Afdeling I.
Routeringssystemen ter voorkoming van verontreiniging en ter vrijwaring van de beschermde mariene gebieden


Art. 20.

§ 1


De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bijzondere routeringssystemen verplicht stellen ter voorkoming van verontreiniging of ter vrijwaring van de beschermde mariene gebieden.

 

§ 2

De instelling van beschermde mariene gebieden in de territoriale zee mag niet tot gevolg hebben dat aan vreemde schepen het recht van onschuldige doorvaart door de territoriale zee wordt ontzegd of aangetast.

 

§ 3

Beschermde mariene gebieden, die geheel of gedeeltelijk zijn gelegen in de exclusieve economische zone, worden medegedeeld aan de Internationale Maritieme Organisatie. De maatregelen ter bescherming van deze gebieden kunnen slechts worden opgelegd aan vreemde schepen nadat de Internationale Maritieme Organisatie ermee heeft ingestemd.

 

§ 4

Bijzondere routeringssystemen kunnen worden opgelegd aan bepaalde categorieėn van schepen, wegens de intrinsiek gevaarlijke of schadelijke stoffen of materialen die ze vervoeren, voor zover deze routeringsmaatregelen de veiligheid van deze schepen niet in het gedrang brengen. Deze systemen kunnen slechts worden opgelegd nadat de Internationale Maritieme Organisatie ermee heeft ingestemd.

 

§ 5

Bijzondere routeringssystemen mogen in geen geval aanleiding geven tot het uitvaardigen van normen inzake het ontwerp, de constructie, de bemanning of uitrusting van schepen, die strengere verplichtingen opleggen dan de binnen de Internationale Maritieme Organisatie internationaal aanvaarde normen.

 

§ 6

Bijzondere routeringssystemen vastgesteld ter uitvoering van deze wet, zijn niet van toepassing op oorlogsschepen en marine hulpschepen, in de mate dat zij het inzetten en het paraat stellen van de krijgsmacht in het gedrang brengen.