Hoofdstuk V.
Het voorkomen en beperken van verontreiniging veroorzaakt door schepen en exploitanten


Afdeling I.
Routeringssystemen ter voorkoming van verontreiniging en ter vrijwaring van de beschermde mariene gebieden


Art. 20.

§ 1


De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bijzondere routeringssystemen verplicht stellen ter voorkoming van verontreiniging of ter vrijwaring van de beschermde mariene gebieden.

 

§ 2

De instelling van beschermde mariene gebieden in de territoriale zee mag niet tot gevolg hebben dat aan vreemde schepen het recht van onschuldige doorvaart door de territoriale zee wordt ontzegd of aangetast.

 

§ 3

Beschermde mariene gebieden, die geheel of gedeeltelijk zijn gelegen in de exclusieve economische zone, worden medegedeeld aan de Internationale Maritieme Organisatie. De maatregelen ter bescherming van deze gebieden kunnen slechts worden opgelegd aan vreemde schepen nadat de Internationale Maritieme Organisatie ermee heeft ingestemd.

 

§ 4

Bijzondere routeringssystemen kunnen worden opgelegd aan bepaalde categorieėn van schepen, wegens de intrinsiek gevaarlijke of schadelijke stoffen of materialen die ze vervoeren, voor zover deze routeringsmaatregelen de veiligheid van deze schepen niet in het gedrang brengen. Deze systemen kunnen slechts worden opgelegd nadat de Internationale Maritieme Organisatie ermee heeft ingestemd.

 

§ 5

Bijzondere routeringssystemen mogen in geen geval aanleiding geven tot het uitvaardigen van normen inzake het ontwerp, de constructie, de bemanning of uitrusting van schepen, die strengere verplichtingen opleggen dan de binnen de Internationale Maritieme Organisatie internationaal aanvaarde normen.

 

§ 6

Bijzondere routeringssystemen vastgesteld ter uitvoering van deze wet, zijn niet van toepassing op oorlogsschepen en marine hulpschepen, in de mate dat zij het inzetten en het paraat stellen van de krijgsmacht in het gedrang brengen.


Afdeling II.
Scheepvaartongevallen, het voorkomen en inperken van verontreiniging en schade en het optreden van de overheid met bevoegdheid op zee


Art. 21.

§ 1

De kapitein van een schip dat betrokken is bij een scheepvaartongeval in de zeegebieden, of bij diens ontstentenis de scheepseigenaar, dient dit onverwijld te melden aan de door de Koning aangewezen instantie volgens de modaliteiten voorzien in artikel 11 van de wet van 6 april 1995 betreffende de voorkoming van de verontreiniging van de zee door schepen. De kapitein of de scheepseigenaar treft elke redelijke preventieve maatregel of inperkingsmaatregel.

 

§ 2

De kapitein is verplicht alle in verband met het ongeval gevraagde gegevens terstond te verstrekken en desgevraagd onmiddellijk alle informatie te verschaffen over de maatregelen die door het schip in verband met het ongeval reeds zijn genomen.

 

§ 3

Deze meldingsplicht geldt niet voor oorlogsschepen, schepen in gebruik als marine-hulpschepen en andere schepen in eigendom van of in beheer bij een Staat die deze uitsluitend voor andere dan handelsdoeleinden gebruikt. Voor deze schepen blijft de interne reglementering van toepassing.


Art. 22.

§ 1

Indien bij een scheepvaartongeval de overheid met bevoegdheid op zee oordeelt dat de door de kapitein of scheepseigenaar genomen maatregelen de verontreiniging of het risico op verontreiniging niet voorkomen, in onvoldoende mate beperken of niet ongedaan maken, kan zij aan de kapitein, de scheepseigenaar of diegenen die hulp verlenen aan het desbetreffende schip, instructies geven tot het nemen van preventieve maatregelen of inperkingsmaatregelen tot het voorkomen, beperken of ongedaan maken van de Verontreiniging of het risico op verontreiniging veroorzaakt door het ongeval.

 

§ 2

De aan de kapitein of de scheepseigenaar te geven instructies kunnen betrekking hebben op:
i. de aanwezigheid op een bepaalde plaats of in een bepaald gebied van het schip en de zaken die zich aan boord daarvan bevinden;
ii. het verplaatsen van het schip en de zaken die zich aan boord daarvan bevinden;
iii. het verlenen van hulp aan het schip.

 

§ 3

De instructies aan diegenen die hulp verlenen aan het schip kunnen geen verbod tot het uitvoeren van de overeengekomen hulpverlening of het voortzetten van de reeds aangevangen hulpverlening inhouden.


Art. 23.

§ 1

Indien de instructies in uitvoering van artikel 22 van deze wet niet tot gevolg hebben dat verontreiniging door het ongeval kan worden voorkomen, in voldoende mate worden beperkt of ongedaan worden gemaakt, kan de overheid met bevoegdheid op zee ambtshalve alle nodige preventieve maatregelen of inperkingsmaatregelen nemen tot het voorkomen, beperken of ongedaan maken van de schadelijke gevolgen van het ongeval.
Deze maatregelen kunnen onder meer tot doel hebben :
(i) het verrichten van onderzoek naar de toestand aan boord van het schip en de aard en toestand van de zaken die zich aan boord bevinden;
(ii) het brengen van het schip naar een haven, indien daardoor de schadelijke gevolgen beter kunnen worden voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt.

 

§ 2

De maatregelen moeten evenredig zijn met de schadelijke of mogelijke schadelijke gevolgen van het scheepvaartongeval en mogen niet verder gaan dan redelijkerwijs noodzakelijk om die schadelijke gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken.

 

§ 3

De scheepseigenaar draagt de kosten voor de overeenkomstig deze afdeling genomen preventieve maatregelen en inperkingsmaatregelen. De Koning bepaalt de regels en de procedures voor het vaststellen en verhalen op de scheepseigenaar van de kosten voor de overeenkomstig deze afdeling genomen preventieve maatregelen en inperkingsmaatregelen.


Art. 24.

§ 1

De overheid met bevoegdheid op zee kan eisen dat de scheepseigenaar, betrokken bij een scheepvaartongeval met risico's voor verontreiniging in de zeegebieden, een borgsom in de Deposito- en Consignatiekas stort, ten belope van het maximum van de mogelijke aansprakelijkheidslimieten, zoals vastgelegd in internationale verdragen en in de Belgische wetgeving.

 

§ 2

Het storten van deze som kan zonder kosten voor de Staat worden vervangen door een bankgarantie verleend door een in Belgiė gevestigde bank of een door de overheid met bevoegdheid op zee ontvankelijk verklaarde garantie getekend door een " Protection and Indemnity Club ".

 

§ 3

Bij weigering tot het storten van een borgsom of het verstrekken van een bankgarantie kan de overheid overgaan tot het vasthouden van het schip.

 

§ 4

Indien het schip is gezonken, kan de bevoegde rechtbank worden verzocht de borgsom of bankgarantie af te dwingen door in de Belgische havens beslag te leggen op andere schepen van de scheepseigenaar, totdat de borgsom is gestort of totdat aan de garantie is voldaan.


Afdeling III.
Exploitanten, het voorkomen en inperken van verontreiniging en schade, en het optreden van de overheid met bevoegdheid op zee.


Art. 24bis.

§ 1

Ingeval van verontreiniging of schade in de zeegebieden :

meldt de exploitant dit onverwijld aan de door de Koning aangewezen instantie, volgens de door de Koning bepaalde procedure;
treft de exploitant elke redelijke preventieve maatregel of inperkingsmaatregel.

 

§ 2

Op elk moment kan de overheid met bevoegdheid op zee :

de exploitant verplichten aanvullende informatie te verstrekken over de verontreiniging of de schade;
de exploitant verplichten preventieve maatregelen of inperkingsmaatregelen te nemen;
de exploitant verplichten instructies te volgen voor het nemen van preventieve maatregelen of inperkingsmaatregelen;
zelf preventieve maatregelen of inperkingsmaatregelen nemen.

 

§ 3

De exploitant draagt de kosten voor de overeenkomstig deze afdeling genomen preventieve maatregelen en inperkingsmaatregelen. De Koning bepaalt de regels en de procedures voor het vaststellen en verhalen op de exploitant van de kosten voor de overeenkomstig deze afdeling genomen preventieve maatregelen en inperkingsmaatregelen.


Art. 24ter.

§ 1

De overheid met bevoegdheid op zee kan eisen dat de exploitant, betrokken bij een gebeurtenis met risico's op verontreiniging van de zeegebieden, een borgsom in de Deposito- en Consignatiekas stort, ten belope van het maximum van de mogelijke aansprakelijkheidslimieten, zoals vastgelegd in internationale verdragen en in de Belgische wetgeving.

 

§ 2

Het storten van deze som kan zonder kosten voor de Staat worden vervangen door een bankgarantie verleend door een in Belgiė gevestigde bank of een door de overheid met bevoegdheid op zee ontvankelijk verklaarde garantie getekend door een « Protection and Indemnity Club ».

 

§ 3

Bij weigering tot het storten van een borgsom of het verstrekken van een bankgarantie kan de overheid overgaan tot het opschorten of intrekken van de vergunning voor de activiteiten van de exploitant.