Hoofdstuk III.
Wettelijke aansprakelijkheid.


Art. 5. De exploitant van een kerninstallatie is overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag van Parijs, van het Aanvullend Verdrag en van deze wet, aansprakelijk voor de door een kernongeval veroorzaakte kernschade.Hij is aansprakelijk voor de kernschade veroorzaakt door een kernongeval, zelfs wanneer dat ongeval rechtstreeks te wijten is aan natuurrampen van uitzonderlijke aard.Hij is niet aansprakelijk voor de kernschade veroorzaakt door een kernongeval, indien dat ongeval rechtstreeks te wijten is aan een gewapend conflict, vijandelijkheden, burgeroorlog en opstand.

Art. 6.

De exploitant van een kerninstallatie is :

1° niet aansprakelijk voor de schade aan de kerninstallatie zelf en aan andere kerninstallaties, zelfs in aanbouw, op het terrein, noch voor de schade aan goederen op dit terrein die worden gebruikt of bestemd zijn om te worden gebruikt in verband met een van deze installaties;

2° aansprakelijk voor de kernschade veroorzaakt aan het vervoermiddel waarop de stoffen zich bevinden op het ogenblik van het kernongeval wanneer hij aansprakelijk is voor de kernschade veroorzaakt bij het vervoer in de gevallen voorzien bij artikel 4 van het Verdrag van Parijs.
De vergoeding van deze kernschade mag niet tot gevolg  hebben de aansprakelijkheid van de exploitant voor de andere kernschade te verminderen tot een bedrag lager dan dat, bepaald in artikel 7, eerstel lid, van deze wet.

3° aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door een ander ongeval dan een kernongeval, wanneer de schade tegelijkertijd werd veroorzaakt door een kernongeval, voor zover dit redelijkerwijze niet te scheiden valt van de door het kernongeval veroorzaakte kernschade.


Art. 7.

Het maximale kernschadebedrag waarvoor de exploitant aansprakelijk is, bedraagt voor ieder kernongeval 1,2 miljard euro.


De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, het bedrag bedoeld in het eerste lid verhogen of verlagen, om één van de volgende redenen:
1° het bedrag constant houden in reële termen;
2° rekening houden met het vermogen en de aard van de kerninstallatie of met het belang van het transport;
3° voldoen aan de verplichtingen die voor België voortvloeien uit de internationale overeenkomsten en verdragen en uit aanbevelingen van de krachtens het Verdrag van Parijs bevoegde instellingen.


De bedragen vastgesteld krachtens het tweede lid, 2°, mogen voor het vervoer niet lager zijn dan 80 miljoen euro en voor de kerninstallaties niet lager zijn dan 70 miljoen euro.