Hoofdstuk VI.
Andere maatregelen


Afdeling I.
Veiligheidsmaatregelen


Art. 69.

§ 1

Als de OVAM van oordeel is dat bodemverontreiniging een onmiddellijk gevaar vormt, legt ze veiligheidsmaatregelen op. Deze bevoegdheid doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van andere overheden om veiligheidsmaatregelen te treffen.

 

§ 2

Een bodemsaneringsdeskundige die in het kader van de uitvoering van een opdracht krachtens deze titel van oordeel is dat bodemverontreiniging een onmiddellijk gevaar vormt en veiligheidsmaatregelen noodzakelijk zijn, maakt hiervan op gemotiveerde wijze onverwijld melding aan de OVAM.

 

§ 3

Als de veiligheidsmaatregelen handelingen, inrichtingen of activiteiten omvatten die meldings- of vergunningsplichtig zijn krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid of krachtens titel IV, hoofdstuk II, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, geldt het conformiteitsattest als meldingsakte of omgevingsvergunning.

 

§ 4

Veiligheidsmaatregelen worden uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige.


Afdeling II.
Voorzorgsmaatregelen


Art. 70.

§ 1

De OVAM kan voorzorgsmaatregelen opleggen met het oog op het beschermen van de mens of het milieu tegen de risico's van bodemverontreiniging in afwachting van de uitvoering van bodemsaneringswerken.

 

§ 2

Een bodemsaneringsdeskundige die in het kader van de uitvoering van een opdracht krachtens deze titel van oordeel is dat voorzorgsmaatregelen noodzakelijk zijn, maakt hiervan op gemotiveerde wijze onverwijld melding aan de OVAM. De exploitanten, gebruikers of eigenaars van de verontreinigde gronden kunnen hierbij onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige voorzorgsmaatregelen voorstellen aan de OVAM.


Binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van het voorstel spreekt de OVAM zich uit over de voorgestelde voorzorgsmaatregelen en kan ze voorzorgsmaatregelen opleggen.

 

§ 3

Als de veiligheidsmaatregelen handelingen, inrichtingen of activiteiten omvatten die meldings- of vergunningsplichtig zijn krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid of krachtens titel IV, hoofdstuk II, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, geldt het conformiteitsattest als meldingsakte of omgevingsvergunning.

 

§ 4

Voorzorgsmaatregelen worden uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige.


Afdeling III.
Nazorg


Art. 71.

§ 1

De OVAM kan nazorg opleggen in het conformiteitsattest van het bodemsaneringsproject of van het beperkt bodemsaneringsproject, of in de eindverklaring.
Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslissing van de OVAM een beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeenkomstig de bepalingen van artikel 153 tot en met 155.

 

§ 2

De nazorg wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de voorwaarden, vermeld in het conformiteitsattest of de eindverklaring, en conform de standaardprocedure vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij gebrek aan dergelijke standaardprocedure, wordt de nazorg uitgevoerd volgens een code van goede praktijk.

 

§ 3

De persoon die tot nazorg moet overgaan, stelt op verzoek van de OVAM financiėle zekerheden tot waarborg van zijn verplichting om de nazorg uit te voeren. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop deze financiėle zekerheden worden gesteld.


Afdeling IV.
Gebruiksbeperkingen


Art. 72.

§ 1

Als de OVAM van oordeel is dat bodemverontreiniging het gebruik van verontreinigde gronden beperkt of verhindert, kan ze gebruiksbeperkingen opleggen.
Alle belanghebbenden kunnen tegen deze beslissing van de OVAM een beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeenkomstig de bepalingen van artikel 153 tot en met 155.

 

§ 2

Elke belanghebbende kan onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige op gemotiveerde wijze gebruiksbeperkingen voorstellen aan de OVAM.


Afdeling V.
Bestemmingsbeperkingen


Art. 73.

§ 1

Als de Vlaamse Regering van oordeel is dat bodemverontreiniging het gebruik van verontreinigde gronden overeenkomstig hun bestemming verhindert, kan ze op advies van de OVAM bestemmingsbeperkingen opleggen, nadat de eigenaar en gebruiker van de verontreinigde gronden of desgevallend de gemandateerde gehoord zijn.

 

§ 2

Elke belanghebbende kan onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige op gemotiveerde wijze bestemmingsbeperkingen voorstellen aan de Vlaamse Regering.


Afdeling VI.
Behandeling van bodemverontreiniging bij schadegevallen


Onderafdeling I.
Toepassingsgebied


Art. 74. De bepalingen van deze afdeling zijn enkel van toepassing op schadegevallen die gemeld worden bij de bevoegde overheid binnen een termijn van dertig dagen nadat ze zich hebben voorgedaan en waarbij de effectieve behandeling van de bodemverontreiniging maximaal honderdtachtig dagen duurt.

Onderafdeling II.
Bevoegde overheid


Art. 75.

§ 1

De bevoegde overheid in het kader van deze afdeling is de OVAM als het schadegeval gebeurt op :

een grond in eigendom of beheer van een gemeente, autonoom gemeentebedrijf of intergemeentelijk samenwerkingsverband; 
een grond waarop een inrichting of activiteit is gevestigd die krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid ingedeeld wordt in de eerste klasse;
een grond waarop een beschrijvend bodemonderzoek of bodemsanering wordt uitgevoerd. 

 

§ 2

In alle andere gevallen is de bevoegde overheid de burgemeester van de gemeente waar het schadegeval gebeurt.


Onderafdeling III.
Procedure


Art. 76.

§ 1

Als op een grond een schadegeval gebeurt, meldt de exploitant, gebruiker of eigenaar van de grond dit onverwijld aan de bevoegde overheid. In deze melding geeft de exploitant, gebruiker of eigenaar aan welke maatregelen hij eventueel reeds genomen heeft ter uitvoering van zijn zorgvuldigheidsplicht.

 

§ 2

De bevoegde overheid kan een schadegeval vaststellen, een uitspraak doen over de aanpak van een schadegeval en maatregelen tot behandeling van bodemverontreiniging bij schadegevallen opleggen. De bevoegde overheid deelt haar beslissing binnen dertig dagen na ontvangst van de melding mee aan de personen, vermeld in artikel 80, voor zover deze door haar gekend zijn.


Als een schadegeval overeenkomstig het eerste lid wordt vastgesteld, zijn de bepalingen van artikel 9, § 2 en § 4, niet van toepassing.

 

De maatregelen tot behandeling van de bodemverontreiniging worden uiterlijk binnen honderdtachtig dagen na de kennisgeving van de beslissing, vermeld in het eerste lid, uitgevoerd.


Art. 77.

Als de maatregelen, vermeld in artikel 76, § 2, handelingen, inrichtingen of activiteiten omvatten die meldings- of vergunningsplichtig zijn krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid of krachtens titel IV, hoofdstuk II, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, geldt de beslissing van de bevoegde overheid, vermeld in artikel 76, § 2, als meldingsakte of omgevingsvergunning.


Art. 78.

Na de uitvoering van de maatregelen, vermeld in artikel 76, § 2, wordt onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige een evaluatierapport opgesteld waarin de resultaten van deze maatregelen worden opgenomen. Het evaluatierapport wordt aan de bevoegde overheid en de OVAM overgemaakt.
 


Art. 79.

§ 1

Als de OVAM op basis van de resultaten opgenomen in het evaluatierapport van oordeel is dat er na de uitvoering van de maatregelen, vermeld in artikel 76, § 2, nog altijd bodemverontreiniging aanwezig is en dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat de bodemverontreiniging de bodemsaneringsnormen overschrijdt of dreigt te overschrijden, kan de OVAM de persoon, vermeld in artikel 11, aanmanen om een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren.

 

§ 2

Als de OVAM op basis van de resultaten opgenomen in het evaluatierapport van oordeel is dat er geen duidelijke aanwijzingen zijn dat de bodemverontreiniging de bodemsaneringsnormen overschrijdt of dreigt te overschrijden, levert de OVAM aan de personen, vermeld in artikel 80, en aan de bevoegde overheid een verklaring af waarin de resultaten van de uitgevoerde maatregelen vastgesteld worden.


Onderafdeling IV.
Aanduiding van de plichtige


Art. 80.

De verplichting om onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige de maatregelen tot behandeling van bodemverontreiniging bij schadegevallen onverwijld uit te voeren, rust op de volgende persoon :

de exploitant, vermeld in titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, als op de grond waar de bodemverontreiniging tot stand is gekomen een inrichting of activiteit gevestigd is die vergunnings- of meldingsplichtig is krachtens titel V;
bij gebrek aan een exploitant : de gebruiker van de grond waar de bodemverontreiniging tot stand kwam; 
bij gebrek aan een exploitant en gebruiker : de eigenaar van de grond waar de bodemverontreiniging tot stand kwam. 

Art. 81.

Als de plichtige, vermeld in artikel 80, niet of in onvoldoende mate optreedt, maant de bevoegde overheid die persoon aan om zijn verplichtingen alsnog na te leven binnen een bepaalde termijn. Wordt binnen de gestelde termijn aan de aanmaning geen of in onvoldoende mate gevolg gegeven, kan de bevoegde overheid ambtshalve in zijn plaats de maatregelen, vermeld in artikel 76, § 2, uitvoeren en de kosten ervan verhalen op de ingebrekeblijvende plichtige en de persoon die overeenkomstig artikel 16 aansprakelijk is.


Art. 82.

Wie overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling kosten maakt, kan deze verhalen op de persoon die overeenkomstig artikel 16 aansprakelijk is en kan van die persoon een voorschot vorderen of eisen dat hij een financiėle zekerheid stelt.


Afdeling VII.
Risicobeheer


Onderafdeling I.
Toepassingsgebied


Art. 83. [...]

Onderafdeling II.
Risicobeheersplan


Art. 84. [...]

Art. 85. [...]

Art. 86. [...]

Onderafdeling III.
Risicobeheersmaatregelen


Art. 87. [...]

Art. 88. [...]

Onderafdeling IV.
Verhouding risicobeheer en saneringsplicht


Art. 89. [...]

Onderafdeling V.
Financiėle zekerheden


Art. 90. [...]

Afdeling VIII.
Bodempreventie- en bodembeheersplicht


Art. 91. [...]