Art. 43.

Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van de gerechtelijke politie, worden inbreuken op de bepalingen van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan, opgespoord en vastgesteld door de volgende personen:

1. de waterschouten en de ambtenaren en agenten van de Zeevaartpolitie;
2. de gezagvoerders en hun aangestelden van de patrouillevaartuigen en vliegtuigen van de Staat;
3. de ambtenaren en agenten van het ministerie van Economische Zaken, aangeduid door de minister tot wiens bevoegdheid de Economische Zaken behoren;
4. de ambtenaren en agenten van de Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee en de ambtenaren van het Directoraat-Generaal Leefmilieu van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu;
5. de daartoe door hun hiŽrarchie gemandateerde officieren en onderofficieren van de Marine;
6. de ambtenaren van de dienst Zeevisserij van het ministerie van Middenstand en Landbouw, aangeduid door de minister tot wiens bevoegdheid de Landbouw behoort, voor zover de inbreuken betrekking hebben op de visserij;
7. de beŽdigde agenten aangeduid door de minister voor het toezicht op de beschermde mariene gebieden, opgericht krachtens artikel 7 van deze wet.


Onverminderd de op de onder het eerste lid bedoelde ambtenaren toepasselijke regelgeving, kunnen deze ambtenaren door de Koning, voor de toepassing van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, bekleed worden met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie.