Art. 31.

[...]

 

§ 1.

Voor de volgende risicogronden waarop volgens de informatie in het grondeninformatieregister nog geen oriënterend bodemonderzoek is uitgevoerd, moet op initiatief en op kosten van de volgende personen een oriënterend bodemonderzoek worden uitgevoerd:

risicogronden waarop een of meer risico-inrichtingen, aangeduid in bijlage 1 van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 met kenletter ‘O’, worden geëxploiteerd met aanvang van de exploitatie vóór 29 oktober 1995: de exploitant van de risico-inrichting;
risicogronden waarop een of meer risico-inrichtingen, vermeld in bijlage 1 van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, werden geëxploiteerd met aanvang van de exploitatie vóór 29 oktober 1995: de eigenaar van de risicogrond.


De bodemsaneringsdeskundige onder wiens leiding het oriënterend bodemonderzoek werd uitgevoerd, dient het verslag in bij de OVAM.

 

§ 2.

Het oriënterend bodemonderzoek moet worden uitgevoerd en het verslag ervan bij de OVAM worden ingediend voor het volgende tijdstip:

voor de risicogronden, vermeld in paragraaf 1, 1°: vóór 31 januari 2027;
voor de risicogronden, vermeld in paragraaf 1, 2°:
  a) als het gaat om een of meer risico-inrichtingen waarvan minstens één met kenletter ‘B’: vóór 31 december 2021;
  b) als het gaat om een risico-inrichting met kenletter ‘A’, meerdere risico-inrichtingen met allemaal kenletter ‘A’ of meerdere risico-inrichtingen waarvan minstens één met kenletter ‘A’ en geen enkele met kenletter ‘B’: vóór 31 december 2023;
  c) als het gaat om een risico-inrichting met kenletter ‘O’ of meerdere risico-inrichtingen met allemaal kenletter ‘O’: vóór 31 januari 2027.

 

§ 3.

De eigenaar is niet verplicht om het oriënterend bodemonderzoek uit te voeren als de OVAM op basis van het dossier van de grond of het gemotiveerd standpunt van de eigenaar van oordeel is dat cumulatief voldaan is aan de volgende voorwaarden:

de eigenaar heeft de risico-inrichtingen niet zelf geëxploiteerd;
de risico-inrichtingen werden op de grond geëxploiteerd voor hij eigenaar werd van de grond;
sinds de verwerving heeft de eigenaar de grond alleen aangewend voor particulier gebruik;
als de eigenaar het eigendomsrecht op de risicogrond door vererving heeft verworven: in hoofde van de erflater is voldaan aan de vrijstellingsvoorwaarden, vermeld in punt 1° tot en met 3°.

 

De eigenaar dient zijn aanvraag tot vrijstelling van de plicht tot het uitvoeren van het oriënterend bodemonderzoek met gemotiveerd standpunt in bij de OVAM. Dit kan op elk tijdstip, maar moet op straffe van niet-ontvankelijkheid van de aanvraag gebeuren uiterlijk binnen een termijn van negentig dagen na ontvangst van de brief waarin de OVAM de eigenaar wijst op zijn zelfstandige verplichting om het oriënterend bodemonderzoek uit te voeren. De OVAM onderzoekt het gemotiveerd standpunt van de ontvankelijke aanvraag en oordeelt of de eigenaar voldoet aan de vrijstellingsvoorwaarden. De OVAM stelt de eigenaar in kennis van haar beslissing binnen een termijn van negentig dagen na ontvangst van de aanvraag.


Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslissing van de OVAM beroep indienen bij de Vlaamse Regering conform artikel 153 tot en met 155.

 

§ 4.

Als de eigenaar van de risicogrond vrijstelling van de bodemonderzoeksplicht heeft verkregen, gaat die vrijstelling op het moment van de overdracht van de grond van rechtswege over op de verwerver als die de risico-inrichtingen niet zelf heeft geëxploiteerd op de grond.