Afdeling 5.2.5.
MONOSTORTPLAATSEN VOOR BAGGERSPECIE AFKOMSTIG UIT DE OPPERVLAKTEWATEREN BEHORENDE TOT HET OPENBAAR HYDROGRAFISCH NET


Subafdeling 5.2.5.1.
Algemene bepalingen


Art. 5.2.5.1.1.

Tenzij anders bepaald in de toepasselijke reglementeringen of in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit moeten de inrichtingen bedoeld in de rubriek 2.3.7, a) van de indelingslijst voldoen aan de door deze subafdeling vastgestelde milieuvoorwaarden.

 

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan worden afgeweken van de door deze afdeling vastgestelde milieuvoorwaarden op voorwaarde dat wordt voldaan aan de bepalingen van de Europese richtlijn 1999/31/EG van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen.


Art. 5.2.5.1.2.

De exploitant draagt er zorg voor dat minimaal de volgende kosten worden aangerekend voor het storten van de afvalstoffen op de stortplaats :

alle kosten voor de inrichting en de exploitatie van de stortplaats
de kosten voor het stellen van de financiėle zekerheid;
de kosten voor het sluiten en de nazorg.

 


Subafdeling 5.2.5.2.
De aanvaarding van baggerspecie op de monostortplaats


Art. 5.2.5.2.1.

De volgende baggerspecie mag niet op de monostortplaats worden aanvaard :

baggerspecie die meer dan 0,1% acuut toxische organische stoffen van gevarencategorie 1 en 2 volgens de CLP-verordening bevat, uitgedrukt op de watervrije afvalstof;
[...]
alle andere soorten baggerspecie die niet voldoen aan de geldende aanvaardingscriteria. Het is verboden afvalstoffen te verdunnen of te vermengen uitsluitend om aan de aanvaardingscriteria te voldoen.

 

Met behoud van de toepassing van de bepalingen van de verordening (EG) nr. 1102/2008 van het Europees parlement en de Raad van 22 oktober 2008 inzake het verbod op de uitvoer van metallisch kwik en andere kwikverbindingen en - mengsels en de veilige opslag van metallisch kwik kan baggerspecie die, uitgedrukt op de watervrije afvalstof:

giftige anorganische stoffen bevat in concentraties groter dan de drempelwaarde waarbij aan preparaten ervan het symbool T+ of T op basis van de toxicologische eigenschappen van de stoffen (R-zinnen 23, 24, 25, 26, 27, 28, 39 en 48) wordt gegeven (Richtlijn 1999/45/EG van 31 mei 1999),
ofwel giftige anorganische stoffen bevat in concentraties groter dan de drempelwaarde waarbij aan mengsels ervan de gevarenklassen en categorieėn acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, specifieke doelorgaantoxiciteit na eenmalige blootstelling categorie 1 of specifieke doelorgaantoxiciteit bij herhaalde blootstelling categorie 1 op basis van de toxicologische eigenschappen van de stoffen (met gevaarsaanduiding H300, H301, H310, H311, H330, H331, H370, of H372) wordt gegeven (verordening 1272/2008 van 16 december 2008), alleen gestort worden met naleving van de volgende voorwaarden:
a) om de risico’s voor mens en milieu tot een strikt minimum te beperken en om aan de geldende aanvaardingscriteria te voldoen, kan het noodzakelijk zijn om de baggerspecie voor te behandelen zodat de aanwezige giftige verbindingen zo goed mogelijk worden omgelegd naar minder giftige verbindingen, waarbij evenwel de verkregen chemische vorm van het giftig metaal minder uitloogbaar moet zijn;

de baggerspecie wordt in zoutcelcondities op een categorie 1-stortplaats gestort, zodat in alle opzichten een nulemissie wordt bereikt. Daaronder wordt verstaan dat de baggerspecie fysisch worden ingekapseld. Er mag meer bepaald geen enkele emissie optreden door manipulatie van de baggerspecie, door percolaat of door verspreiding van stof of dergelijke.

  


Art. 5.2.5.2.2. Basiskarakterisering

Basiskarakterisering is de eerste stap in de aanvaardingsprocedure en houdt een volledige karakterisering van de baggerspecie in door het verzamelen van alle benodigde informatie voor het veilig verwijderen van de afvalstoffen op lange termijn. Voor elk type afvalstof is basiskarakterisering vereist.

 

Voor deze basiskarakterisering geldt het volgende :

Basiskarakterisering heeft de volgende functies :
a) basisinformatie over de afvalstoffen (type en herkomst, samenstelling, consistentie, uitloogbaarheid en - zo nodig en beschikbaar - andere karakteristieke eigenschappen);
b) basisinformatie voor het verwerven van inzicht in het gedrag van afvalstoffen op stortplaatsen en opties voor behandeling als vastgesteld in de afdeling 5.2.4 van dit besluit;
c) beoordeling van afvalstoffen aan de hand van grenswaarden;
d)

vaststelling van de belangrijkste variabelen (kritische parameters) voor het uitvoeren van de controletest en opties voor de vereenvoudiging van deze test (wat moet leiden tot een aanzienlijke vermindering van het aantal te meten bestanddelen, maar uitsluitend na overlegging van de relevante informatie); karakterisering kan verhoudingen tussen basiskarakterisering en resultaten van vereenvoudigde testprocedures opleveren alsmede frequentie van controletests.

 

Als de basiskarakterisering van een baggerspecie laat zien dat de stof voldoet aan de in subafdeling 5.2.5.3 vervatte criteria voor een stortplaatscategorie, wordt de stof geacht aanvaardbaar te zijn voor deze stortplaatscategorie. Indien de afvalstof niet aan de criteria voldoet, is deze niet aanvaardbaar voor deze stortplaatscategorie.

 

De producent van de afvalstoffen, of de persoon die verantwoordelijk is voor het beheer ervan, is er tevens verantwoordelijk voor dat de informatie aangaande de karakterisering correct is. De exploitant bewaart de vereiste informatie gedurende een periode van 10 jaar.

De essentiėle eisen voor basiskarakterisering van de afvalstoffen zijn de volgende :
  a) bron en oorsprong van de afvalstoffen;
  b) informatie over het proces waarbij de afvalstoffen zijn geproduceerd (beschrijving en kenmerken van grondstoffen en producten);
  c) beschrijving van de afvalbehandeling die is toegepast krachtens afdeling 5.2.4 van dit besluit of een verklaring van redenen waarom zulk een behandeling niet noodzakelijk wordt geacht;
  d) gegevens over de samenstelling van de afvalstoffen en het uitlooggedrag indien van toepassing;
  e) uiterlijk van de afvalstoffen (geur, kleur, fysische vorm);
  f) code volgens de Europese lijst van afvalstoffen als vermeld in bijlage 2.1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;
  g) voor gevaarlijke afvalstoffen ingeval van spiegelcategorieėn : de desbetreffende gevaarlijke eigenschappen overeenkomstig bijlage III van Richtlijn 91/689/EG van de Raad van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen, als vermeld in afdeling 4.1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;
  h) informatie waaruit blijkt dat de afvalstoffen niet onder de uitsluitingen van artikel 5.2.4.1.2 vallen;
  i) de stortplaatscategorie waarin de afvalstoffen kunnen worden aanvaard;
  j) zo nodig, aanvullende voorzorgsmaatregelen op de stortplaats;
  k) nagaan of recycling of nuttige toepassing van de afvalstoffen mogelijk is.
In de regel dient een afvalstof te worden getest om informatie, vermeld in 2°, te verkrijgen. Behalve het uitlooggedrag dient de samenstelling van het afval bekend te zijn of door uitvoering van tests te worden vastgesteld. De voor de basiskarakterisering gebruikte tests dienen ook die voor het uitvoeren van de controle te omvatten. Voor elke partij baggerspecie is karakterisering vereist. De basiskarakterisering dient de essentiėle eisen voor deze karakterisering te omvatten. Aangezien elke partij afval moet worden gekarakteriseerd, is uitvoering van controletests niet noodzakelijk. De genoemde karakteriseringen zullen informatie verschaffen die rechtstreeks kan worden vergeleken met aanvaardingscriteria voor de desbetreffende stortplaatscategorie en bovendien kan beschrijvende informatie worden verstrekt.
In de volgende gevallen zijn tests voor de basiskarakterisering niet nodig : alle benodigde informatie voor de basiskarakterisering is bekend en naar behoren gemotiveerd ten genoegen van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij.

 


Art. 5.2.5.2.3. Verificatie ter plaatse

§ 1

Voor elke op een stortplaats afgeleverde lading baggerspecie vindt voor en na het lossen visuele inspectie plaats. Tevens vindt controle van de vereiste documentatie plaats.

 

Voor baggerspecie dat door de producent van het afval op een onder zijn beheer vallende stortplaats wordt gestort, mag deze verificatie op het punt van verzending plaatsvinden.

 

§ 2.

De baggerspecie mag op de stortplaats worden aanvaard, als het dezelfde betreft als de baggerspecie die aan de basiskarakterisering is onderworpen en in de bijbehorende documenten wordt beschreven. Is aan deze voorwaarde niet voldaan, dan mag de baggerspecie niet worden aanvaard.

 

§ 3.

Bij de aflevering worden periodiek monsters genomen. De genomen monsters worden na aanvaarding van het afval bewaard gedurende een periode van een maand.


Subafdeling 5.2.5.3.
Criteria voor de aanvaarding van baggerspecie


Art. 5.2.5.3.1.

Deze subafdeling beschrijft de criteria voor het aanvaarden van baggerspecie in elke stortplaatscategorie.

 

In bepaalde gevallen zijn maximaal driemaal zo hoge grenswaarden toegestaan voor de specifieke parameters, vermeld in deze subafdeling, als aan de volgende twee voorwaarden is voldaan :

dit is bepaald in de afvalspecifieke vergunning voor de ontvangende stortplaats, waarbij rekening wordt gehouden met de kenmerken van de stortplaats en haar omgeving;

de emissies (inclusief percolaat) van de stortplaats, rekening houdend met de grenswaarden voor die specifieke parameters, vermeld in dit deel, zullen, op basis van een risicoanalyse, geen extra risico voor het milieu opleveren.

 

De voorziene toelating, van maximaal driemaal zo hoge grenswaarden, vermeld in het tweede lid, geldt niet voor :

opgeloste organische koolstof (″Dissolved Organic Carbon″ of ″DOC″), vermeld in artikel 5.2.5.3.2, § 2, en in artikel 5.2.5.3.3;
totaal organische koolstof (″Total Organic Carbon″ of ″TOC″), vermeld in artikel 5.2.5.3.3;
pH, vermeld in artikel 5.2.5.3.3;
gewichtsverlies bij gloeien (″Loss on Ignition″ of ″LOI″), vermeld in artikel 5.2.5.3.3.

 


Art. 5.2.5.3.2. Criteria voor monostortplaatsen voor niet gevaarlijke baggerspecie

§ 1.

Onverminderd de bepalingen van artikel 5.2.5.2.1, § 1, artikel 5.2.5.3.3 en artikel 5.2.5.3.4 kan op een monostortplaats voor uitsluitend niet gevaarlijke baggerspecie, baggerspecie worden gestort die voldoet aan de volgende criteria :

voldoende steekvast zijn; voor de steekvastheid van baggerspecie wordt volgende waarde als richtwaarde gehanteerd : afschuifspanning > 10 kN/m2; in ieder geval moeten de betreedbaarheid en stabiliteit van de stortplaats steeds verzekerd blijven;
extraheerbare apolaire koolwaterstoffen : < 2 Gew.-% op de watervrije afvalstof;
totaal oplosmiddelen (aspecifiek) : < 1 Gew.-% op de watervrije afvalstof;
totaal extraheerbare organohalogeenverbindingen : < 1000 mg per kg op de watervrije afvalstof.

 

Het voldoen aan de aanvaardbaarheidscriteria kan worden aangenomen op basis van de aard en herkomst van de afvalstoffen.

 

§ 2.

Voor niet gevaarlijke baggerspecie zijn de volgende grenswaarden van toepassing, berekend bij L/S = 10 l/kg voor totale afgifte.

 

 

Componenten

L/S = 10 l/kg

mg/kg droge stof

As

2

Ba

100

Cd

1

Crtotaal

10

Cu

50

Hg

0,2

Mo

10

Ni

10

Pb

10

Sb

0,7

Se

0,5

Zn

50

Chloride

15.000

Fluoride

150

Sulfaat

20.000

DOC (*)

800

TDS (**)

60.000

 

(*) als de afvalstoffen bij hun eigen pH-waarde niet aan deze waarden voor DOC voldoen, kunnen ze eventueel worden getest bij L/S = 10 l/kg en een pH tussen 7,5 en 8,0. De afvalstoffen kunnen worden beschouwd als zijnde in overeenstemming met de aanvaardingscriteria voor DOC, als het resultaat van deze bepaling niet hoger is dan 800 mg/kg.

 

(**) de waarde voor totaal opgeloste vaste stoffen (« Totaal Opgeloste Vaste Stoffen » (TDS)) kan als alternatief voor de waarden voor sulfaat en chloride worden gebruikt.

 

§ 3.

In afwijking van de bepalingen van § 1 en § 2, gelden voor monostortplaatsen voor uitsluitend anorganische niet gevaarlijke baggerspecie met een laag gehalte aan organisch/biologisch afbreekbare stoffen, waarbij de baggerspecie niet voldoet aan de criteria bepaald in § 2 de volgende voorwaarden :

extraheerbare apolaire koolwaterstoffen : < 5 Gew.-% op de watervrije afvalstof met als analysemethode CMA/3/C;
totaal oplosmiddelen (aspecifiek) : < 3 Gew.-% op de watervrije afvalstof met als analysemethode CMA/3/Q;
totaal extraheerbare organohalogeenverbindingen : < 1000 mg per kg op de watervrije afvalstof met als analysemethode CMA/3/N;
wateroplosbaar gedeelte : < 10 Gew.-% op de watervrije afvalstof, met als analysemethode: gewichtsverlies na extractie volgens CMA/2/II/A.12;
tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit :
  a) ofwel, verlies door uitgloeiing van het droge bestanddeel van de afvalstof tengevolge van de ontbinding van organische stoffen, uitgezonderd vaste polymeren en asfalt : < 10 gewichtsprocent,
  b) ofwel, totaal organische koolstof, uitgezonderd de koolstof vervat in vaste polymeren of asfalt, op het droge bestanddeel van de afvalstof : < 6%;
 

voor de toepassing van deze bepalingen wordt met vaste polymeren bedoeld de kunststoffen in vaste vorm zoals folies, granulaten, voorwerpen, vaste brokken;

 

analysemethode:

  a) gloeiverlies: CMA/2/II/A.2;
  b) totaal organische koolstof: CMA/2/II/A.7;
voor de steekvastheid van baggerspecie wordt volgende waarde als richtwaarde gehanteerd : afschuifspanning > 10 kN/m2, met als methode CMA/2/II/A.4; in ieder geval moeten de betreedbaarheid en stabiliteit van de stortplaats steeds verzekerd blijven;
uitlooggedrag: het uitlooggedrag wordt bepaald volgens de analysemethode beschreven in de norm CMA/2/II/A.12. De afvalstoffen mogen alleen op de stortplaats worden aanvaard als het eluaat beantwoordt aan de volgende waarden:

 

parameter grenswaarde analysemethode
pH 4 -13 CMA/2/I/A
fenolen (fenolindex) < 100 mg/l CMA/2/I/D
arseen < 1,0 mg/l CMA/2/I/B
lood < 2,0 mg/l CMA/2/I/B
cadmium < 0,5 mg/l CMA/2/I/B
chroom VI < 0,5 mg/l CMA/2/I/C
koper < 10 mg/l CMA/2/I/B
nikkel < 2,0 mg/l CMA/2/I/B
kwik < 0,1 mg/l CMA/2/I/B
zink < 10 mg/l CMA/2/I/B
fluoride < 50 mg/l CMA/2/I/C
ammonium < 1,0 g/l CMA/2/I/E
cyanide (totaal) < 1,0 mg/l CMA/2/I/C
nitriet < 30 mg/l CMA/2/I/C

 

de concentratie voor zware metalen geldt voor het metaal en de verbindingen ervan uitgedrukt als metaal;

 

Afvalstoffen die na toepassing van beste beschikbare technieken inzake uitloging niet voldoen aan de grenswaarde voor het wateroplosbaar gedeelte en/of de voormelde uitloogcriteria, kunnen toch op de stortplaats worden aanvaard op voorwaarde dat de afvalstoffen in zoutcelcondities worden gestort; met zoutcelcondities wordt bedoeld het onder de beste omstandigheden fysisch afschermen van de afvalstoffen van het percolaat; die afvalstoffen kunnen slechts op de stortplaats worden aanvaard voor zover ze uitdrukkelijk in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit zijn toegelaten en mits naleving van de daartoe in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit gestelde bijzondere voorwaarden.


Art. 5.2.5.3.3. Criteria voor baggerspecie die aanvaardbaar is op monostortplaatsen voor gevaarlijke baggerspecie

Onverminderd de bepalingen van artikel 5.2.5.2.1, kan op een monostortplaats voor gevaarlijke baggerspecie, gevaarlijke baggerspecie worden gestort die de nodige voorbehandeling heeft ondergaan, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden :

alleen die baggerspecie mag worden aanvaard die uitdrukkelijk in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is toegelaten; [...]
de baggerspecie, afkomstig van de fysico-chemische immobilisatiebehandeling van baggerspecie mag met het oog op de uitharding in brij- of pasteuze vorm op de monostortplaats worden gestort voor zover dit uitdrukkelijk in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is toegelaten en mits naleving van de daartoe in de vergunning gestelde bijzondere voorwaarden.
De volgende grenswaarden voor uitloging zijn van toepassing, berekend bij L/S = 10 l/kg voor totale afgifte.

 

Componenten

L/S = 10 l/kg

mg/kg droge stof

As

25

Ba

300

Cd

5

Crtotaal

70

Chroom VI

5

Cu

100

Hg

2

Mo

30

Ni

40

Pb

50

Sb

5

Se

7

Zn

200

Cyanide (totaal)

10

Chloride

25.000

Fluoride

500

Sulfaat

50.000

DOC(*)

1.000

TDS (**)

100.000

(*) als de afvalstoffen bij hun eigen pH-waarde niet aan deze waarden voor DOC voldoen, kunnen ze eventueel worden getest hij L/S = 10 l/kg en een pH van 7,5- 8.0. De afvalstoffen kunnen worden beschouwd als zijnde in overeenstemming met de aanvaardingscriteria voor DOC, als het resultaat van deze bepaling niet hoger is dan 800

 

(**) de waarden voor TDS kunnen als alternatief voor de waarden voor sulfaat en chloride worden gebruikt

 

Als overige criteria gelden :

behalve aan de grenswaarden voor uitloging, vermeld in het eerste lid, moeten gevaarlijke afvalstoffen aan de volgende aanvullende criteria voldoen :

Parameter

Waarde

LOI (*)

10 %

TOC (totaal organisch koolstof)(*)

6 % (**)

pH

4-13

ZBV (zuurbindend vermogen)

Moet worden gecontroleerd (***)

 

 

  (*) LOI of TOC moet worden gebruikt.
  (**) Als deze waarde wordt overschreden kan in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit een hogere grenswaarde worden toegelaten, mits voor de DOC een waarde van 1.000 mg/kg niet wordt overschreden bij L/S = 10 l/kg en de pH-waarde van het materiaal zelf dan wel een pH tussen 7,5 en 8.
  (**) het zuurbindend vermogen van de afvalstof moet worden gecontroleerd. Meer bepaald moet het bufferend vermogen van de afvalstof voldoende zijn opdat ook in contact met het infiltrerend neerslagwater het voldoen aan de grenswaarden voor uitloging verzekerd blijft.
extraheerbare apolaire koolwaterstoffen : < 5 Gew.-% op de watervrije afvalstof;
totaal oplosmiddelen (aspecifiek) : < 3 Gew.-% op de watervrije afvalstof;
totaal extraheerbare organohalogeenverbindingen : < 1000 mg per kg op de watervrije afvalstof;
voor de steekvastheid van slib wordt volgende waarde als richtwaarde gehanteerd : afschuifspanning > 10 kN/m2. In ieder geval moeten de betreedbaarheid en stabiliteit van de stortplaats steeds verzekerd blijven.

 


Subafdeling 5.2.5.4.
Werkplan


Art. 5.2.5.4.1.

Voor de monostortplaats dient het algemene werkplan de volgende bijkomende gegevens te vermelden :


inrichtingsplan van de stortplaats omvattende :
a)
aanvullings-, nivellerings- en profileringsplan;
b)
constructie en uitvoering van de drainagesystemen met beschermingslagen (dimensionering en gebruikte materialen);
c)
voor stortplaatsen in ophoging : constructie van de stortdijken (afmetingen en gebruikte materialen);
d)
constructie en uitvoering van de afsluitlaag met beschermingslagen (gebruikte materialen);

de indeling van de beschikbare stortruimte in stortvakken;

de volgorde van opvulling in tijd en ruimte bij normale baggerspecieaanvoer en de werkwijze bij abnormaal grote baggerspecieaanvoer;

de werkwijze inzake het storten en het verdichten;

de dikte van de baggerspecielaag voor het aanbrengen van de tussenafdek en eindafdek;

de lengte van het stortfront;

de organisatie van de aanvoer en de opslag van afdekmaterialen;

het drainageplan omvattende het schema en de organisatie van de maatregelen inzake de verwerking van het percolatiewater;

de vestiging, de dimensionering en het werkingsschema van de installatie voor zuivering van het percolatiewater zodat aan de opgelegde lozingsnormen kan worden voldaan;
10° de maatregelen om de stabiliteit van de gestorte baggerspecie, afdekmaterialen en afdekgronden te verzekeren;
11°
het gasdrainageplan omvattende het schema en de organisatie van de maatregelen inzake de verwerking van het vrijkomende stortgas;
12°
het afwerkingsplan omvattende de eindprofielen en de constructie en uitvoering van de afdichtlaag en eindafdek;
13°
het afwateringsplan van het afgewerkte terrein.

 

Het werkplan dient de goedkeuring van de toezichthoudende overheid te dragen. Het goedgekeurde werkplan wordt gevolgd door de toezichthouder.


Subafdeling 5.2.5.5.
Inrichting, infrastructuur en afwerking van de stortplaats


Art. 5.2.5.5.1.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan worden opgelegd dat een installatie voor wielwassing, al of niet manueel te bedienen, aan de uitrit wordt geļnstalleerd. In bevestigend geval waakt de exploitant er over dat de wielwassing wordt uitgevoerd.

 

Het indringen van grondwater of afvloeiwater van naburige percelen wordt voorkomen. Dat kan gebeuren door het aanleggen van een kwelsloot rond de stortplaats of een drainagesysteem. De diepte en de plaats van de kwelsloot of de uitvoering van het drainagesysteem worden bepaald op basis van de hydrogeologische toestand van de vestigingsplaats zoals deze blijkt uit de hydrogeologische studie en/of het aanvraagdossier, en desgevallend nader in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is bepaald.


Art. 5.2.5.5.2.

§ 1.

Om te voorkomen dat de bodem of het grondwater worden verontreinigd, worden op de monostortplaats, overeenkomstig de resultaten van de hydrogeologische studie en de stabiliteitsstudie en overeenkomstig het goedgekeurde werkplan, achtereenvolgens de volgende voorbereidende infrastructuurwerken uitgevoerd :

voorbereidende grondwerken;
voor stortplaatsen in ophoging : het aanbrengen van de stortdijken;
het aanbrengen van de afsluitlaag en tenzij anders bepaald in de vergunning het aanbrengen van een controledrainagesysteem;
aanbrengen van een percolaatdrainagesysteem.

 

De uitvoering van de verschillende werken gebeurt onder toezicht van een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein geohydrologie, of in de discipline bodem, deeldomeinen pedologie of geologie, erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu. Deze deskundige stelt na afloop een rapport op waarin hij de conformiteit van de uitgevoerde werken aan het goedgekeurde inrichtingsplan attesteert. Dit rapport wordt bezorgd aan de toezichthoudende overheid.

 

§ 2.

De voorbereidende grondwerken omvatten het opruimen, het nivelleren, profileren en het verdichten van het terrein.

 

§ 3.

De afsluitlaag :

kan bestaan uit een homogene slecht doorlatende laag bodemmateriaal met daarboven een kunstmatige afdichting van aaneengelaste foliematerialen tussen aangepaste beschermingslagen;

 

De bodem en zijkanten van de stortplaats moeten bestaan uit een minerale laag die voldoet aan voorschriften inzake doorlatendheid en dikte, die tezamen een niveau van bescherming (K) van bodem, grondwater en oppervlaktewater moeten garanderen dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat bereikt wordt met een slecht doorlatende laag van 5 meter dikte en een K-waarde die kleiner dan of gelijk is aan 1,0 H 10 -9 m/s.

 

De homogene slecht doorlatende laag bedoeld hierboven kan van nature aanwezig zijn indien de geologische toestand van het terrein voldoende waarborgen biedt inzake ondoorlatendheid. Het bewijs van ondoorlatendheid wordt door de aanvrager voldoende bewezen en moet door de toezichthoudende overheid aanvaard worden. De natuurlijke omstandigheden dienen in ieder geval voldoende garanties te bieden om elke bodem- of grondwaterverontreiniging ingevolge het weglekken van percolaat te voorkomen;

 

Indien de geologische barričre niet op natuurlijke wijze aan bovengenoemde voorwaarden voldoet, kan zij kunstmatig worden aangevuld en versterkt met andere middelen die een gelijkwaardig beschermingsniveau garanderen. Een kunstmatige geologische barričre mag niet dunner zijn dan 0,5 meter.

 

De kunstmatige afdichting bestaande uit aaneengelaste foliematerialen tussen aangepaste beschermingslagen wordt aangebracht op de bodem en op de wanden van de stortplaats. De gebruikte foliematerialen zijn minstens gelijkwaardig aan een HDPE-folie van 2.5 mm dikte.

kan andere uitvoeringsvormen aannemen die de goedkeuring van de toezichthoudende overheid vereisen. De aanvrager dient de degelijkheid ervan te bewijzen. De andere uitvoeringsvormen dienen minstens gelijkwaardig te zijn aan de dubbele afsluitlaag zoals beschreven in punt 1° hierboven.

 

§ 4.

Bij het storten in ophoging wordt het volledige stortterrein met stortdijken omgeven. De stortdijken zijn voldoende breed en hoog opgevat. Het dijklichaam wordt opgebouwd uit homogeen materiaal dat voldoende verdicht wordt. De stortdijken worden aangebracht overeenkomstig de vordering der stortactiviteiten zoals vermeld in het goedgekeurde werkplan. Op het binnenbeloop van de stortdijken en indien nodig ook op de dijkkruin wordt een afsluitlaag aangebracht als vermeld in § 3. Het buitenbeloop van de stortdijken wordt met gras ingezaaid.

 

§ 5.

Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt een controledrainagesysteem bestaande uit een buizensysteem met afvoerkokers of een ander gelijkwaardig systeem aangebracht tussen de slecht doorlatende laag en de kunstmatige afdichting bestaande uit foliematerialen. Het drainagesysteem wordt geplaatst in een doorlatende bodemlaag. Het drainagesysteem wordt zo geconstrueerd dat een snelle detectie van eventuele lekken in de folie, en een regelmatige doorspoeling van de drainagebuizen tijdens de exploitatie mogelijk is.

 

§ 6.

Een percolaatdrainagesysteem bestaande uit een buizensysteem met afvoerkokers of een ander gelijkwaardig systeem wordt aangebracht op de bodem bovenop de afsluitlaag en wordt geplaatst in een doorlatende bodemlaag van minstens 0,4 meter dikte. Het drainagesysteem wordt zo geconstrueerd dat een regelmatige doorspoeling van de drainagebuizen tijdens de exploitatie mogelijk is.

 

§ 7.

De drainagesystemen vermeld in § 5 en § 6, hierboven worden zo aangelegd dat, rekening houdend met de resultaten van de stabiliteitsstudie, de goede werking steeds verzekerd blijft. De gebruikte drainagebuizen beantwoorden inzake sterkte aan de resultaten van de stabiliteitsstudie. De dimensionering van de drainagesystemen en de keuze van de materialen vindt plaats rekening houdend met de te verwachten hoeveelheden percolaat en de samenstelling ervan. De drainagesystemen worden beschermd tegen dichtslibbing door het aanbrengen van aangepaste beschermingslagen.

 

Om een vlotte evacuatie van het percolaat te verzekeren worden, indien nodig, bij de verdere opbouw van de stortheuvel bijkomende drainagelagen (horizontaal en/of verticaal) aangelegd.

 

§ 8.

De uitvoering van de voorbereidende infrastructuurwerken kan gefaseerd worden overeenkomstig het goedgekeurde inrichtingsplan.


Art. 5.2.5.5.3.

§ 1.

Voor iedere watervoerende laag die door de stortplaats kan worden beļnvloed worden voor de aanvang van de stortactiviteiten rondom het stortterrein minstens 3 genivelleerde meetputten voor grondwater aangelegd (minstens één meetpunt bevindt zich aan de zijde waar het grondwater het gebied van de stortplaats binnenstroomt en twee bevinden zich aan de zijde waar het grondwater het gebied van de stortplaats uitstroomt). De meetputten moeten een representatieve bepaling van de plaatselijke grondwaterkwaliteit en de beļnvloeding ervan door de stortplaats mogelijk maken. Het aantal meetputten, de vestigingsplaats en de technische kenmerken ervan worden bepaald in overleg met de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij op basis van de hydrogeologische toestand van het terrein zoals deze blijkt uit de hydrogeologische studie en/of het dossier van de vergunningsaanvraag, en eventueel nader in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is bepaald.

 

§ 2.

De verschillende meetputten worden duidelijk geļdentificeerd. Een nivelleringsmerkstreep met vermelding van het bijhorende TAW-niveau of het niveau dat refereert aan een ander topografisch referentiepunt wordt duidelijk aangebracht. De meetputten worden met een slot afgegrendeld.

 

§ 3.

De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij wordt tijdig in kennis gesteld van het aanleggen van deze meetputten zodat haar afgevaardigde hierbij aanwezig kan zijn. Bij het aanleggen van iedere meetput maakt de boormeester een technisch verslag op overeenkomstig de richtlijnen van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij.

 

§ 4.

Na het aanleggen worden de meetputten aan een testpomping onderworpen. De testpompingen worden uitgevoerd overeenkomstig de richtlijnen van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij.

 

§ 5.

Voor iedere meetput wordt een fiche opgesteld die alle technische gegevens in verband met zijn constructie en de uitgevoerde testpomping bevat. Deze fiche wordt opgesteld overeenkomstig de richtlijnen van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij.

 

§ 6.

Voor met de exploitatie van de stortplaats wordt gestart, wordt de nultoestand van de grondwaterkwaliteit bepaald. Op z’n vroegst één week na de testpomping worden de verschillende meetputten bemonsterd en aan een volledige analyse onderworpen, overeenkomstig de richtlijnen van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij. De metingen en analyses worden uitgevoerd door een daartoe erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein grondwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL. Het grondwaterpeil wordt opgemeten. De analyseresultaten gelden als basisreferentiewaarde.

 

§ 7.

De technische fiche voor elke meetput opgesteld, wordt toegezonden aan de toezichthoudende overheid en aan de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij.


Art. 5.2.5.5.4.

§ 1.

Op de monostortplaatsen worden, om te verhinderen dat water de stortplaats zou binnendringen en om de stortplaats ruimtelijk te integreren, op stortvakken waar de stortactiviteiten definitief worden beėindigd, [...] een afdichtlaag en een eindafdek aangebracht.

 

De uitvoeringswijze van de verschillende werken, de gebruikte materialen en de oplevering van de uitgevoerde werken moeten door de toezichthoudende overheid worden goedgekeurd. Ze kan daarvoor het advies van een onafhankelijk en terzake competent orgaan of persoon inwinnen en kan desgewenst controletests laten uitvoeren.

 

§ 2.

De afdichtlaag :

kan bestaan uit een homogene laag van slecht doorlatend bodemmateriaal met daarboven een kunstmatige afdichting van aaneengelaste foliematerialen, tussen aangepaste beschermingslagen;
de slecht doorlatende laag wordt aangebracht als een continue laag over het volledige stortterrein. Inzake doorlatendheid is de slecht doorlatende laag gelijkwaardig aan een laag van 0,5 meter dikte met een k-waarde die kleiner is dan of gelijk aan 1.10-9 m/s;
de gebruikte foliematerialen zijn minstens gelijkwaardig aan een HDPE-folie van 2,5 mm dikte;

kan andere uitvoeringsnormen aannemen die door de toezichthoudende overheid moeten worden goedgekeurd. De aanvrager dient de degelijkheid ervan te bewijzen. De andere uitvoeringsvormen dienen minstens gelijkwaardig te zijn aan de dubbele afdichtlaag zoals beschreven in punt 1 hierboven.

 

Een licht verhang overeenkomstig het afwateringsplan is noodzakelijk om de afvloeiing van het regenwater mogelijk te maken.

 

§ 3.

Bovenop de dichtlaag wordt de eindafdek aangebracht. De eindafdek bestaat uit een drainerende laag van meer dan 0,5 meter dikte bestaande uit materialen zoals grof gebroken puin en zand. De drainerende laag bevat de nodige beschermingslagen tegen dichtslibbing. Bovenop de drainerende laag wordt een bewortelingslaag van meer dan 1 meter dikte aangebracht. In de bovenlaag wordt, indien nodig, een begreppeling aangebracht. De drainerende laag kan vervangen worden door een alternatief drainagesysteem. De totale dikte van de eindafdek bedraagt in ieder geval minstens 1,50 meter.

 

§ 4.

Binnen de kortst mogelijke termijn worden de gedeelten die een eindafdek hebben gekregen ingezaaid met gras.

 

§ 5.

De begroeiing mag de aangebrachte afdichtlaag niet kunnen beschadigen. Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit dient de ontwikkeling van hoogstammige gewassen te worden verhinderd.


Art. 5.2.5.5.5.

Toereikende maatregelen worden genomen om een gecontroleerde evacuatie van het gevormde stortgas te verzekeren en ongecontroleerde ophoping ervan te voorkomen.

 

Op biologische actieve stortplaatsen wordt, voor de afdichtlaag wordt aangebracht, een gasdrainagesysteem aangelegd. Het gasdrainagesysteem kan bestaan uit horizontale en/of verticale drainagebuizen, indien nodig geplaatst in een drainerende laag. Het wordt zo geconcipieerd dat al het vrijkomende stortgas wordt opgevangen en op een veilige manier wordt afgevoerd. Het gasdrainagesysteem dient door de toezichthoudende overheid te worden goedgekeurd.

 

Het opgevangen stortgas wordt bij voorkeur gevaloriseerd als energiebron. Indien valorisatie niet haalbaar is wordt het stortgas, tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit verbrand in een daartoe aangepaste gasfakkel.


Subafdeling 5.2.5.6.
De exploitatie, afwerking en nazorg


Art. 5.2.5.6.1.

§ 1.

De exploitant deelt de datum van de definitieve beėindiging van de stortactiviteiten in een stortvak schriftelijk mee aan de toezichthoudende overheid binnen de maand na beėindiging van de stortactiviteiten.

 

§ 2.

Voor een stortplaats, of voor een gedeelte daarvan, dient met de afwerking en de sluitingsprocedure te worden begonnen wanneer :

ofwel, de stortplaats of een gedeelte ervan zijn capaciteit heeft bereikt;
ofwel, de exploitant van de stortplaats in afwijking van zijn werkplan daartoe zelf besluit, mits de toezichthoudende overheid haar schriftelijke goedkeuring heeft gegeven;
ofwel, de vergunningverlenende overheid daartoe besluit;
ofwel, bij het verstrijken van de vergunningstermijn, in geval geen hernieuwing van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit werd verkregen.

 

§ 3.

Om het binnendringen van water in de monostortplaats te vermijden wordt zo snel mogelijk een afdichtlaag aangebracht.

 

§ 4.

De volledige afwerking wordt uitgevoerd uiterlijk één jaar na het tijdstip vermeld in § 1. Rekening houdend met stabilisatie en zettingen kunnen in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit andere termijnen worden bepaald.

 

§ 5.

Een stortplaats of een gedeelte daarvan wordt pas als definitief afgewerkt beschouwd, wanneer de toezichthoudende overheid na het uitvoeren van een eindinspectie ter plaatse en na het beoordelen van alle verslagen die de exploitant heeft ter beschikking gesteld, een proces-verbaal houdende definitieve afwerking van de stortplaats opgesteld heeft.

 

De toezichthoudende overheid bezorgt de exploitant een kopie van dit proces-verbaal. Een en ander doet in geen geval af aan de verantwoordelijkheid van de exploitant uit hoofde van de vergunningsvoorwaarden.

 

§ 6.

De exploitant blijft, nadat de stortplaats definitief is gesloten, verantwoordelijk voor onderhoud, toezicht en controle in de nazorgfase zolang de vergunningverlenende overheid zulks nodig acht, rekening houdend met de tijd gedurende welke de stortplaats gevaar kan opleveren. De exploitant van de stortplaats is verantwoordelijk voor toezicht op en analyse van het stortplaatsgas, het stortplaatspercolaat en het grondwater in de omgeving van de stortplaats, zolang de vergunningverlenende overheid van oordeel is dat een stortplaats gevaar voor het milieu kan opleveren en onverminderd eventuele andere wetgeving met betrekking tot de aansprakelijkheid van de houder van het afval. De exploitant stelt de toezichthoudende overheid en de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij in kennis van alle significante nadelige milieueffecten die bij de controleprocedures aan het licht zijn gekomen en geeft gevolg aan het besluit van de bevoegde autoriteit omtrent de aard en het tijdstip van de uit te voeren corrigerende maatregelen.


Art. 5.2.5.6.2.

§ 1.

Verontreiniging van bodem, oppervlakte- en/of grondwater ten gevolge van de exploitatie van de monostortplaats wordt steeds voorkomen.

 

§ 2.

Het overtollige niet-verontreinigde regenwater of afvloeiwater wordt opgevangen en afgevoerd.

 

§ 3.

Het gevormde percolaat wordt permanent afgepompt. Het waterpeil in de opvangputten voor percolaat mag niet hoger komen dan de halve hoogte van de laagste draineerbuizen die erin uitmonden.

 

§ 4.

Het is verboden percolaat of ander overtollig water opnieuw over de stortplaats te sproeien om het te verwerken.

 

§ 5.

Het overtollige verontreinigde afvloeiwater en het percolaatwater worden onafgebroken overgepompt naar een ondoorlatend verzamelbekken. De capaciteit wordt zo berekend dat te allen tijde de gevormde hoeveelheid percolaat kan worden opgevangen. Maatregelen worden getroffen om te beletten dat het water in het verzamelbekken hinder veroorzaakt voor de omgeving. In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan een technisch alternatief worden toegestaan.

 

§ 6.

Afhankelijk van de kwaliteit van het te lozen water en van de lozingsvoorwaarden moet zonodig een aangepaste waterzuiveringsinstallatie worden gebouwd.

 

§ 7.

De waterzuiveringsinstallatie wordt zo aangelegd dat iedere verontreiniging van bodem en grondwater wordt voorkomen. De verzamel- en behandelingsbekkens worden vloeistofdicht gemaakt. Het waterzuiveringssysteem wordt zo geconcipieerd dat in ieder geval steeds wordt voorkomen dat water dat niet aan de lozingsnormen voldoet, zou worden geloosd.

 

§ 8.

De producten nodig voor de waterzuivering worden gestockeerd in een afsluitbaar lokaal dat beantwoordt aan de vereisten voor de opslag van die producten.

 

§ 9.

De afwatering van de beėindigde stortvakken gebeurt zo dat het regenwater zonder te worden verontreinigd kan afvloeien of worden weggepompt.


Art. 5.2.5.6.3.

§ 1.

De periode van nazorg voor de monostortplaats bedraagt ten minste 30 jaar. De periode van nazorg vangt aan op datum van het proces-verbaal van de toezichthoudende overheid houdende vaststelling van de definitieve afwerking van de monostortplaats. De vergunningverlenende overheid kan de periode van nazorg verlengen op verzoek van de toezichthoudende overheid of van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij en op basis van de evolutie van de grondwaterkwaliteit, het gedrag van de stortplaats, zettingen, de vorming van percolaat of stortgassen, of andere gebeurtenissen die een nadelige invloed op het milieu hebben.

 

§ 2.

De nazorgactiviteiten omvatten minstens de volgende punten :

de instandhouding en het onderhoud van de volgende infrastructuur : de omheining en toegangspoorten; de wegenis op het afgewerkte terrein;
het beheer van de begroeiing;
de regelmatige controle van de toestand van de afwerkingslagen, stortdijken en taluds eventuele zettingen en erosie na te gaan, met inbegrip van eventuele herstelwerkzaamheden;
de instandhouding en het onderhoud van de drainagesystemen met inbegrip van het afpompen en het zuiveren van het nog gevormde percolaat;
de instandhouding, het onderhoud en de exploitatie van de ontgassingsinfrastructuur, met inbegrip van de gasfakkel;
de instandhouding en het onderhoud van de meetputten voor grondwater met inbegrip van het uitvoeren van de in de vergunning opgelegde controles en metingen;
de jaarlijkse rapportering zoals opgelegd in de vergunning.

 

§ 3.

Bij het beėindigen van de definitieve afwerking van de stortplaats legt de exploitant een nazorgplan ter goedkeuring voor. Het nazorgplan dient minstens de volgende punten te bevatten :

een tijdschema voor het uitvoeren van de in de vergunning opgelegde controles en metingen;
een werkplan voor het uitvoeren van de nazorgactiviteiten vermeld in § 2.

 

§ 4.

Het nazorgplan wordt goedgekeurd door de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij inzake de controle en de metingen van het grondwater en door de toezichthoudende overheid inzake alle andere punten.

 

§ 5.

Het goedgekeurde nazorgplan maakt deel uit van het proces-verbaal van de toezichthoudende overheid houdende vaststelling van de definitieve afwerking van de stortplaats.

 

§ 6.

Indien naar aanleiding van de uitvoering van de nazorgactiviteiten nadelige gevolgen voor het milieu worden ontdekt, stelt de exploitant onverwijld de toezichthoudende overheid en de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij hiervan in kennis. Hij vermeldt ook de aard en het tijdstip van uitvoering van de voorgenomen corrigerende maatregelen. Deze maatregelen, door de exploitant te bekostigen dienen, naargelang het grondwateraspecten betreft of andere aspecten, de goedkeuring van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij of van de toezichthoudende overheid te dragen. Indien de exploitant de aldus al of niet gewijzigde maatregelen niet zelf uitvoert of laat uitvoeren binnen de gestelde termijn, kan de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij de bedoelde maatregelen laten uitvoeren voor rekening van de exploitant.


Art. 5.2.5.6.4. Water-, percolaat- en gascontrole

Monsters van percolaat en eventueel aanwezig oppervlaktewater worden op representatieve plaatsen vergaard. Het percolaat wordt afzonderlijk op elk punt waar percolaat uit de stortplaats vrijkomt, bemonsterd en gemeten (volume en samenstelling). Het eventueel aanwezige oppervlaktewater wordt op ten minste twee punten gecontroleerd, één stroomopwaarts en één stroomafwaarts van de stortplaats.

 

De gascontrole moet representatief zijn voor elk gedeelte van de stortplaats.

 

Om percolaat en water te controleren wordt een monster genomen dat representatief is voor de gemiddelde samenstelling.

 

Als er percolaat wordt opgevangen, wordt het percolaatwater volgens de frequentie aangegeven in de onderstaande tabel bemonsterd en geanalyseerd door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein afvalwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), 1), van het VLAREL. Het gezuiverde percolaat dat wordt geloosd wordt minstens maandelijks bemonsterd en geanalyseerd. Die controles (bemonstering en analyse) worden voortgezet gedurende de periode van nazorg tot zolang percolaatwater wordt gevormd. De te analyseren stoffen omvatten ten minste de algemene kwaliteitsparameters (temperatuur, pH, geleidbaarheid, normale kationen en anionen) aangevuld met de relevante verontreinigingsparameters (zware metalen, organische stoffen) die worden vastgelegd op basis van de samenstelling van de gestorte afvalstoffen. De lijst van parameters die bij de analyses bepaald worden, draagt de goedkeuring van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij.

 

Op stortplaatsen met een actieve ontgassing wordt de samenstelling van het stortgas bepaald volgens de frequentie, aangegeven in de volgende tabel:

 

exploitatiefase

nazorgfase

hoeveelheid percolaat

maandelijks (1), (3)

halfjaarlijks (3)

samenstelling percolaat (2)

driemaandelijks(3)

halfjaarlijks

hoeveelheid en samenstelling van het-oppervlaktewater(7)

driemaandelijks(3)

halfjaarlijks

potentiėle gasuitstoot en atmosferische druk (4) (CH4, CO2, O2, H2S, H2,…)

maandelijks (1), (5)

halfjaarlijks (6)

(1) De frequentie kan worden aangepast aan de hand van de morfologie van het gestorte afval in tumulusvorm, bedolven …

Dat moet in de vergunning worden vermeld

(2) De te meten parameters en te analyseren stoffen variėren naargelang van de samenstelling van het gestorte afval. Ze worden vermeld in de vergunning en weerspiegelen de uitloogkenmerken van de afvalstoffen

(3) Als de evaluatie van de gegevens aangeeft dat langere tussenpozen even effectief zijn, kunnen de tussenpozen worden aangepast. Voor percolaten wordt de geleidbaarheid minstens eenmaal per jaar bepaald

(4) De metingen hebben hoofdzakelijk betrekking op het gehalte organisch materiaal in de afvalstoffen

(5) CH4, CO2, O2 regelmatig, andere gassen naar behoefte, afhankelijk van de samenstelling van de gestorte afvalstoffen, waarbij ernaar gestreefd wordt de uitloogeigenschappen te weerspiegelen

(6) De doelmatigheid van het gasopvangsysteem wordt regelmatig gecontroleerd

(7) Op grond van de kenmerken van het stortterrein mag de bevoegde instantie bepalen dat de metingen niet vereist zijn.

 

Met het oog op het opmaken van een waterbalans worden door meting op de stortplaats of via het dichtstbijzijnde meteorologische station de volgende gegevens verzameld:

 

exploitatiefase

nazorgfase

neerslaghoeveelheid

dagelijks

dagelijkse waarden, opgeteld tot maandwaarden

temperatuur (min. max., 14.00 h MET)

dagelijks

maandgemiddelde

heersende windrichting en –kracht

dagelijks

niet vereist

verdamping lysimeter (1)

dagelijks

dagelijkse waarden, opgeteld tot maandgemiddelden

luchtvochtigheid (14.00h MET )

dagelijks

maandgemiddelde

(1) of met een ander geschikte methode


Art. 5.2.5.6.5. Bescherming van het grondwater

§ 1.

Voor iedere watervoerende laag die door de stortplaats kan worden beļnvloed, worden voor de aanvang van de stortactiviteiten rondom het stortterrein minstens drie genivelleerde meetputten voor grondwater aangelegd. Minstens één meetput bevindt zich aan de kant waar het grondwater het gebied van de stortplaats binnenstroomt en twee bevinden zich aan de kant waar het grondwater het gebied van de stortplaats uitstroomt. Dat aantal kan verhoogd worden op grond van een specifiek hydrogeologisch onderzoek en de noodzaak van een vroegtijdige vaststelling van accidenteel percolaatverlies in het grondwater. De meetputten moeten een representatieve bepaling van de plaatselijke grondwaterkwaliteit en de beļnvloeding ervan door de stortplaats mogelijk maken. Het aantal meetputten, de locatie en de technische kenmerken ervan worden bepaald in overleg met de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij op basis van de hydrogeologische toestand van het terrein zoals die blijkt uit de hydrogeologische studie of het dossier van de vergunningsaanvraag, en zoals die, in voorkomend geval, in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit nader is bepaald.

 

§ 2.

De verschillende meetputten worden duidelijk geļdentificeerd. Een nivelleringsmerkstreep met vermelding van het bijbehorende TAW-niveau of het niveau dat refereert aan een ander topografisch referentiepunt wordt duidelijk aangebracht. De meetputten worden met een slot vergrendeld.

 

§ 3.

De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij wordt op de hoogte gebracht van de aanleg van die meetputten zodat haar afgevaardigde daarbij aanwezig kan zijn. Bij de aanleg van iedere meetput maakt de boormeester een technisch verslag op conform de richtlijnen van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij.

 

§ 4.

Nadat de meetputten aangelegd zijn, worden ze aan een testpomping onderworpen. De testpompingen worden uitgevoerd conform de richtlijnen van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij.

 

§ 5.

Voor iedere meetput wordt een fiche opgesteld die alle technische gegevens over zijn constructie en de uitgevoerde testpomping bevat. Die fiche wordt opgesteld conform de richtlijnen van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij.

 

§ 6.

Vóór met de exploitatie van de stortplaats wordt gestart, wordt de nultoestand van de grondwaterkwaliteit bepaald. Op zijn vroegst één week na de testpomping worden de verschillende meetputten bemonsterd en aan een volledige analyse onderworpen, conform de richtlijnen van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij. Om referentiewaarden voor latere bemonstering vast te stellen, worden op ten minste drie plaatsen monsters genomen voor er gestart wordt met met storten. De metingen en analyses worden uitgevoerd door een daarvoor erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein grondwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), 3), van het VLAREL. Het grondwaterpeil wordt opgemeten. De analyseresultaten gelden als basisreferentiewaarde.

 

§ 7.

De technische fiche die voor elke meetput wordt opgesteld, wordt naar de toezichthouder en naar de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij gestuurd.

 

§ 8.

Op kosten van de exploitant worden voor de aanvang van de stortactiviteiten en nadien volgens de frequentie, vermeld in de tabel van paragraaf 9, door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein grondwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), 3), van het VLAREL, de grondwaterniveaus in de meetputten opgemeten en worden watermonsters uit de meetputten voor grondwater genomen en geanalyseerd door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein grondwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), 3), van het voormeld besluit. De monstername wordt een eerste keer uitgevoerd vóór de aanvang van de stortactiviteiten en minstens een week nadat de testpompingen zijn uitgevoerd. De analyseverslagen worden naar de exploitant en de toezichthouder gestuurd. De controles met betrekking tot de bemonstering en analyse worden voortgezet gedurende de periode van nazorg. De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij kan na die termijn nog jaarlijks controles opleggen.

 

§ 9.

De te analyseren stoffen omvatten ten minste de algemene kwaliteitsparameters voor grondwater, met name temperatuur, pH, geleidbaarheid, normale kationen en anionen, aangevuld met de relevante verontreinigingsparameters, met name zware metalen en organische stoffen, die worden vastgelegd op basis van de samenstelling van het percolaat. De lijst van de parameters die bij de analyses bepaald worden, draagt de goedkeuring van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij. Bij de keuze van de analyseparameters wordt rekening gehouden met de mobiliteit in de grondwaterzone. De parameters kunnen eventueel indicatorparameters omvatten, zodat een verandering in de waterkwaliteit in een vroeg stadium wordt onderkend.

 

  exploitatiefase nazorgfase
niveau van het grondwater halfjaarlijks (1) halfjaarlijks (1)
samenstelling van het grondwater halfjaarlijks (2),(3)> halfjaarlijks (2),(3)
(1) In geval van veranderende grondwaterniveaus wordt de frequentie verhoogd.
(2) De frequentie is gebaseerd op de mogelijkheid van corrigerende ingrepen tussen twee bemonsteringen als een interventiepunt bereikt wordt. De frequentie wordt met andere woorden bepaald op basis van de kennis en de beoordeling van de snelheid van de grondwaterstroming
(3) Als een interventiepunt bereikt wordt (zie onder A), is verificatie noodzakelijk door dezelfde monsterneming te herhalen. Als het interventiepunt bevestigd wordt, treedt een urgentieplan in werking dat in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is beschreven.

 

A. Interventiepunt

Er wordt van uitgegaan dat er zich voor het grondwater significante nadelige milieueffecten als vermeld in deze subafdeling, hebben voorgedaan als uit een analyse van een grondwatermonster een significante verandering in de waterkwaliteit blijkt. Een interventiepunt wordt bepaald met inachtneming van de specifieke hydrogeologische formaties op de locatie van de stortplaats en de grondwaterkwaliteit. Het interventiepunt wordt waar mogelijk in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit vermeld.

 

De waarnemingen worden beoordeeld door middel van controlekaarten met vastgestelde controleregels en -niveaus voor elke lagergelegen bron. De controleniveaus worden bepaald op grond van plaatselijke veranderingen in de grondwaterkwaliteit.

 


Art. 5.2.5.6.6. Topografie van de stortplaats: gegevens over de gestorte massa

Jaarlijks worden de volgende gegevens verzameld:

  exploitatiefase nazorgfase
structuur en samenstelling van de gestorte massa (1) jaarlijks  
inklinkingsgedrag van de gestorte massa jaarlijks jaarlijks
(1) gegevens voor de status van de desbetreffende stortplaats: het met afval bedekte oppervlak, het volume en de samenstelling van het afval, de stortmethode, het tijdstip en de duur van stortwerkzaamheden, de berekening van de resterende stortcapaciteit op de stortplaats

 


Art. 5.2.5.6.7.

Minstens jaarlijks wordt een rapport opgemaakt waarin verslag wordt uitgebracht van de stortexploitatie of de nazorgactiviteiten gedurende het afgelopen jaar. Op basis van de samengevoegde gegevens deelt de exploitant volgens de frequentie die is vastgesteld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, maar in ieder geval ten minste één keer per jaar, alle controleresultaten mee aan de verder vermelde autoriteiten om aan te tonen dat aan de vergunningsvoorwaarden is voldaan, en om de kennis over het gedrag van afvalstoffen op stortplaatsen te vergroten.

 

Het rapport, vermeld in het eerste lid, omvat in de exploitatiefase:

de aard, de herkomst en de hoeveelheden van de aangevoerde afvalstoffen, de ingenomen en nog resterende stortoppervlakte en stortcapaciteit;
voor stortplaatsen voor baggerspecie:
  a) een waterbalans van de stortexploitatie op basis van de neerslaggegevens van het dichtstbijzijnde weerstation, eventueel aangevuld met plaatselijke metingen, en hoeveelheden afgepompt en behandeld percolaat, hoeveelheden geloosd water met de berekening van de geloosde vuilvrachten;
  b) de opvolging van de hoeveelheden percolaat, de samenstelling ervan en de toegepaste zuiveringstechnieken;
een bespreking van de grondwaterkwaliteit en de evolutie ervan op basis van de analyseresultaten van de watermonsters uit de meetputten.

 

Het rapport, vermeld in het eerste lid, omvat in de nazorgfase:

een verslag van de nazorgactiviteiten die tijdens het afgelopen jaar uitgevoerd zijn;
een bespreking van de grondwaterkwaliteit en de evolutie ervan op basis van de analyseresultaten van de watermonsters uit de meetputten.

 

Het rapport, vermeld in het eerste lid, wordt minstens jaarlijks uiterlijk tegen 30 april na het kalenderjaar waarop het rapport betrekking heeft en een eerste keer uiterlijk achttien maanden na de aanvang van de eigenlijke stortactiviteiten, bezorgd aan de toezichthouder en aan de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij. Er wordt ook een kopie van het rapport gestuurd naar het gemeentebestuur van de gemeente waar de inrichting ligt, ter inzage voor het publiek. Als een hernieuwing of een omzetting van een milieuvergunning van bepaalde duur naar een vergunning van onbepaalde duur voor de exploitatie van een bestaande stortplaats wordt aangevraagd, worden de rapporten van de afgelopen vergunningsperiode, alsook een globale evaluatie bij het aanvraagdossier gevoegd.


Subafdeling 5.2.5.7.
Financiėle zekerheid


Art. 5.2.5.7.1.

§ 1.

Voor de aanvang van de stortactiviteiten worden door de exploitant van de stortplaats financiėle zekerheden gesteld ten voordele van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij. De financiėle zekerheden waarborgen de volgende risico’s:

de kosten voor de afdichtlaag en de eindafdek van de stortplaats;
de kosten voor de nazorgactiviteiten. 

 

 

§ 2.

De financiėle zekerheden kunnen de volgende vormen aannemen, afzonderlijk of in combinatie:

een verzekering;
een garantie van een financiėle instelling;
een andere persoonlijke of zakelijke zekerheid. 

 

 

§ 3.

Het bedrag van de financiėle zekerheden, vermeld in paragraaf 1, wordt bepaald per risico, vermeld in paragraaf 1, op basis van een uitbatingsproject dat opgesteld is door een door de toezichthoudende overheid aanvaarde deskundige.

 

De kosten van de eindafwerking (afdichtlaag en eindafdek) worden berekend, rekening houdend met het volgende bedrag: 34,71 euro per m² aan te brengen afdichtlaag en eindafdek voor een stortplaats.

 

De kosten voor de nazorgactiviteiten worden berekend, rekening houdend met subafdeling 5.2.5.6.

 

De financiėle zekerheden worden geleidelijk opgebouwd naargelang de vordering van de stortactiviteiten. Het totale bedrag is op elk moment hoog genoeg om een correcte eindafwerking en vergoeding voor mogelijke schade aan het milieu en derden te garanderen.

 

Het bedrag van de financiėle zekerheden, vermeld in paragraaf 1, 1° en 2°, is gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen, met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van maart 1995, namelijk 119,73. De indexering vindt elk jaar automatisch plaats, dus zonder voorafgaande verwittiging, op 1 april van elk jaar.

 

§ 4.

Het voorstel van financiėle zekerheden wordt naar de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij gestuurd of wordt afgegeven op de zetel van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij. De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij onderzoekt de voorgestelde financiėle zekerheden.

 

§ 5.

Als de financiėle zekerheden beantwoorden aan de vereisten, vermeld in paragraaf 1, kent de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij binnen twee maanden nadat ze het voorstel heeft ontvangen, een conformiteitsattest toe. De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij brengt het conformiteitsattest van financiėle zekerheid per aangetekende brief met ontvangstbevestiging ter kennis van:

de exploitant;
de verstrekker van de financiėle zekerheden;
de toezichthoudende overheid. 

 

De stortactiviteiten worden pas aangevat nadat de exploitant het conformiteitsattest heeft ontvangen.

 

§ 6.

Als de financiėle zekerheden niet beantwoorden aan de vereisten, vermeld in paragraaf 1, deelt de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij dat binnen twee maanden nadat ze het voorstel heeft ontvangen, per aangetekende brief mee aan de exploitant en aan de verstrekker van de financiėle zekerheden.

 

§ 7.

Met betrekking tot afgewerkte gedeelten kan het bedrag van de financiėle zekerheid die bestemd is voor de eindafwerking (afdichtlaag en eindafdek) worden vrijgegeven op basis van een voortgangsrapport, opgesteld door een door de toezichthoudende overheid aanvaarde deskundige en een proces-verbaal van vaststelling van de toezichthoudende overheid.

 

Het voortgangsrapport vermeldt onder meer de benuttingsgraad, de resterende kosten voor de afdichtlaag, de eindafdekking en de nazorg van de stortplaats, en een evaluatie van de naleving van de geldende wetgeving.

 

§ 8.

Bij de beėindiging van de definitieve afwerking van de stortplaats en na het voorleggen van een goedgekeurd nazorgplan, beide vastgesteld bij proces-verbaal van de toezichthoudende overheid, wordt, na voorafgaande goedkeuring van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij, binnen dertig dagen het overblijvende bedrag van de financiėle zekerheid die bestemd is voor de eindafwerking (afdichtlaag en eindafdek), vrijgegeven.

 

§ 9.

Bij de beėindiging van de in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit opgelegde periode van nazorg overeenkomstig de opgelegde uitbatingsvoorwaarden, al dan niet geheel of gedeeltelijk ambtshalve uitgevoerd door de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij, vastgesteld bij proces-verbaal van de toezichthoudende overheid, wordt, na voorafgaande goedkeuring van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij, binnen dertig dagen de financiėle zekerheid volledig opgeheven.

 

§ 10.

Het proces-verbaal, vermeld in paragraaf 7, 8 en 9, wordt door de toezichthoudende overheid opgesteld binnen negentig werkdagen nadat ze de vraag van de exploitant ontvangen heeft.


Art. 5.2.5.7.2.

De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij kan op de wijze, vermeld in het tweede tot en met het vijfde lid, aanspraak maken op een gestelde financiėle zekerheid.

 

Op gemotiveerd verzoek van de toezichthoudende overheid houdende vaststelling van niet-naleving van de vergunningsvoorwaarden of op basis van eigen vaststellingen stelt de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij per aangetekende brief de exploitant in gebreke. In de ingebrekestelling wordt vermeld welke maatregelen van de exploitant worden verwacht, alsook de termijn voor de uitvoering ervan. Een afschrift van de ingebrekestelling wordt aangetekend bezorgd aan de verstrekker van de financiėle zekerheid.

 

Als de exploitant binnen een termijn van één maand niet schriftelijk het engagement aangaat om de gevraagde maatregelen stipt uit te voeren, of als de exploitant zich niet aan die stipte uitvoering houdt, beslist de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij om de nodige maatregelen ambtshalve uit te voeren.

 

De beslissing tot ambtshalve uitvoering wordt per aangetekende brief meegedeeld aan de exploitant van de stortplaats, alsook aan de verstrekker van de financiėle zekerheid en aan de toezichthoudende overheid.

 

Voor de aanvang van de uitvoering van de nodige maatregelen bezorgt de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij het goedgekeurde bestek, met inbegrip van de prijsraming, inclusief de planning voor de uitvoering en de financiering van de werken, aan de verstrekker van de financiėle zekerheid. De verstrekker van de financiėle zekerheid staat in voor de betaling van de door de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij voorgelegde facturen en draagt de verantwoordelijkheid voor de betaling ervan.