Art. 9.

Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk II, kan de Koning, in het belang van de volksgezondheid of de werknemers:

  1. voorwaarden stellen inzake productie, verwerking, samenstelling, verpakking, presentatie, conditionering, hoeveelheid, oorsprong, kwaliteit, doeltreffendheid, verwerving, bezit, bewaring, verrichten van proeven en analyses met, en gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden;
  2. de maximale toegelaten hoeveelheden van residu's van werkzame stoffen bepalen welke de gewasbeschermingsmiddelen en de biociden en hun eventuele omzettingsproducten mogen achterlaten;
  3. de activiteiten van de personen die onder 1 bedoelde handelingen stellen, onderwerpen aan een voorafgaande machtiging of erkenning door de minister en de voorwaarden daartoe bepalen, alsook de voorwaarden waaronder de uitgereikte machtigingen of erkenningen kunnen worden opgeschort of ingetrokken;
  4. de merken, loodjes, verzegelingen, labels, etiketten, getuigschriften, attesten, bordjes, tekens, verpakkingen, benamingen of andere aanwijzingen waaruit het bestaan van de sub 1 bedoelde voorwaarden bewezen of te kennen worden gegeven, bepalen.

De besluiten genomen ter uitvoering van de bepalingen sub 4 worden gezamenlijk voorgedragen door de minister en de ministers tot wier bevoegdheid de Economie en de Middenstand behoren.