Hoofdstuk III.
Beschermde mariene gebieden en bescherming van soorten


Afdeling I.
Algemene bepaling


Art. 6.

De Koning kan alle maatregelen nemen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de verplichtingen die met betrekking tot de zeegebieden voortvloeien uit de hierna opgesomde richtlijnen en internationale verdragen:

De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, alle maatregelen nemen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de verplichtingen die met betrekking tot de bescherming van het marien milieu in de zeegebieden voortvloeien uit internationale verdragen en Europese verordeningen of richtlijnen, inzonderheid:
i. de richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand;
ii. de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde fauna en flora;
iii. de Overeenkomst inzake watergebieden die van internationale betekenis zijn, in het bijzonder als woongebied voor watervogels, opgemaakt te Ramsar op 2 februari 1971 en goedgekeurd bij de wet van 22 februari 1979;
iv. het Verdrag inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijk leefmilieu in Europa, opgemaakt te Bern op 19 september 1979 en goedgekeurd bij de wet van 20 april 1989;
v. het Verdrag inzake de bescherming van de trekkende wilde diersoorten, opgemaakt te Bonn op 23 juni 1979 en goedgekeurd bij de wet van 27 april 1990 en de Overeenkomsten gesloten ter uitvoering van artikel 4, lid 3, van het Verdrag;
vi. het Verdrag inzake biologische diversiteit, opgemaakt te Rio de Janeiro op 5 juni 1992 en goedgekeurd bij de wet van 11 mei 1995.
(vii) het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de Zee, gedaan te Montego Bay op 10 december 1982, inzonderheid artikel 303 en deel XI, alsmede de Overeenkomst inzake de tenuitvoerlegging van deel XI van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de Zee van 10 december 1982, gedaan te New-York op 28 juli 1994, beide goedgekeurd bij de wet van 18 juni 1998


Afdeling II.
Beschermde mariene gebieden


Art. 7.

§ 1

In de zeegebieden kan de Koning beschermde mariene gebieden instellen en, overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling, de maatregelen nemen die nodig zijn voor de bescherming ervan.

 

§ 2

De beschermde mariene gebieden kunnen de hoedanigheid aannemen van:

a. integrale mariene reservaten die worden opgericht met het doel er de natuurlijke verschijnselen naar eigen wetten te laten evolueren;
b. gerichte mariene reservaten waarvan een aangepast beheer de bestaande toestand tracht te behouden of te herstellen in de staat die hun ecologische functie hen toewijst;
c. speciale beschermingszones of speciale zones voor natuurbehoud bestemd voor de instandhouding van zekere mariene habitats of bijzondere soorten;
d. gesloten zones, waarin gedurende het jaar of een gedeelte ervan bepaalde activiteiten niet toegelaten zijn;
e. bufferzones die worden aangewezen voor de bijkomende bescherming van beschermde mariene gebieden en waarin de aan de activiteiten gestelde beperkingen minder streng zijn dan in de mariene reservaten.

 

§ 3

De Koning neemt de nodige maatregelen voor het duidelijk afbakenen en, in voorkomend geval, aangeven op de zeekaarten van de beschermde mariene gebieden en voor het informeren van het publiek over de daar geldende beperkingen.

 

§ 4

De maatregelen bedoeld in § 1 zijn niet van toepassing op militaire activiteiten. De militaire overheid stelt evenwel, in overleg met de minister, alles in het werk om schade en milieuverstoring te voorkomen, zonder dat het inzetten en het paraat stellen van de krijgsmacht in het gedrang worden gebracht en rekening houdend met het specifiek statuut van het militaire domein.


Art. 8.

§ 1

In de gerichte en integrale mariene reservaten zijn alle activiteiten verboden, behoudens:
i. toezicht en controle;
ii. monitoring en wetenschappelijk onderzoek door, in opdracht of met toestemming van de overheid;
iii. de scheepvaart, tenzij deze wordt beperkt krachtens artikel 20 van deze wet;
iv. de activiteiten vallend onder artikel 6, § 1, V, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
v. de activiteiten behorend tot de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest zoals bepaald in artikel 6, § 1, X, laatste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
vi. militaire activiteiten, onverminderd de bepalingen van artikel 7, § 4, tweede volzin.

 

§ 2

In afwijking van artikel 8, § 1, kan de Koning in de gerichte mariene reservaten mits grondige motivatie, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, activiteiten toelaten die de bestaande toestand niet in het gedrang brengen.

 

§ 3

In de speciale beschermingszones en speciale zones voor natuurbehoud kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, activiteiten geheel of gedeeltelijk verbieden, behoudens volgende activiteiten :
(i) toezicht en controle;
(ii) monitoring en wetenschappelijk onderzoek door, in opdracht of met toestemming van de overheid;
(iii) de scheepvaart, tenzij deze worden beperkt krachtens artikel 20;
(iv) de activiteiten vallend onder artikel 6, § 1, V, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
(v) de activiteiten behorend tot de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest zoals bepaald in artikel 6, § 1, X, laatste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
(vi) militaire activiteiten, onverminderd de bepalingen van artikel 7, § 4, tweede zin.


Art. 8bis.

§ 1

Voor de beschermde mariene gebieden bedoeld in artikel 7, § 2, kan de minister per beschermd gebied een gebruikersovereenkomst sluiten.

 

§ 2

Een gebruikersovereenkomst voldoet aan de volgende minimumvoorwaarden :
(i) de gebruikersovereenkomst vervangt de geldende wetgeving of reglementering niet en wijkt er niet in minder strenge zin van af;
(ii) de gebruikersovereenkomst is een gepast middel om het beoogde marien gebied te beschermen; (iii) de gebruikersovereenkomst wordt gesloten voor een bepaalde termijn, ten laatste aflopend op de dag dat het overeenstemmend beleidsplan, conform artikel 9 van deze wet, afloopt.
De Koning bepaalt de verdere voorwaarden voor het sluiten van gebruikersovereenkomsten tussen de minister en de gebruikers van de beschermde mariene gebieden.

 

§ 3

De minister kan voor elk beschermd marien gebied een gebruikersovereenkomst sluiten met elke betrokken gebruiker of organisatie van gebruikers van dat beschermd marien gebied, op voorwaarde dat laatstgenoemde aantoont dat zij :
(i) rechtspersoonlijkheid bezit;
(ii) genoeg representatief is voor de gebruikers van de Belgische zeegebieden die tot eenzelfde belangengroep behoren;
(iii) statutair de bevoegdheid heeft om een gebruikersovereenkomst te sluiten of door minstens drie vierden van haar leden hiervoor gemandateerd is.
De Koning bepaalt de regels inzake sluiting, uitvoering en beėindiging van de gebruikersovereenkomst.


Art. 9.

§ 1


Voor de beschermde mariene gebieden bedoeld in artikel 7, § 2, wordt per beschermd marien gebied een beleidsplan opgesteld ter beoordeling van de van toepassing zijnde bescherming.
De Koning stelt de regels vast in verband met de procedure, inhoud, de voorwaarden, termijn en de vorm waaraan deze beleidsplannen dienen te voldoen.

 

§ 2

[...]


Afdeling III.
Bescherming van soorten in de zeegebieden


Art. 10.

§ 1

De Koning stelt een lijst op van beschermde soorten in de zeegebieden. Voor de in het wild levende populaties van deze soorten en voor de daarvan afkomstige specimens geldt een systeem van strikte bescherming, waarbij er een verbod is op :
i. het opzettelijk vangen, verwonden of doden van de dieren, onder voorbehoud van de in artikel 14 voorziene bijzondere gevallen;
ii. het opzettelijk verstoren van de dieren, in het bijzonder tijdens de periodes van voortplanting, afhankelijkheid van de jongen, overwintering en trek;
iii. de beschadiging of de vernieling van de voortplantings- of rustplaatsen van de dieren;
iv. het opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van de planten;
v. het in bezit hebben en vervoeren, behoudens de in artikel 14 vermelde gevallen en de gevallen vermeld in de wet van 28 juli 1981 houdende goedkeuring van de Overeenkomst van Washington van 3 maart 1973 inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten en in de Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van de
Europese Unie van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door de controle op het desbetreffende handelsverkeer
;
vi. het verhandelen of ruilen en het te koop of in ruil aanbieden, behoudens de bepalingen van de wet van 28 juli 1981 houdende goedkeuring van de Overeenkomst van Washington van 3 maart 1973 inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten en van de Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van de Europese Unie van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door de controle op het desbetreffende handelsverkeer.

 

§ 2

De Koning kan, enkel in uitzonderlijke gevallen, een afwijking op de verbodsbepalingen in § 1 toestaan ten behoeve van de volksgezondheid, het wetenschappelijk onderzoek, het onderwijs, de herbevolking of de herintroductie van deze soorten. De Koning werkt daarbij de procedure uit voor het aanvragen en toekennen van de afwijkingen. De aanvraag dient gemotiveerd te zijn en het toekennen van een afwijking kan slechts gebeuren na gunstig wetenschappelijk advies van wetenschappelijke instellingen met expertise inzake natuurbehoud.


Art. 11.

§ 1

De opzettelijke introductie van niet-inheemse organismen in de zeegebieden is verboden, tenzij een vergunning wordt verleend door de Koning.
Een vergunning kan maar worden verleend na onderzoek van de gevolgen van de introductie in het mariene milieu van de bedoelde organismen op de inheemse biota en levensgemeenschappen en de verspreidingsrisico's in aangrenzende gebieden. De introductie mag geen invloed hebben op de plaatselijke biota.
De Koning bepaalt de procedure voor het aanvragen en het toekennen van de vergunning.

 

§ 2

De onopzettelijke introductie van niet-inheemse organismen in de zeegebieden via het ballastwater van schepen kan door de Koning worden verboden.

 

§ 3

Indien de bescherming van de inheemse biota het vereist, kan de Koning, na advies van de bevoegde wetenschappelijke instelling, alle maatregelen nemen om niet-inheemse organismen die onvrijwillig of in overtreding van deze wet in de zeegebieden werden geļntroduceerd, te bestrijden of te verwijderen.

 

§ 4

De opzettelijke introductie in de zeegebieden van genetisch gemodificeerde organismen, al dan niet inheems, is verboden.


Art. 12.

§ 1

De jacht op vogels en zeezoogdieren is verboden in de zeegebieden.

 

§ 2

De Koning kan op voordracht van de minister , maatregelen nemen om de sportvisserij te beperken in de zeegebieden.


Art. 13. Elk levend en niet gewond dier, behorende tot de groep van de Cetacea en Pinnipedia dat onopzettelijk wordt gevangen in de zeegebieden, onder meer als bijvangst, moet onmiddellijk worden vrijgelaten. De Koning voert een meldingsplicht in inzake de onopzettelijke vangst van zeezoogdieren en regelt de procedure voor de melding.

Art. 14. Gewonde of dode zeezoogdieren die gevangen zijn als bijvangst en de zeezoogdieren die in nood, gewond, ziek of dood zijn en in de zeegebieden gevonden worden of gestrand zijn in de territoriale zee, maken het voorwerp uit van een opvangprocedure en van maatregelen, die door de Koning bepaald worden met als doel de hulp, de verzorging en het wetenschappelijk onderzoek van die dieren mogelijk te maken.