Afdeling III.
Bescherming van soorten in de zeegebieden


Art. 10.

§ 1

De Koning stelt een lijst op van beschermde soorten in de zeegebieden. Voor de in het wild levende populaties van deze soorten en voor de daarvan afkomstige specimens geldt een systeem van strikte bescherming, waarbij er een verbod is op :
i. het opzettelijk vangen, verwonden of doden van de dieren, onder voorbehoud van de in artikel 14 voorziene bijzondere gevallen;
ii. het opzettelijk verstoren van de dieren, in het bijzonder tijdens de periodes van voortplanting, afhankelijkheid van de jongen, overwintering en trek;
iii. de beschadiging of de vernieling van de voortplantings- of rustplaatsen van de dieren;
iv. het opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van de planten;
v. het in bezit hebben en vervoeren, behoudens de in artikel 14 vermelde gevallen en de gevallen vermeld in de wet van 28 juli 1981 houdende goedkeuring van de Overeenkomst van Washington van 3 maart 1973 inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten en in de Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van de
Europese Unie van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door de controle op het desbetreffende handelsverkeer
;
vi. het verhandelen of ruilen en het te koop of in ruil aanbieden, behoudens de bepalingen van de wet van 28 juli 1981 houdende goedkeuring van de Overeenkomst van Washington van 3 maart 1973 inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten en van de Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van de Europese Unie van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door de controle op het desbetreffende handelsverkeer.

 

§ 2

De Koning kan, enkel in uitzonderlijke gevallen, een afwijking op de verbodsbepalingen in § 1 toestaan ten behoeve van de volksgezondheid, het wetenschappelijk onderzoek, het onderwijs, de herbevolking of de herintroductie van deze soorten. De Koning werkt daarbij de procedure uit voor het aanvragen en toekennen van de afwijkingen. De aanvraag dient gemotiveerd te zijn en het toekennen van een afwijking kan slechts gebeuren na gunstig wetenschappelijk advies van wetenschappelijke instellingen met expertise inzake natuurbehoud.


Art. 11.

§ 1

De opzettelijke introductie van niet-inheemse organismen in de zeegebieden is verboden, tenzij een vergunning wordt verleend door de Koning.
Een vergunning kan maar worden verleend na onderzoek van de gevolgen van de introductie in het mariene milieu van de bedoelde organismen op de inheemse biota en levensgemeenschappen en de verspreidingsrisico's in aangrenzende gebieden. De introductie mag geen invloed hebben op de plaatselijke biota.
De Koning bepaalt de procedure voor het aanvragen en het toekennen van de vergunning.

 

§ 2

De onopzettelijke introductie van niet-inheemse organismen in de zeegebieden via het ballastwater van schepen kan door de Koning worden verboden.

 

§ 3

Indien de bescherming van de inheemse biota het vereist, kan de Koning, na advies van de bevoegde wetenschappelijke instelling, alle maatregelen nemen om niet-inheemse organismen die onvrijwillig of in overtreding van deze wet in de zeegebieden werden geļntroduceerd, te bestrijden of te verwijderen.

 

§ 4

De opzettelijke introductie in de zeegebieden van genetisch gemodificeerde organismen, al dan niet inheems, is verboden.


Art. 12.

§ 1

De jacht op vogels en zeezoogdieren is verboden in de zeegebieden.

 

§ 2

De Koning kan op voordracht van de minister , maatregelen nemen om de sportvisserij te beperken in de zeegebieden.


Art. 13. Elk levend en niet gewond dier, behorende tot de groep van de Cetacea en Pinnipedia dat onopzettelijk wordt gevangen in de zeegebieden, onder meer als bijvangst, moet onmiddellijk worden vrijgelaten. De Koning voert een meldingsplicht in inzake de onopzettelijke vangst van zeezoogdieren en regelt de procedure voor de melding.

Art. 14. Gewonde of dode zeezoogdieren die gevangen zijn als bijvangst en de zeezoogdieren die in nood, gewond, ziek of dood zijn en in de zeegebieden gevonden worden of gestrand zijn in de territoriale zee, maken het voorwerp uit van een opvangprocedure en van maatregelen, die door de Koning bepaald worden met als doel de hulp, de verzorging en het wetenschappelijk onderzoek van die dieren mogelijk te maken.