Hoofdstuk XII.
Wijzigingsbepalingen


Art. 61.

§ 1

In artikel 1 van de wet van 6 april 1995 betreffende de voorkoming van de verontreiniging door schepen wordt het punt 4° als volgt gewijzigd:
" 4° " Schip " : elk vaartuig, van welk type ook, dat in het mariene milieu opereert waaronder begrepen pleziervaartuigen, draagvleugelboten, luchtkussenvaartuigen, afzinkbare vaartuigen en drijvende tuigen, alsmede vaste en drijvende platforms;".

 

§ 2

Hetzelfde artikel wordt als volgt aangevuld:
" 8° " pleziervaartuig ": elk vaartuig met een lengte over alles van 2,5 tot 24 meter, met of zonder eigen voortstuwingsvermogen, dat louter bestemd is voor het genoegen en om aan watersport te doen; ".


Art. 62. Artikel 6 van dezelfde wet wordt aangevuld als volgt:
" De schepen die de Belgische havens aanlopen, moeten voorzien zijn van een identificatienummer verstrekt door de Internationale Maritieme Organisatie (IMO).
Dit identificatienummer moet duidelijk leesbaar zijn op de relevante scheepsdocumenten. "

Art. 63.

§ 1

Artikel 5 van dezelfde wet, tweede lid, wordt vervangen door de volgende bepaling:
" Het eerste lid is eveneens van toepassing op schepen die een vreemde vlag voeren, gedurende de periode dat die schepen zich onder de jurisdictie van België bevinden, overeenkomstig het internationaal recht, ongeacht waar de lozingsovertreding zich heeft voorgedaan. "

 

§ 2

Een artikel 5bis, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd:
" Art. 5bis. Alle middelen van bewijs kunnen door de overheid worden aangewend ter bevestiging van duidelijke redenen om aan te nemen dat een lozing heeft plaatsgevonden, inbegrepen ooggetuigenverslagen, foto- en filmbeelden, kleurschakeringen op het wateroppervlak en andere door België aanvaarde internationale of regionale beoordelingsstandaarden.
Elk zichtbaar spoor door een schip achtergelaten, op of onder het wateroppervlak, in zijn kielzog of zijn onmiddellijke nabijheid, maakt op zich een duidelijke reden uit om aan te nemen dat een lozing heeft plaatsgevonden. "


Art. 64.

Een artikel 11bis, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd:
" Art. 11bis. Ieder olietankschip met een bruto tonnage van 150 ton of meer en ieder ander schip, dat geen olietankschip is, met een bruto tonnage van 400 ton of meer, dient een noodplan voor koolwaterstoffenverontreiniging aan boord te hebben.
Een dergelijk plan moet in overeenstemming zijn met de door de Internationale Maritieme Organisatie opgestelde richtlijnen. Het plan omvat ten minste:

1. de procedure die dient te worden gevolgd door de kapitein of andere personen die het bevel voeren over het schip voor het melden van voorvallen van verontreiniging, zoals vereist volgens artikel 8 van het Protocol I van het Verdrag, aangevuld met de door de Internationale Maritieme Organisatie ontwikkelde richtlijnen;
2. de lijst van autoriteiten of personen met wie contact moet worden opgenomen in het geval van een voorval van koolwaterstoffenverontreiniging;
3. een gedetailleerde omschrijving van de maatregelen die onmiddellijk dienen te worden genomen door personen aan boord om de lozing van koolwaterstoffen als gevolg van het voorval te bestrijden of te beperken, en
4. de procedures en de contactpersonen aan boord van het schip voor de coördinatie tussen maatregelen aan boord en maatregelen van de nationale en lokale autoriteiten ter bestrijding van verontreiniging. "


 


Art. 65. Artikel 12 van dezelfde wet wordt aangevuld als volgt:
" Het is een schip dat aan boord niet beschikt over een noodplan voor koolwaterstoffenverontreiniging, conform met het Verdrag en met artikel 11bis, verboden een Belgische haven te verlaten. "

Art. 66.

In dezelfde wet wordt een artikel 17bis ingevoegd, luidend als volgt:
" Art. 17bis. § 1. De waterschouten en de agenten van de zeevaartpolitie kunnen in de Belgische havens aan boord van een schip dat een vreemde vlag voert, een onderzoek instellen, teneinde na te gaan of, in strijd met de bepalingen van deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan, schadelijke stoffen zijn geloosd in de Belgische territoriale zee of in een andere maritieme zone waarover België juridictie kan uitoefenen, overeenkomstig het internationaal recht. Wanneer bewijselementen zulks vereisen, kan een rechtsvervolging worden ingesteld. Deze bevoegdheid wordt hen ook verleend, op eigen initiatief of op verzoek van een andere betrokken Staat, voor overtredingen van het Verdrag begaan op volle zee.
Deze bevoegdheid wordt tevens uitgebreid tot overtredingen van het Verdrag begaan in de maritieme zone waarover een andere kuststaat juridictie bezit, op uitsluitend verzoek van deze laatste of van de vlaggestaat.
§ 2.
De waterschouten, de agenten van de zeevaartpolitie, de gezagvoerders van patrouillevaartuigen en de daartoe gemandateerde officieren en onderofficieren van de Marine kunnen aan boord van een schip dat een vreemde vlag voert, een onderzoek instellen wanneer het schip zich bevindt in de Belgische territoriale zee of in een andere maritieme zone waarover België jurisdictie kan uitoefenen, overeenkomstig het internationaal recht, teneinde na te gaan of in strijd met de bepalingen van deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan, schadelijke stoffen in zee zijn geloosd.
§ 3.
Een onderzoek op zee omvat in eerste instantie een controle van alle documenten vereist om de lozingsovertreding te kunnen bevestigen of te ontkrachten en een verhoor van de kapitein. Indien uit de documenten het bewijs van de lozingsovertreding onvoldoende blijkt, kan worden overgegaan tot een nadere feitelijke inspectie van de voor de lozing belangrijke delen van het schip en het nemen van monsters.
§ 4.
Wanneer zij op grond van § 2 of § 3 optreden ten opzichte van een schip dat een vreemde vlag voert, leven de bedoelde ambtenaren en agenten volgende regels na:

    1. bij duidelijke redenen om aan te nemen dat een schip, in de territoriale zee een overtreding heeft begaan, kunnen zij in de territoriale zee overgaan tot het onderzoek van het schip. Wanneer bewijselementen zulks vereisen, kan een rechtsvervolging worden ingesteld en kan het schip in de territoriale zee worden vastgehouden of naar een Belgische haven worden opgebracht. De vasthouding wordt opgeheven vanaf het ogenblik dat de borgsom voorzien in artikel 31, lid 2, van deze wet wordt gestort;
  2. bij duidelijke redenen om aan te nemen dat het schip in de exclusieve economische zone een overtreding heeft begaan, kunnen zij het schip vragen alle informatie mee te delen die nodig is om vast te stellen of zich wel degelijk een overtreding heeft voorgedaan, alsook de identiteit van het schip, zijn haven van registratie, en zijn laatste en volgende aanloophaven;
  3. bij duidelijke redenen om aan te nemen dat het schip in de exclusieve economische zone tot een lozing, ernstig genoeg om in strijd te zijn met het Verdrag, is overgegaan, kunnen zij in de exclusieve economische zone of de territoriale zee overgaan tot het onderzoek van het schip indien het schip heeft geweigerd informatie te verstrekken of, indien de door het schip verstrekte informatie zeer duidelijk afwijkt van de feitelijke situatie en de omstandigheden een zodanig onderzoek rechtvaardigen;
  4. bij aanwezigheid van duidelijke objectieve bewijselementen dat het schip in de exclusieve economische zone is overgegaan tot een ernstige lozing, die aanleiding geeft tot grote schade of het risico op grote schade aan het mariene milieu of de Belgische kustbelangen, kan het schip in de exclusieve economische zone of de territoriale zee worden vastgehouden en naar een Belgische haven worden opgebracht en kan een rechtsvervolging worden ingesteld. De vasthouding wordt opgeheven vanaf het ogenblik dat de borgsom voorzien in artikel 31, lid 2, van deze wet wordt gestort;
  5. bij koolwaterstoffenlozingen is het bepaalde in 3° ambtshalve van toepassing van zodra zichtbare sporen van lozing in het water of aan het wateroppervlak te voorschijn komen in de onmiddellijke nabijheid van het schip of in zijn kielzog en is het bepaalde in 4° ambtshalve van toepassing van zodra uit een eerste schatting blijkt dat de lozing meer dan duizend liter koolwaterstoffen bevat.

§ 5.
Bij onderzoek aan boord van schepen op zee mag hun veiligheid en de veiligheid van de scheepvaart niet in het gedrang worden gebracht en mag het mariene milieu aan geen onredelijk risico worden blootgesteld. Schepen kunnen daartoe worden verplicht zich naar een veilige ankerplaats op zee te begeven en kunnen naar een haven worden opgebracht. "


Art. 67. Artikel 18 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling:
" Art. 18. De vlaggestaat wordt via zijn diplomatieke vertegenwoordigers onverwijld op de hoogte gebracht van de vasthouding van één van zijn schepen en van de mogelijke maatregelen die het gevolg kunnen zijn van strafrechtelijke vervolgingen, ingesteld op basis van artikel 17bis.
Een strafrechtelijke vervolging op basis van artikel 17bis kan niet meer worden ingesteld na het verstrijken van een termijn van drie jaar, te rekenen vanaf de datum waarop het misdrijf is gepleegd.
Een strafrechtelijke vervolging op basis van artikel 17bis, § 4, 4°, wordt op uitdrukkelijk verzoek van de vlaggestaat geschorst, op voorwaarde dat de vlaggestaat binnen de zes maanden, te rekenen vanaf de datum van de oorspronkelijke rechtsvervolging, zelf tot de strafrechtelijke vervolging overgaat voor dezelfde aanklachten en hij, ten bewijze hiervan, aan de Belgische Staat een volledig dossier over de zaak en de akten van rechtsvervolging ter beschikking stelt. Wanneer de door de vlaggestaat ingestelde rechtsvervolging tot een einde is gebracht, wordt de geschorste rechtsvervolging in België beëindigd. Na aftrek van de door België gemaakte kosten inzake het onderzoek aan boord, het nemen van monsters met betrekking tot de lozing, de analyse van deze monsters en het instellen van een rechtsvervolging, wordt de in artikel 31 vermelde borgsom vrijgegeven.
Een strafrechtelijke vervolging in België kan niet worden geschorst in de gevallen van lozing die aanleiding geven tot grote schade aan de Belgische kustbelangen of in de gevallen waarin de vlaggestaat reeds eerder aan een verplichting tot vervolging van een overtreding begaan door zijn schepen geen gevolg heeft gegeven. "

Art. 68. Artikel 20, eerste lid, van dezelfde wet, wordt aangevuld als volgt:
" 6° indien het schip niet beschikt over een noodplan aan boord in geval van koolwaterstoffenverontreiniging, zoals voorzien in het Verdrag en artikel 11bis van deze wet;
7° indien het schip niet is voorzien van een IMO-identificatienummer, zoals verplicht gesteld in artikel 6, vierde lid, van deze wet. "

Art. 69. Artikel 25 van dezelfde wet wordt aangevuld met het volgende lid:
" Van de inbreuken op het artikel 5 en van het verzetten tegen een onderzoek of het zich onttrekken aan de vasthouding, als bedoeld in artikel 17bis wordt proces-verbaal opgemaakt dat bewijswaarde heeft tot het tegendeel is bewezen. Een afschrift van dit proces-verbaal, met vermelding van de in deze wet voorziene strafmaat, wordt binnen de vierentwintig uren na de vaststelling van de inbreuk overgemaakt aan de kapitein, de schipper of de scheepseigenaar. "

Art. 70. Artikel 29 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling:
" Art. 29. Met geldboete van vijfhonderdduizend frank tot één miljoen frank wordt gestraft de eigenaar, bevrachter, beheerder of exploitant van een schip waarop de bepalingen van de artikelen 5 en 12 of de uitvoeringsbesluiten ervan niet werden nageleefd. Indien het schip een pleziervaartuig of een vissersvaartuig is, wordt de eigenaar, bevrachter, beheerder of exploitant van het pleziervaartuig of vissersvaartuig gestraft met een geldboete van tienduizend frank tot vijfentwintigduizend frank.
Indien de overtreding wordt begaan tussen zonsondergang en zonsopgang, wordt de geldboete verdubbeld.
In geval van herhaling binnen de termijn van drie jaar die op een veroordeling volgt, kunnen de hierboven voorziene geldboetes op het dubbel van het maximum worden gebracht.
Met geldboete van tienduizend frank tot vijfentwintigduizend frank wordt gestraft de kapitein van een schip ander dan een vissersvaartuig of een pleziervaartuig die de artikelen 5, 10, 11 en 12 van deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan overtreedt of zich verzet tegen het bepaalde in de artikelen 14, 15 en 17bis of zich niet houdt aan de daarin opgelegde verplichtingen.
Met een geldboete van drieduizend frank tot vijfentwintig duizend frank wordt gestraft de schipper of voerder van een vissersvaartuig of een pleziervaartuig die het artikel 5 van deze wet overtreedt of zich verzet tegen het instellen van een onderzoek of zich onttrekt aan de vasthouding als bedoeld in artikel 17bis.
Met een geldboete van tweeduizend frank tot tienduizend frank worden gestraft de officieren van een schip die de artikelen 5, 10 en 12 van deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan overtreden of zich verzetten tegen het bepaalde in de artikelen 14, 15 en 17bis of zich niet houden aan de daarin opgelegde verplichtingen. "

Art. 71. Een artikel 29bis, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd:
" Art. 29bis. Artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering met betrekking tot de minnelijke schikking is van toepassing met dien verstande dat het minimumbedrag van de minnelijke schikking niet minder mag bedragen dan één tiende van de bij deze wet bepaalde minimum geldboete, verhoogd met de opdeciemen. "

Art. 72. Artikel 30 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling:
" Art. 30. Diegene die wordt gestraft met een in artikel 29 bedoelde geldboete of instemt met de in artikel 29bis bedoelde minnelijke schikking, is ertoe gehouden twintig procent van het bedrag van de uitgesproken geldboete of van de minnelijke schikking rechtstreeks te storten in het Fonds Leefmilieu. "

Art. 73. Artikel 31 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling:
" Art. 31. Bij ernstige vermoedens van overtreding van de artikelen 5, 10, 11, 12, 14 en 15 kan de waterschout de kapitein verbieden om met zijn schip de Belgische havens te verlaten, tenzij in de Deposito- en Consignatiekas als borgsom een som wordt gestort ter grootte van het in artikel 29 omschreven maximum voor de overtredingen, verhoogd met de opdeciemen. Het storten van bedoelde som kan zonder kosten voor de overheid worden vervangen door een bankgarantie, verleend door een in België gevestigde bank.
Schepen die op zee of in Belgische havens worden vastgehouden krachtens artikel 17bis, worden onmiddellijk vrijgegeven nadat in de Deposito- en Consignatiekas als borgsom een som wordt gestort ter grootte van het in artikel 29 omschreven maximum voor de overtredingen, verhoogd met de opdeciemen. Het storten van bedoelde som kan zonder kosten voor de overheid worden vervangen door een bankgarantie verleend door een in België gevestigde bank.
De geldboete die is opgelegd door een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing of de minnelijke schikking, naar gelang het geval, wordt op de borgsom verhaald. Het overblijvende gedeelte wordt onmiddellijk terugbetaald.
De rente van de in consignatie gegeven som wordt bij de borgsom gevoegd. "

Art. 74.

In artikel 32 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. Het tweede lid wordt vervangen door het volgende lid:

" Zijn eveneens belast met de opsporing en de vaststelling op zee van de inbreuken op artikel 5 van deze wet:

  1. de gezagvoerders van de patrouillevaartuigen en -vliegtuigen van de Staat en hun aangestelden;
  2. de ambtenaren en agenten van de Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee;
  3. de daartoe door hun hiërarchie gemandateerde officieren en onderofficieren van de Marine."

2. Het derde lid wordt vervangen door het volgende:
" De in het tweede lid, 2°, bedoelde ambtenaren en agenten worden eveneens belast met de opsporingstaken van de overtredingen van het Verdrag die volgens internationale overeenkomsten inzake het toezicht vanuit de lucht van de zeeverontreiniging aan de Belgische autoriteiten zijn toevertrouwd. ".
3. Het artikel wordt aangevuld met een vierde lid, luidend als volgt:
" Van de inbreuken op deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan worden door dezen die de feiten hebben vastgesteld processen-verbaal opgesteld, die bewijswaarde hebben tot het tegendeel is bewezen. "


Art. 75. In artikel 13 van de wet van 11 april 1989 houdende goedkeuring en uitvoering van diverse Internationale Akten inzake de zeevaart wordt vóór het zesde lid, het volgende lid ingevoegd:
" Bij risico op mogelijke verontreiniging van het mariene milieu van de territoriale zee of de exclusieve economische zone of in het geval de veiligheid van de scheepvaart in deze mariene zones in gevaar wordt gebracht, heeft de eigenaar van een vaartuig dat aan de grond is gelopen of gezonken is, de verplichting zijn wrak, de wrakstukken, de gezonken tuigen, de lading, de aan boord aanwezige schadelijke stoffen of voorwerpen te lichten en uit het mariene milieu te verwijderen, behoudens indien het achterlaten door de overheid is vergund met toepassing van de artikelen 25 en 26 van de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder rechtsbevoegdheid van België. "

Art. 76. Artikel 14, eerste lid, van dezelfde wet wordt aangevuld als volgt:
" e) alle andere nodige maatregelen treffen ter bescherming van het mariene milieu van de territoriale zee en de exclusieve economische zone tegen mogelijke verontreiniging. "

Art. 77. In artikel 17 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. § 1, laatste lid wordt aangevuld met een 5° luidend als volgt:
" 5° schade in navolging van de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België. "
2. § 5 wordt vervangen door de volgende bepaling:
" § 5. Wordt gestraft met een gevangenisstraf van vijftien dagen tot één jaar en met een geldboete van vijfhonderd frank tot twee miljoen frank of met één van deze straffen, degene die:
1. de artikelen 13 tot 16 van deze wet overtreedt;
2. de besluiten die ter uitvoering van de artikelen 13 tot 16 van deze wet zijn genomen, overtreedt. "

Art. 78. Artikel 85, eerste lid, van de wet van 24 december 1976 houdende budgettaire voorstellen 1976-1977 wordt aangevuld als volgt:
" Wanneer de contaminatie of accidentele verontreiniging evenwel op zee plaatsvindt of afkomstig is van een zeeschip, vallen deze kosten ten laste van de persoon die voormelde contaminatie of verontreiniging heeft veroorzaakt, overeenkomstig het internationaal recht. In dit geval zijn de eigenaars van de eventueel betrokken schepen burgerlijk en hoofdelijk aansprakelijk. "

Art. 79.

Artikel 3 van de wet van 13 juni 1969 inzake het continentaal plat van België, wordt aangevuld als volgt:
" § 2. Elke aanvraag tot concessie of machtiging omvat een milieueffectenrapport. dat is opgesteld onder verantwoordelijkheid en op kosten van de aanvrager. De aanvraag wordt onderworpen aan een milieueffectenbeoordeling. Het milieueffectenrapport wordt opgesteld en de milieueffectenbeoordeling wordt uitgevoerd overeenkomstig de door de Koning, op gezamenlijke voordracht van de minister die de Economische Zaken onder zijn bevoegdheid heeft en de minister die Leefmilieu onder zijn bevoegdheid heeft, vastgestelde regels in verband met de procedure, de inhoud en de vorm.
De exploratie en de exploitatie worden onderworpen aan een continu onderzoek naar de invloed van de betrokken activiteiten op de sedimentafzettingen en op het mariene milieu.
§ 3. De minister die Leefmilieu onder zijn bevoegdheid heeft, brengt advies uit over het milieueffectenrapport en de resultaten van de milieueffectenbeoordeling.
Concessies, machtigingen, verlengingen of vernieuwingen kunnen slechts worden toegestaan mits het gunstig advies van de minister die Leefmilieu onder zijn bevoegdheid heeft.
Bij aanvragen en aanvragen tot verlenging of vernieuwing van een concessie of machtiging zal worden rekening gehouden met de resultaten van het continu onderzoek.
Indien uit het continu onderzoek blijkt dat de betrokken activiteiten onaanvaardbare nadelige gevolgen voor de sedimentafzettingen of voor het mariene milieu hebben, kan de concessie of machtiging, geheel of gedeeltelijk, opgeheven of geschorst worden.
§ 4. De exploratie en de exploitatie worden onderworpen aan een vergoeding volgens de modaliteiten die bepaald worden in de concessiebesluiten, voor de uitvoering van het continu onderzoek naar de invloed van de betrokken activiteiten op de sedimentafzettingen en op het mariene milieu.
§ 5. De Koning stelt op gezamenlijke voordracht van de minister die de Economische Zaken onder zijn bevoegdheid heeft en de minister die Leefmilieu onder zijn bevoegdheid heeft, een raadgevende commissie in om de coördinatie te verzekeren tussen de administraties die betrokken zijn bij het beheer van de exploratie en de exploitatie van het continentaal plat en de territoriale zee.
Om de drie jaar wordt een overzichtsrapport met de resultaten van het continue onderzoek aan de commissie voorgelegd.
De commissie heeft onder andere volgende specifieke opdrachten:

   · het coördineren van de onderzoeken van de concessieaanvragen en het formuleren van een advies over deze aanvragen;
  · het opvolgen van de verschillende studies die uitgevoerd worden naar de invloed van de zandwinningen op het continentaal plat;
  · het onderzoek van het driejaarlijks rapport;
  · het adviseren van corrigerende maatregelen indien een negatieve invloed zou worden vastgesteld en
  · het formuleren van beleidsvoorbereidende adviezen in verband met alle aspecten die verband houden met de zandwinningen.

De Koning kan de werkingsmodaliteiten en werkingskosten van de commissie vaststellen. "


Art. 80. In de tabel gevoegd bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen, wordt in de rubriek " 25-4 Fonds Leefmilieu " tussen de woorden " de geldboeten bedoeld in artikel 30 van de wet van 6 april 1995 betreffende de voorkoming van de verontreiniging door schepen " en " Aard van de gemachtigde uitgaven " de woorden " het herstel bedoeld in artikel 40 van de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België en de geldsommen bedoeld in de artikelen 57 en 58 van dezelfde wet " ingevoegd.

Art. 81. De wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging wordt opgeheven, in zoverre ze van toepassing is op de territoriale zee.

Art. 82. De wet van 8 februari 1978 houdende goedkeuring en uitvoering van het Verdrag ter voorkoming van de verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten vanaf schepen en luchtvaartuigen en van de Bijlagen, opgemaakt te Oslo op 15 februari 1972, en van het Protocol tot wijziging van dat Verdrag, opgemaakt te Oslo op 2 maart 1983 en zijn uitvoeringsbesluiten, worden opgeheven. Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt..