Artikel 1.

De Koning is gemachtigd om alle gepaste maatregelen te treffen ter voorkoming of bestrijding van de luchtverontreiniging, meer in het bijzonder:

  1. om zekere welbepaalde vormen van verontreiniging te verbieden;
  2. om het gebruik te regelen of te verbieden van toestellen of inrichtingen die een verontreiniging kunnen veroorzaken;
  3. om het gebruik op te leggen of te regelen van toestellen of inrichtingen die bestemd zijn om verontreiniging te voorkomen of te bestrijden.