Art. 59.

§ 1

De rechtbank beveelt, op vordering van de minister, de verwijdering van de voorwerpen, inrichtingen of bouwwerken die in de zeegebieden werden geplaatst in overtreding op deze wet, en het herstel in de oorspronkelijke staat. De rechtbank bepaalt daarvoor een termijn die één jaar niet mag overschrijden.
De rechten van de burgerlijke partij zijn ingeval van rechtstreeks herstel beperkt tot de door de minister gekozen wijze van herstel, onverminderd het recht om vergoeding voor schade te eisen van de veroordeelde.

 

§ 2

Voor het geval dat de plaats niet in de vorige staat wordt hersteld, beveelt het vonnis dat de minister en eventueel de burgerlijke partij van ambtswege in de uitvoering ervan kunnen voorzien. De overheid of natuurlijke persoon die het vonnis uitvoert, is gerechtigd de van de herstelling van de plaats afkomende materialen en voorwerpen te verkopen, te vervoeren, op te slaan en te vernietigen. De veroordeelde is gehouden alle uitvoeringskosten, verminderd met de opbrengst van de verkoop van de materialen en voorwerpen, te vergoeden op vertoon van een staat, begroot en invorderbaar verklaard door de beslagrechter.

 

§ 3

De §§ 1 en 2 zijn niet van toepassing bij gezonken schepen, scheepstuig en scheepslading ingevolge scheepvaartongevallen, zoals bedoeld in Hoofdstuk V van de wet van 11 april 1989 houdende goedkeuring en uitvoering van diverse internationale akten inzake scheepvaart.