Art. 2.

Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:

1° " zeegebieden ": de territoriale zee, de exclusieve economische zone en het continentaal plat, bedoeld in de wet van 13 juni 1969 inzake het continentaal plat van Belgiė

2° " mariene milieu ": de abiotische omgeving van de zeegebieden en de biota, hierin inbegrepen de fauna, de flora en de mariene habitats die zij innemen, alsook de ecologische processen werkzaam binnen dit milieu en de onderlinge wisselwerkingen tussen de abiotische en biotische componenten en de ecosysteemfuncties die zij vervullen

3° " bescherming ": het geheel van maatregelen nodig voor het behoud, de ontwikkeling, het herstel en het duurzaam beheer van het mariene milieu alsook de maatregelen nodig voor het handhaven en herstellen van de kwaliteit van het mariene milieu, met uitsluiting van de maatregelen inzake voorkoming en beperking van verontreiniging die moeten genomen worden bij punt- of diffuse bronnen gelegen op het vasteland

4° " mariene habitat ": een zone in zee met bijzondere geografische, abiotische en biotische kenmerken en die zowel geheel natuurlijk als halfnatuurlijk kan
zijn

5° " verontreiniging ": de rechtstreekse of onrechtstreekse inbrenging door de mens van stoffen en energie in de zeegebieden, die schadelijke gevolgen heeft of naar alle waarschijnlijkheid kan hebben, zoals schade aan de levende rijkdommen van de zee en de mariene ecosystemen, gevaar voor de gezondheid van de mens, belemmering van activiteiten op zee, met inbegrip van het vissen en andere rechtmatige gebruiken van de zee, aantasting van de kwaliteit van het zeewater of vermindering van de recreatieve waarde

6° " schade ": elke beschadiging, verlies of nadeel, geleden door een aanwijsbaar natuurlijk persoon of rechtspersoon, voortvloeiende uit een aantasting van het mariene milieu, wat er ook de oorzaak van is

7° " milieuverstoring ": een nadelige beļnvloeding van het mariene milieu, voor zover deze geen schade uitmaakt

8° " schip ": elk vaartuig, van welk type of omvang ook, dat in het mariene milieu opereert, waaronder onder meer draagvleugelboten, luchtkussenvaartuigen, afzinkbare vaartuigen, drijvende tuigen, alsmede vaste of drijvende platforms

9° " routeringssysteem ": elke maatregel ten aanzien van de scheepvaart met het oog op de verbetering van de navigatie, het verhogen van de verkeersveiligheid of het beschermen van het mariene milieu, uitgezonderd het beloodsen van schepen

10° " scheepvaartongeval " : een aanvaring of stranding van schepen of elk ander scheepvaartvoorval of gebeurtenis aan boord van een schip of daarbuiten, dat kan leiden tot schade of milieuverstoring

11° " scheepseigenaar ": de eigenaar, de bevrachter, de beheerder of de exploitant van een schip

12° " overheid met bevoegdheid op zee ": elke daartoe aangestelde met de scheepvaartcontrole ambtenaar, elke met de politie te water belaste federale politieambtenaar, elke gezagvoerder van een patrouillevaartuig, elke ambtenaar of agent van de Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee, elke daartoe door zijn hiėrarchische overste gemandateerde officier of onderofficier van de Marine, elke ambtenaar van het Directoraat-Generaal Leefmilieu van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu en elke door de minister aangewezen beėdigde ambtenaar

13° " offshore-activiteiten ": activiteiten uitgevoerd in de zeegebieden met het oog op de exploratie, evaluatie of exploitatie van vloeibare of gasvormige koolwaterstoffen

14° " offshore-installatie ": elke kunstmatige structuur, installatie of vaartuig of onderdeel ervan, zowel drijvend als op de zeebodem vastgemaakt, die in de zeegebieden opgesteld is en bedoeld is voor offshore-activiteiten

15° " storten ":
i. het lozen zoals bedoeld in de wet van 6 april 1995 betreffende de voorkoming van verontreiniging door schepen noch het zich overeenkomstig toepasselijke regels van internationaal recht, ontdoen van afval of andere materie gepaard gaande met, of voortvloeiende uit, de normale werking van luchtvaartuigen of offshore-installaties;
ii. het tot zinken brengen of het zich opzettelijk ontdoen in zee van schepen, luchtvaartuigen, offshore-installaties of pijpleidingen;
iii. het in zee achterlaten van offshore-installaties of andere kunstmatige structuren, geheel of gedeeltelijk in situ, met de loutere bedoeling zich ervan te ontdoen;
Onder " storten " wordt niet begrepen:
i. het zich overeenkomstig het MARPOL-Verdrag of andere toepasselijke regels van internationaal recht, ontdoen van afval of andere materie gepaard gaande met, of voortvloeiende uit, de normale werking van schepen, luchtvaartuigen of offshore-installaties;
ii. de plaatsing van materie met een ander doel dan er zich enkel en alleen van te ontdoen, mits deze plaatsing niet strijdig is met het doel van deze wet

16° " verbranding ": elke opzettelijke verbranding van afval of andere materie op zee met de bedoeling deze thermisch te vernietigen;

 

Onder “verbranding” wordt niet begrepen het lozen door verbranden zoals bedoeld in de wet van 6 april 1995 betreffende de voorkoming van verontreiniging door schepen, noch de thermische vernietiging, in overeenstemming met toepasselijke regels van internationaal recht, van afval of andere materie die gepaard gaat met, of voortvloeit uit de normale werking van, luchtvaartuigen of offshore-installaties;

17° " directe lozingen ":
i. de lozingen waarbij stoffen, energie, voorwerpen of verontreinigd water de zeegebieden rechtstreeks vanaf de kust bereiken en niet via het hydrografische net of de atmosfeer;
ii. de lozingen afkomstig van elke bron die verband houdt met een opzettelijke verwijdering onder de zeebodem, toegankelijk gemaakt vanaf het land via tunnels, pijpleidingen of op enige andere manier;
iii. de lozingen afkomstig van kunstmatige structuren die in de zeegebieden staan opgesteld en niet dienen voor offshore-activiteiten

18° " OSPAR-Verdrag ": het Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu van de noordoostelijke Atlantische Oceaan, ondertekend te Parijs op 22 september 1992 en goedgekeurd bij wet van 11 mei 1995

[...]

20° " de minister ": de minister of staatssecretaris tot wiens bevoegdheid de bescherming van het mariene milieu behoort

21° "Gebruiker van beschermde mariene gebieden" : elke natuurlijke persoon of rechtspersoon van privaatrechtelijke of publiekrechtelijke aard, die recreatieve of professionele activiteiten in de beschermde mariene gebieden uitoefent

22° "Gebruikersovereenkomst" : een overeenkomst tussen de minister en de gebruikers van een beschermd marien gebied houdende maatregelen ter bescherming van deze gebieden

23° « ecosysteemfuncties » : de functies die natuurlijke rijkdommen vervullen ten behoeve van andere natuurlijke rijkdommen of het publiek;

24° « exploitant » : een natuurlijke persoon of private of openbare rechtspersoon die een economische activiteit verricht in of met gevolgen voor het mariene milieu in de zeegebieden, ongeacht het al dan niet winstgevend karakter van die activiteit, met uitzondering van de scheepseigenaar;

25° «preventieve maatregelen » : maatregelen naar aanleiding van een gebeurtenis, handeling of nalatigheid waardoor een onmiddellijke dreiging van schade ontstaan is, teneinde die schade te voorkomen of tot een minimum te beperken;

26° « inperkingsmaatregelen » : dringende maatregelen die, na het intreden van de schade, genomen worden om de schade onder controle te houden, in te perken, te verwijderen of anderszins te beheersen;

27° « herstelmaatregelen » : niet-dringende maatregelen, gericht op het herstel, de rehabilitatie of de vervanging van het aangetaste mariene milieu of op het verschaffen van een gelijkwaardig alternatief voor het aangetaste mariene milieu;

28° « onmiddellijke dreiging van schade » : een voldoende waarschijnlijkheid dat zich in de nabije toekomst schade zal voordoen;

29° « natuurlijke rijkdommen » : beschermde soorten en natuurlijke habitats, water en bodem.

30° « Marien ruimtelijk plan » : een plan dat de gewenste ruimtelijke driedimensionale en temporele structuur van de menselijke activiteiten organiseert, op basis van een langetermijnvisie en aan de hand van duidelijke economische, sociale en ecologische doelstellingen. Dit plan is gericht op de coördinatie van beslissingen die een ruimtelijke impact hebben op de zeegebieden en verzekert dat elke belanghebbende bij het proces betrokken wordt.