Behandeling van aanvragen van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit voor handelingen die een indirecte lozing van gevaarlijke stoffen in het grondwater tot gevolg hebben of kunnen hebben.


Art. 2.4.3.1.

Handelingen, zoals bedoeld in de rubrieken 52.1.1.3°, 52.1.2. en 52.2.3°, kunnen slechts vergund worden indien uit een voorafgaand onderzoek blijkt dat alle technische voorzorgsmaatregelen zijn getroffen opdat deze stoffen geen aquatische systemen kunnen bereiken of schade kunnen veroorzaken aan andere eco-systemen.


Art. 2.4.3.2.

Een vergunning voor de indirecte lozing in grondwater van stoffen van lijst II van bijlage 2B kan enkel worden verleend mits alle vereiste voorzorgsmaatregelen zijn getroffen opdat de lozing:

a) de gezondheid van de mens of de watervoorziening niet in gevaar kan brengen;
b) het leven en de eco-systemen in het water niet kan schaden;
c) een ander rechtmatig gebruik van het water niet kan hinderen.

Art. 2.4.3.3. De toepassing van de krachtens dit besluit genomen maatregelen mag in geen geval leiden tot directe of indirecte verontreiniging van het grondwater.

Art. 2.4.3.4.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit voor een indirecte lozing van gevaarlijke stoffen opgenomen in de lijst II van bijlage 2B of voor een andere handeling die een indirecte lozing tot gevolg kan hebben als bedoeld in de rubrieken 52 en 2 van de indelingslijst, wordt, onverminderd de bepalingen van dit besluit, ten minste bepaald:

de plaats van de gebeurlijke lozing;
de lozingsmethode en - zo van toepassing - de voor de verwijdering gebruikte methode;
de vereiste voorzorgsmaatregelen, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met de aard en de concentratie van de in de te lozen/verwijderen materie aanwezige stoffen en met de kenmerken van het ontvangende milieu, alsmede met de nabijheid van waterwingebieden en beschermingszones, vooral voor drink-, thermaal- en mineraalwater;
de maximaal toelaatbare hoeveelheid van een bepaalde stof in de te lozen/verwijderen materie gedurende één of meer vastgestelde periodes en passende voorwaarden voor de concentratie van deze stof; hierbij wordt in het bijzonder rekening gehouden met de milieukwaliteitsnormen, vastgesteld in de afdelingen 2.4.1. en 2.4.2.;
de technische voorzorgsmaatregelen die moeten getroffen worden om elke lozing van stoffen van lijst I te verhinderen of verontreiniging van het grondwater door lozing van stoffen van lijst II te voorkomen;
indien nodig, maatregelen waarmee het grondwater, en met name de kwaliteit ervan, kan worden gecontroleerd.

Art. 2.4.3.5.

Overeenkomstig de Richtlijn 80/68/EEG:

wordt een inventaris bijgehouden van de omgevingsvergunningen voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit verleend overeenkomstig art. 2.4.3.2.;
worden, in geval overwogen wordt een handeling toe te laten die een lozing in grensoverschrijdend grondwater zou kunnen meebrengen, vóór de afgifte van de desbetreffende omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit via de geëigende kanalen de andere betrokken buurlanden en -gewesten hiervan op de hoogte gebracht; op verzoek van deze buurlanden vindt vóór de afgifte van de desbetreffende omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit via de geëigende kanalen overleg met deze betrokken buurlanden en -gewesten plaats; de EU-Commissie kan aan dit overleg deelnemen;
worden aan de EU-Commissie op haar verzoek via de geëigende kanalen alle nodige inlichtingen voor de toepassing van voormelde Richtlijn verstrekt, inzonderheid:
a) de resultaten van de in artikel 2.4.3.1. bedoelde voorafgaande onderzoeken;
b) de bijzonderheden inzake de verleende omgevingsvergunningen voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit;
c) de resultaten van toezicht en controle;
d) de gegevens van de sub 1° van deze paragraaf bedoelde inventaris.
de verschillende taken, omschreven in dit artikel, worden waargenomen door het Departement.