Art. 19.

§ 1

Onverminderd de door artikel 6, § 4, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instelingen voorgeschreven betrokkenheid van de Gewestregeringen, onderwerpt de Minister de ontwerpen van koninklijke besluiten ter uitvoering van de artikelen 5, §§ 1 en 2, 9 en 14 van deze wet aan het advies van de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling, de Hoge Gezondheidsraad, de bijzondere raadgevende commissie Verbruik , de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en de Nationale Arbeidsraad voor de aangelegenheden die onder haar bevoegdheid vallen.
De Minister bepaalt in zijn adviesvraag de termijn waarbinnen het advies dient te worden verstrekt. Behoudens waar de noodzaak van een kortere termijn wordt aangetoond is deze termijn drie maanden. Deze termijn mag niet korter zijn dan één maand. Wanneer binnen de in de aanvraag bepaalde termijn geen advies wordt verstrekt, is het advies niet langer vereist.

 

§ 2

Voor besluiten die een loutere omzetting zijn van de minimale bepalingen van harmonisatiemaatregelen genomen op Europees vlak, zijn de raadplegingen vermeld in § 1 niet verplicht, maar volstaat een kennisgeving aan de Raden vermeld in § 1.
Ontwerpen van koninklijke besluiten die invulling geven aan een door de richtlijn voorziene beleidsmarge of die andere elementen bevatten die de omzetting van de richtlijn als zodanig te buiten gaan, dienen echter wel ter advies te worden voorgelegd.