Hoofdstuk IV.
Bijzondere bepalingen betreffende gewasbeschermingsmiddelen en biociden.


Art. 8. De Koning kan het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en van biociden onderwerpen aan een voorafgaandelijke erkenning, toelating of registratie verleend door de minister na advies van een orgaan bestaande uit wetenschappelijke en technische deskundigen, waarvan Hij, bij in Ministerraad overlegd besluit, de samenstelling en de werkwijze bepaalt.
De Koning kan de voorwaarden van erkennings-, toelatings- of registratie-aanvraag en haar onderzoek door dit orgaan bepalen. Hij kan eveneens de voorwaarden van toekenning, wijziging, opschorting en intrekking van de erkenning, toelating of registratie bepalen.

Art. 8bis.

§ 1

De Koning stelt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad een risicoreductieprogramma vast dat om de twee en een half jaar geactualiseerd wordt, ter vermindering van het gebruik en het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en biociden, waaraan mens en leefmilieu kunnen worden blootgesteld.

 

Voor de in het vorige lid bedoelde biociden, gewasbeschermingsmiddelen en hun werkzame stoffen wordt er een reductiedoelstelling vastgelegd in de tijd en dit op basis van een grondige inventarisatie van de impact die zij hebben op mens en milieu. Met het oog op de evaluatie van de resultaten van het risicoreductieprogramma omvat deze tevens voor de bedoelde werkzame stoffen een indicator die rekening houdt met leefmilieu- en/of gezondheidsimpact en waarin zowel kwalitatieve als kwantitatieve aspecten worden verwerkt. Het programma kan geen afbreuk doen aan de vereiste eerbiediging van de internationale regelgeving. Een ontwerp van het programma wordt voor advies voorgelegd aan het in artikel 8 bedoelde orgaan.


Het eerste programma zal ten laatste op 31 december 2004 in werking treden.

 

§ 2


Art. 9.

Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk II, kan de Koning, in het belang van de volksgezondheid of de werknemers:

  1. voorwaarden stellen inzake productie, verwerking, samenstelling, verpakking, presentatie, conditionering, hoeveelheid, oorsprong, kwaliteit, doeltreffendheid, verwerving, bezit, bewaring, verrichten van proeven en analyses met, en gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden;
  2. de maximale toegelaten hoeveelheden van residu's van werkzame stoffen bepalen welke de gewasbeschermingsmiddelen en de biociden en hun eventuele omzettingsproducten mogen achterlaten;
  3. de activiteiten van de personen die onder 1° bedoelde handelingen stellen, onderwerpen aan een voorafgaande machtiging of erkenning door de minister en de voorwaarden daartoe bepalen, alsook de voorwaarden waaronder de uitgereikte machtigingen of erkenningen kunnen worden opgeschort of ingetrokken;
  4. de merken, loodjes, verzegelingen, labels, etiketten, getuigschriften, attesten, bordjes, tekens, verpakkingen, benamingen of andere aanwijzingen waaruit het bestaan van de sub 1° bedoelde voorwaarden bewezen of te kennen worden gegeven, bepalen.

De besluiten genomen ter uitvoering van de bepalingen sub 4° worden gezamenlijk voorgedragen door de minister en de ministers tot wier bevoegdheid de Economie en de Middenstand behoren.