Onderafdeling IV.
Aanduiding van de plichtige


Art. 80.

De verplichting om onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige de maatregelen tot behandeling van bodemverontreiniging bij schadegevallen onverwijld uit te voeren, rust op de volgende persoon :

de exploitant, vermeld in titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, als op de grond waar de bodemverontreiniging tot stand is gekomen een inrichting of activiteit gevestigd is die vergunnings- of meldingsplichtig is krachtens titel V;
bij gebrek aan een exploitant : de gebruiker van de grond waar de bodemverontreiniging tot stand kwam; 
bij gebrek aan een exploitant en gebruiker : de eigenaar van de grond waar de bodemverontreiniging tot stand kwam. 

Art. 81.

Als de plichtige, vermeld in artikel 80, niet of in onvoldoende mate optreedt, maant de bevoegde overheid die persoon aan om zijn verplichtingen alsnog na te leven binnen een bepaalde termijn. Wordt binnen de gestelde termijn aan de aanmaning geen of in onvoldoende mate gevolg gegeven, kan de bevoegde overheid ambtshalve in zijn plaats de maatregelen, vermeld in artikel 76, § 2, uitvoeren en de kosten ervan verhalen op de ingebrekeblijvende plichtige en de persoon die overeenkomstig artikel 16 aansprakelijk is.


Art. 82.

Wie overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling kosten maakt, kan deze verhalen op de persoon die overeenkomstig artikel 16 aansprakelijk is en kan van die persoon een voorschot vorderen of eisen dat hij een financiėle zekerheid stelt.