A. Aanduiding van de saneringsplichtige.

Art. 22.

Als de OVAM van oordeel is dat een historische bodemverontreiniging als vermeld in artikel 19, aan een beschrijvend bodemonderzoek of prioritair aan bodemsanering moet worden onderworpen, maant de OVAM de volgende persoon aan tot uitvoering ervan:

1 als op de grond waar de bodemverontreiniging tot stand is gekomen, een inrichting of activiteit gevestigd is die vergunnings- of meldingsplichtig is krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid: de exploitant vermeld in titel V;
2 bij gebrek aan een exploitant, of als de exploitant vrijgesteld is van de verplichting met toepassing van artikel 23, 1: de gebruiker van de grond waar de verontreiniging tot stand is gekomen. Als de exploitant vrijgesteld is van de saneringsplicht voor een deel van de bodemverontreiniging, rust de saneringsplicht van de gebruiker op dat deel van de bodemverontreiniging;
3 bij gebrek aan een exploitant en gebruiker, of als de exploitant en gebruiker vrijgesteld zijn van de verplichting met toepassing van artikel 23, 1: de eigenaar van de grond waar de verontreiniging tot stand is gekomen. Als de exploitant en de gebruiker vrijgesteld zijn van de saneringsplicht voor een deel van de bodemverontreiniging, rust de saneringsplicht van de eigenaar op dat deel van de bodemverontreiniging.


De OVAM kan de termijn bepalen waarin het beschrijvend bodemonderzoek wordt uitgevoerd en het bodemsaneringsproject wordt opgesteld, en waarin het verslag van het beschrijvend bodemonderzoek en het bodemsaneringsproject aan haar wordt bezorgd.


Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslissing van de OVAM, vermeld in het eerste en tweede lid, beroep indienen bij de Vlaamse Regering conform artikel 153 tot en met 155.

In afwijking van het eerste lid rust de verplichting tot bodemsanering van rechtswege op de persoon die door de OVAM is aangemaand om een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren als dat bodemonderzoek een ernstige historische bodemverontreiniging tot stand gekomen op de betreffende grond aantoont, met behoud van de toepassing van de vrijstellingsregeling, vermeld in artikel 23.