Hoofdstuk II.
Fiscaal statuut van de elektriciteitsproducenten


Art. 34.

Voor de toepassing van de artikelen 35 en 37 moet worden verstaan onder 'elektriciteitsproducenten' : de binnenlandse vennootschappen bedoeld in artikel 2, § 2, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de belastingplichtigen onderworpen aan de rechtspersonenbelasting en de in artikel 227, 2°, van hetzelfde Wetboek bedoelde niet-inwoners die over een Belgische inrichting beschikken in de zin van artikel 229 van hetzelfde Wetboek, waarvan de activiteit hoofdzakelijk of bijkomstig bestaat uit de productie van elektriciteit met het oog op de verkoop ervan.


Art. 35. Bij inbreng van een tak van werkzaamheid of van de algemeenheid van goederen door een aan de rechtspersonenbelasting onderworpen elektriciteitsproducent in een binnenlandse vennootschap, worden de afschrijfbare activa waarop meerwaarden worden uitgedrukt naar aanleiding van die inbreng, ten name van de vennootschap die de inbreng ontvangt, afgeschreven met vaste annuīteiten waarvan het aantal niet minder mag bedragen dan de residuele gebruiksduur van de betrokken activa die voor de bepaling van de inbrengwaarde in aanmerking is genomen.

Art. 36. Artikel 203, § 2, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt uitgelegd in die zin dat de uitzondering die er wordt bepaald, slechts betrekking heeft op de aanvullende voorwaarde bedoeld in artikel 203, § 1, 1°, van hetzelfde Wetboek.
De dividenden verleend of toegekend door intercommunales bedoeld in artikel 180, 1°, van hetzelfde Wetboek naar aanleiding van de verkrijging van hun eigen aandelen of van de gehele of gedeeltelijke verdeling van hun maatschappelijk vermogen, zijn derhalve niet aftrekbaar.

Art. 37. In afwijking van artikel 203, § 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, worden niet als definitief belaste inkomsten afgetrokken de dividenden die door intercommunales aan elektriciteitsproducenten worden verleend of toegekend ter vergoeding van de inbreng van diensten, bekwaamheid en ervaring op het gebied van productie, transport en koppeling van elektriciteit.

Art. 38.

De belastingplichtigen onderworpen aan de rechtspersonenbelasting waarvan de activiteit hoofdzakelijk of bijkomstig bestaat uit de productie van elektriciteit met het oog op de verkoop ervan, zijn vanaf het eerste belastbaar tijdperk afgesloten na 31 december 2006 aan de vennootschapsbelasting onderworpen.
Het eerste lid is niet van toepassing voor deze belastingplichtigen :

  1. in het geval van een bijkomstige activiteit bestaande uit de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energieën of bij co-generatie van stoomelektriciteit uit aardgas, ofwel
  2. in het geval van een activiteit bestaande uit de productie van elektriciteit waarbij hoofdzakelijk gebruik wordt gemaakt van een grondstof die afkomstig is van een afvalverwerkingsactiviteit op dezelfde exploitatieplaats.

Voor de toepassing van het tweede lid, wordt er verstaan onder :

  1. "bijkomstige activiteit" : een activiteit van elektriciteitsproductie waarvan de netto-inkomsten, deze uit energetische stimulerende middelen inbegrepen, minder bedragen dan 25 % van de jaarlijkse netto-inkomsten van de belastingplichtige;
  2. "hoofdzakelijk gebruik" : een gebruik, op jaarbasis, van meer dan 75 % in energetische capaciteit.

Art. 39.

De artikelen 34 tot 41 van de wet van 28 december 1990 betreffende verscheidene fiscale en niet-fiscale bepalingen worden opgeheven.


Art. 40. Artikel 35 is van toepassing op de inbrengen verricht vanaf 9 maart 1999.
De Koning regelt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de inwerkingtreding van de artikelen 37 en 39.