Art. 11.

§ 1

De opzettelijke introductie van niet-inheemse organismen in de zeegebieden is verboden, tenzij een vergunning wordt verleend door de Koning.
Een vergunning kan maar worden verleend na onderzoek van de gevolgen van de introductie in het mariene milieu van de bedoelde organismen op de inheemse biota en levensgemeenschappen en de verspreidingsrisico's in aangrenzende gebieden. De introductie mag geen invloed hebben op de plaatselijke biota.
De Koning bepaalt de procedure voor het aanvragen en het toekennen van de vergunning.

 

§ 2

De onopzettelijke introductie van niet-inheemse organismen in de zeegebieden via het ballastwater van schepen kan door de Koning worden verboden.

 

§ 3

Indien de bescherming van de inheemse biota het vereist, kan de Koning, na advies van de bevoegde wetenschappelijke instelling, alle maatregelen nemen om niet-inheemse organismen die onvrijwillig of in overtreding van deze wet in de zeegebieden werden geļntroduceerd, te bestrijden of te verwijderen.

 

§ 4

De opzettelijke introductie in de zeegebieden van genetisch gemodificeerde organismen, al dan niet inheems, is verboden.