)
2° Geleiders die, op weg met hun vee van de ene plaats naar de andere, (...) het laten grazen op gronden van bijzondere personen of van gemeenten.
Het misdrijf gepleegd op bezaaid land of op land waarvan de oogst niet is ingezameld of binnen een besloten landelijk erf, wordt gestraft met geldboete van tien frank tot vijftien frank en eventueel met gevangenisstraf van één dag tot twee dagen.
3° Zij die vee of pluimgedierte, van welke soort ook, waarvan zij eigenaar of houder zijn, op andermans eigendom in het open veld laten loslopen.
Het misdrijf gepleegd binnen de omheining van een woning, hetzij op bezaaid land of op land waarvan de oogst niet is ingezameld, hetzij binnen een besloten landelijk erf, wordt gestraft met geldboete van tien frank tot vijftien frank en eventueel met gevangenisstraf van één dag tot twee dagen.
Betreft het een kudde, dan wordt de geldboete gebracht op vijftien tot vijfentwintig frank en de eventuele gevangenisstraf op één dag tot zeven dagen.
4° Zij die aren lezen of naharken zonder te voldoen aan de voorwaarden van artikel 11, en zij die aren lezen of naharken op velden waarvan de oogst niet geheel is ingezameld en weggehaald is, op omheinde velden of voor zonsopgang en na zonsondergang.
5° (...)
6° (...)
7° Zij die bijenkorven plaatsen op minder dan twintig meter afstand van een woning of van de openbare weg.
Die afstand wordt verminderd tot tien meter, wanneer er tussen de bijenkorven en de woning of de openbare weg een volledig dichte beschutting van ten minste twee meter hoogte aanwezig is.
8° Zij die de afsluiting van een veld openen om zich een doorgang te verschaffen, tenzij de rechter beslist dat de openbare weg onbruikbaar was, in welk geval de gemeente de schadevergoeding moet betalen.
9° Zij die op enigerlei wijze openbare wegen van welke aard ook beschadigen of zich een strook ervan toeëigenen.
Indien daartoe grond bestaat, spreekt de rechter behalve de straf ook het herstel van de overtreding uit, overeenkomstig de wetten betreffende de wegen.
10° Zij die bij het bewerken van het land zich grond van een ander toeëigenen.
11° Zij die zonder wettige reden binnentreden in een besloten erf waar zich vee bevindt.
12° Zij die stenen of andere harde lichamen of andere voorwerpen die kunnen bevuilen of beschadigen, in tuinen, besloten erven, natuur- en kunstweiden of bomen werpen.
13° Zij die door gebrek aan voorzorg enten van bomen geheel of gedeeltelijk vernielen en zij wier dieren dit doen.
14° Zij die, buiten de gevallen van artikel 549 van het Strafwetboek, andermans grond onder water zetten of er opzettelijk het water op schadelijke wijze op doen lopen.
15° Veldwachters die, in strijd met artikel 59, niet geoorloofde wapens dragen.
Het wapen wordt bovendien verbeurd verklaard.
16° Gemeenteveldwachters die het bij artikel 78 voorgeschreven boekje niet regelmatig bijhouden.


Art. 89.

Met geldboete van tien frank tot twintig frank en met gevangenisstraf van één dag tot vijf dagen of met een van die straffen alleen worden gestraft :
1° Zij die eigenaar of houder zijn van dood pluimgedierte, ander gedierte of vee, dat voor niets nuttigs te gebruiken is, en nalaten buiten de gevallen waarin zulks verboden is, het binnen vierentwintig uren, anderhalve meter diep in de grond te delven op hun terrein of op de plaats die door het gemeentebestuur is aangewezen.
In dat geval zorgt het gemeentebestuur voor de bedelving op kosten van de overtreder, die krachtens het veroordelend vonnis kan worden verplicht tot terugbetaling van de uitgave, op vertoon van een eenvoudige staat van kosten opgemaakt door het college van burgemeester en schepenen.
2° Zij die, buiten de gevallen bedoeld in de wet van 11 maart 1950, op de bescherming van de wateren tegen verontreiniging een dood dier op de openbare weg, op een daaraan palend eigendom of in een waterloop, vijver of vaart werpen.
3° Zij die zonder rechtstitel bezit nemen van enig gedeelte van de gemeentegrond.
4° (...)
5° (...)
6° Zij die zich het water van een bevloeiingskanaal onrechtmatig toeëigenen, of die er gebruik van maken op andere dagen of uren of in ruimere mate dan geoorloofd is door verordeningen of bijzondere overeenkomsten.
7° Zij die onder enig voorwendsel, zonder verlof van de eigenaar of exploitant, op andermans veld graven met een hak, spade, hark of enig ander werktuig.
De geldboete wordt verdubbeld, indien graafwerk, als bedoeld in artikel 1, verricht wordt zonder dat de eigenaar vooraf gewaarschuwd is.
8° Zij die op het veld vuur aansteken op minder dan honderd meter afstand van huizen, [...] heiden, boomgaarden, hagen, graan, stro, mijten of van plaatsen waar vlas te drogen is gelegd.


Art. 90.

Met geldboete van vijftien tot vijfentwintig frank en met gevangenisstraf van één dag tot zeven dagen of met een van die straffen alleen worden gestraft :
1° Zij die vee of pluimgedierte, van welke soort ook, op enigerlei tijdstip drijven of hoeden in andermans veldvruchten, in natuur- of kunstweiden, in wijngaarden, griendwaarden, hopakkers, in door mensenhand aangelegde aanplantingen of kwekerijen van fruit- en andere bomen.
2° Zij die, buiten de gevallen bedoeld in de wet van 11 maart 1950 op de bescherming van de wateren tegen verontreiniging opzettelijk in een openbare of private waterput, drinkplaats of fontein organische lichamen of andere stoffen werpen of doen werpen die het water kunnen bederven of voor huishoudelijk gebruik ongeschikt maken.
3° Zij die, buiten de gevallen bedoeld in de wet van 11 maart 1950 op de bescherming van de wateren tegen verontreiniging in een vaart, een vijver, een visvijver of een viskom stoffen werpen die de vis kunnen vernielen.
4° Zij die, onverschillig voor welk gebruik, krengen of resten van dieren of vee geheel of gedeeltelijk ontgraven.
De gevangenisstraf wordt altijd uitgesproken, indien het dier op last van de overheid in de grond is gedolven.
5° Zij die, opzettelijk en op welke wijze ook, bijenkorven vernielen, omstoten, toestoppen of openbreken, of die andermans bijen doen omkomen of pogen te doen omkomen.
6° Zij die een bijenzwerm, komend uit andermans bijenstal, op hun goed lokken, indien zij hem niet hebben teruggegeven binnen vierentwintig uren nadat hij van hen is teruggevorderd.
7° Zij die stenen, graszoden, aarde, zand, kalk, mergel, dierlijke of enige andere meststof op andermans grond wegnemen.
8° Zij die draineerbuizen opzettelijk vernielen of beschadigen, toestoppen of verplaatsen.
9° Zij die andermans bomen geheel of gedeeltelijk ontschorsen of snijden, zonder dat deze vergaan.
10° Zij die het hout van hagen of van boomaanplantingen wegnemen.
11° (...)
12° Zij die bomen planten met overtreding van de artikelen 35bis en 35ter.
Op vordering van een burgerlijke partij wordt artikel 36bis van dit Wetboek toegepast.


Art. 91.

De straffen op de overtredingen, omschreven in de artikelen 87 en 90, worden verhoogd tot het maximum en de rechtbank spreekt bovendien gevangenisstraf van één dag tot zeven dagen uit :
1° Indien er herhaling is binnen een jaar, te rekenen van het eerste vonnis tegen de schuldige gewezen wegens dezelfde overtreding en door dezelfde rechtbank;
2° Indien de overtredingen bij nacht zijn gepleegd;
3° Indien de feiten in bende of in vereniging zijn gepleegd.


Art. 92. In alle gevallen van de vorige artikelen kan, indien verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, van gevangenisstraf afgezien worden en kan de geldboete verminderd worden , maar nooit tot minder dan één frank.