Art. 23.

De vorderingen tot schadevergoeding tegen de exploitant, krachtens deze wet, dienen op straffe van verval te worden ingesteld,

1 ten aanzien van nucleaire lichamelijke letsels, binnen dertig jaar vanaf het kernongeval;
2 ten aanzien van overige kernschade, binnen tien jaar vanaf het kernongeval.

De vordering verjaart in ieder geval door verloop van drie jaar vanaf het slachtoffer kennis heeft gehad of redelijkerwijze geacht kan worden kennis te hebben gehad van de kernschade en van de identiteit van de exploitant, met dien verstande dat de in dit artikel gestelde termijnen van tien of dertig jaar niet mogen worden overschreden.


Ieder die kernschade heeft geleden tengevolge van een kernongeval en die binnen de in dit artikel gestelde termijn een vordering tot schadevergoeding heeft ingesteld, kan een bijkomend verzoek tot schadevergoeding indienen ingeval van toeneming van de schade na het verstrijken van die termijn, zolang er nog geen definitieve uitspraak is tussengekomen over het bedrag van de vergoeding

De vergoeding van nucleaire lichamelijke letsels binnen een termijn tussen tien en dertig jaar vanaf het kernongeval is ten laste van de Staat. Zij zal ten laste gelegd worden van de exploitant voor elk kernongeval dat zich voordoet vanaf 1 januari 2018. De Koning kan deze datum vervroegen of uitstellen. In ieder geval zal deze vergoeding ten laste van de exploitant zijn op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin het protocol van 12 februari 2004 tot wijziging van het Verdrag van 29 juli 1960 inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van kernenergie in werking is getreden.