Hoofdstuk IV.
Voorkoming en beperking van verontreiniging en milieuverstoring


Art. 15.

§ 1

De verbranding in de zeegebieden is verboden.

 

§ 2

De verbranding op zee, buiten de zeegebieden, is eveneens verboden voor Belgische onderdanen en schepen onder Belgische vlag of in België geregistreerd.


Art. 16.

§ 1

Het storten in de zeegebieden is verboden.

 

§ 2

Het storten in zee, buiten de zeegebieden, is eveneens verboden voor Belgische onderdanen en schepen onder Belgische vlag of in België geregistreerd.

 

§ 3

Het verbod is niet van toepassing voor het storten van:
i. as van verbrande menselijke lijken;
ii. de niet-verwerkte vis, visafval en bijvangst overboord gezet door vissersvaartuigen;
iii. baggerspecie;
iv. inerte materialen van natuurlijke oorsprong, bestaande uit vast, chemisch onbehandeld geologisch materiaal, waarvan de chemische bestanddelen niet in het mariene milieu vrijkomen.


Art. 17. Directe lozingen in de zeegebieden zijn verboden.

Art. 18. Onverminderd het samenwerkingsakkoord van 12 juni 1990 tussen de Belgische Staat en het Vlaamse Gewest ter vrijwaring van de Noordzee van nadelige milieueffecten ingevolge baggerspecielossingen in de wateren die vallen onder de toepassing van het OSPAR-Verdrag, is het storten van baggerspecie en inerte materialen van natuurlijke oorsprong onderworpen aan een machtiging. De Koning bepaalt de nadere regels inzake de voorafgaande aanvraag tot het bekomen van een machtiging alsook de voorwaarden waarin deze machtiging kan worden bekomen geschorst of ingetrokken.

Art. 19. De Koning stelt de bijzondere regels vast met betrekking tot de normale exploitatielozingen bij offshore-activiteiten.