Art. 31.

1

Bij een ernstig en dreigend gevaar voor aantasting, hinder of verstoring van het mariene milieu, mag de overheid met bevoegdheid op zee overgaan tot het voorstellen van de noodzakelijke opvorderingen, volgens de wijze die zij het meest geschikt acht. Zij stelt de bevoegde ministers en de gouverneur van de provincie waar de opvorderingen plaatsvinden, hiervan onmiddellijk in kennis.

2

De gouverneur neemt alle opvorderingsmaatregelen die hij nodig acht, stelt de minister die de Binnenlandse Zaken tot zijn bevoegdheid heeft, ervan in kennis en waakt erover dat onmiddellijk gevolg wordt gegeven aan deze maatregelen, desnoods door een beroep te doen op de openbare macht.

3

De krachtens 2 genomen maatregelen houden op uitwerking te hebben tien dagen nadat ze genomen zijn, tenzij ze binnen die termijn zijn bekrachtigd door de minister die de Binnenlandse Zaken in zijn bevoegdheid heeft. De betrokkenen hebben het recht om vooraf gehoord te worden.

4

De opvorderingsmaatregelen genomen bij toepassing van dit artikel worden vergoed volgens de door de Koning bepaalde regels.