Hoofdstuk VIII.
Noodmaatregelen ter vrijwaring en bescherming van het mariene milieu


Art. 31.

§ 1

Bij een ernstig en dreigend gevaar voor aantasting, hinder of verstoring van het mariene milieu, mag de overheid met bevoegdheid op zee overgaan tot het voorstellen van de noodzakelijke opvorderingen, volgens de wijze die zij het meest geschikt acht. Zij stelt de bevoegde ministers en de gouverneur van de provincie waar de opvorderingen plaatsvinden, hiervan onmiddellijk in kennis.

 

§ 2

De gouverneur neemt alle opvorderingsmaatregelen die hij nodig acht, stelt de minister die de Binnenlandse Zaken tot zijn bevoegdheid heeft, ervan in kennis en waakt erover dat onmiddellijk gevolg wordt gegeven aan deze maatregelen, desnoods door een beroep te doen op de openbare macht.

 

§ 3

De krachtens § 2 genomen maatregelen houden op uitwerking te hebben tien dagen nadat ze genomen zijn, tenzij ze binnen die termijn zijn bekrachtigd door de minister die de Binnenlandse Zaken in zijn bevoegdheid heeft. De betrokkenen hebben het recht om vooraf gehoord te worden.

 

§ 4

De opvorderingsmaatregelen genomen bij toepassing van dit artikel worden vergoed volgens de door de Koning bepaalde regels.


Art. 32.

§ 1

De overheid met bevoegdheid op zee neemt ambtshalve de nodige noodmaatregelen op zee ter bescherming en ter vrijwaring van het mariene milieu van de zeegebieden tegen de mogelijke gevolgen van een verontreiniging of om het hoofd te bieden aan een dreigende verontreiniging. Zij kan daartoe een beroep doen op hulpverleners en experten.

 

§ 2

De minister, de minister tot wiens bevoegdheid de Binnenlandse Zaken behoort, de minister tot wiens bevoegdheid het Wetenschapsbeleid behoort, de minister tot wiens bevoegdheid Landsverdediging behoort en de minister tot wiens bevoegdheid de Scheepvaart behoort, stellen gezamenlijk operationele interventieplannen op ter voorkoming, vrijwaring, bescherming en bestrijding om het hoofd te kunnen bieden aan een verontreiniging of een dreigende verontreiniging van de zeegebieden. In deze plannen wordt bepaald welke overheid
verantwoordelijk is voor de coördinatie van de interventies.

 

§ 3

Wanneer de overheid met bevoegdheid op zee de doeltreffendheid van de operationele plannen in reële oefeningen test, zijn de bepalingen van artikel 36 in voorkomend geval van toepassing.


Art. 33. Wanneer de overheid tussenkomt in de zeegebieden ter voorkoming, vermindering of bestrijding van verontreiniging, handelt zij op een zodanige wijze dat geen schade of risico's, rechtstreeks of onrechtstreeks, worden overgebracht van één gebied naar een ander gebied en dat één soort verontreiniging niet wordt omgezet in een andere soort verontreiniging.

Art. 34. De overheid met bevoegdheid op zee kan het voorstel aanvaarden van de veroorzaker van een verontreiniging om zijn eigen interventiemiddelen te ontplooien teneinde het hoofd te bieden aan de verontreiniging of de effecten ervan te verminderen of te voorkomen. In dit geval, geeft zij geval per geval de toestemming voor het gebruik van de voorgestelde interventiemethodes. De overheid met bevoegdheid op zee blijft belast met de coördinatie van de interventie ter plaatse en houdt toezicht op de operaties. Haar beslissing ontslaat de veroorzaker van een verontreiniging niet van zijn aansprakelijkheid inzake de vergoeding van de kosten van de veroorzaakte schade.

Art. 35. Elke natuurlijke of rechtspersoon die een verontreiniging veroorzaakt waardoor de zeegebieden worden bedreigd of aangetast, of die een voorval heeft veroorzaakt met een ernstig risico op een dergelijke verontreiniging, werkt samen met de overheid om er het hoofd aan te bieden en om er de schade van te herstellen. Deze personen schikken zich naar de instructies van de overheid, belast met de coördinatie van deze interventies.

Art. 36.

§ 1

Geen enkel chemisch product mag, met het oog op de bestrijding van een verontreiniging, in zee worden geloosd of verspreid, en geen enkel voorwerp mag er na gebruik worden achtergelaten, zonder de toestemming van de daartoe door de minister gemachtigde overheid. Deze toestemming wordt geval per geval verleend en er kunnen voorwaarden aan verbonden worden.

 

§ 2

Om een verontreiniging door koolwaterstoffen te bestrijden, worden prioritair en in hoofdzaak mechanische middelen ingezet. Het gebruik van koolwaterstofdispersanten of andere chemische producten kan slechts worden toegestaan wanneer het onderzoek van de omstandigheden laat vermoeden dat de chemische behandeling een globale vermindering van de vooropgestelde nadelige effecten van de betrokken verontreiniging op het mariene milieu met zich zal meebrengen, ten opzichte van de natuurlijke processen en de andere bestrijdingsmethoden. In dat geval moet de hoeveelheid dispersant of ander product onder de 20 % van het te behandelen koolwaterstofvolume blijven en mag in geen geval 100 ton per verontreinigingsincident overschrijden.

 

§ 3

In zijn keuze van de meest aangewezen bestrijdingsmiddelen houdt de in § 1 bedoelde overheid rekening met de terzake opgebouwde ervaring van de bevoegde nternationale organisaties en in het kader van verdragen.

 

§ 4

De overheid die, op de plaats van de verontreiniging, belast werd met de coördinatie van de interventie, moet erover waken dat de bepalingen van § 1 worden nageleefd.