Art. 88.

Met geldboete van vijf tot vijftien frank worden gestraft :
1° (...)
2° Geleiders die, op weg met hun vee van de ene plaats naar de andere, (...) het laten grazen op gronden van bijzondere personen of van gemeenten.
Het misdrijf gepleegd op bezaaid land of op land waarvan de oogst niet is ingezameld of binnen een besloten landelijk erf, wordt gestraft met geldboete van tien frank tot vijftien frank en eventueel met gevangenisstraf van één dag tot twee dagen.
3° Zij die vee of pluimgedierte, van welke soort ook, waarvan zij eigenaar of houder zijn, op andermans eigendom in het open veld laten loslopen.
Het misdrijf gepleegd binnen de omheining van een woning, hetzij op bezaaid land of op land waarvan de oogst niet is ingezameld, hetzij binnen een besloten landelijk erf, wordt gestraft met geldboete van tien frank tot vijftien frank en eventueel met gevangenisstraf van één dag tot twee dagen.
Betreft het een kudde, dan wordt de geldboete gebracht op vijftien tot vijfentwintig frank en de eventuele gevangenisstraf op één dag tot zeven dagen.
4° Zij die aren lezen of naharken zonder te voldoen aan de voorwaarden van artikel 11, en zij die aren lezen of naharken op velden waarvan de oogst niet geheel is ingezameld en weggehaald is, op omheinde velden of voor zonsopgang en na zonsondergang.
5° (...)
6° (...)
7° Zij die bijenkorven plaatsen op minder dan twintig meter afstand van een woning of van de openbare weg.
Die afstand wordt verminderd tot tien meter, wanneer er tussen de bijenkorven en de woning of de openbare weg een volledig dichte beschutting van ten minste twee meter hoogte aanwezig is.
8° Zij die de afsluiting van een veld openen om zich een doorgang te verschaffen, tenzij de rechter beslist dat de openbare weg onbruikbaar was, in welk geval de gemeente de schadevergoeding moet betalen.
9° Zij die op enigerlei wijze openbare wegen van welke aard ook beschadigen of zich een strook ervan toeëigenen.
Indien daartoe grond bestaat, spreekt de rechter behalve de straf ook het herstel van de overtreding uit, overeenkomstig de wetten betreffende de wegen.
10° Zij die bij het bewerken van het land zich grond van een ander toeëigenen.
11° Zij die zonder wettige reden binnentreden in een besloten erf waar zich vee bevindt.
12° Zij die stenen of andere harde lichamen of andere voorwerpen die kunnen bevuilen of beschadigen, in tuinen, besloten erven, natuur- en kunstweiden of bomen werpen.
13° Zij die door gebrek aan voorzorg enten van bomen geheel of gedeeltelijk vernielen en zij wier dieren dit doen.
14° Zij die, buiten de gevallen van artikel 549 van het Strafwetboek, andermans grond onder water zetten of er opzettelijk het water op schadelijke wijze op doen lopen.
15° Veldwachters die, in strijd met artikel 59, niet geoorloofde wapens dragen.
Het wapen wordt bovendien verbeurd verklaard.
16° Gemeenteveldwachters die het bij artikel 78 voorgeschreven boekje niet regelmatig bijhouden.