Onderafdeling III.
Historische bodemverontreiniging


A. Saneringsplicht.

Art. 109.

§ 1

Als de OVAM op basis van het oriėnterend bodemonderzoek, vermeld in artikel 102, of het grondeninformatieregister van oordeel is dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat een risicogrond is aangetast door een ernstige historische bodemverontreiniging, kan de overdracht niet plaatsvinden voor de overdrager of, in voorkomend geval, de gemandateerde voor die bodemverontreiniging een beschrijvend bodemonderzoek heeft uitgevoerd en het verslag ervan aan de OVAM heeft bezorgd.

 

§ 2

Als de OVAM op basis van het verslag van beschrijvend bodemonderzoek, het verslag van oriėnterend en beschrijvend bodemonderzoek of het grondeninformatieregister van oordeel is dat de grond is aangetast door een ernstige historische bodemverontreiniging, kan de overdracht niet plaatsvinden vooraleer de overdrager of in voorkomend geval de gemandateerde :
1° een bodemsaneringsproject of een beperkt bodemsaneringsproject heeft opgesteld en hiervoor een conformiteitsattest werd afgeleverd;
2° jegens OVAM de verbintenis heeft aangegaan de verdere bodemsanering en de eventuele nazorg uit te voeren;
3° financiėle zekerheden heeft gesteld tot waarborg van de uitvoering van de verbintenis, vermeld in 2°. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop deze financiėle zekerheden worden gesteld.

 

De verplichting om de verdere bodemsanering en de eventuele nazorg uit te voeren moet voldaan worden overeenkomstig de voorwaarden van de eenzijdige verbintenis, vermeld in het eerste lid, 2°. 


B. Vrijstelling van de saneringsplicht.

Art. 110.

§ 1

De overdrager of, in voorkomend geval, de gemandateerde is niet verplicht om het beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren of de vereisten, vermeld in artikel 109, § 2, na te leven, als de OVAM op basis van het dossier van de grond of op basis van het gemotiveerd standpunt van de overdrager of, in voorkomend geval, de gemandateerde van oordeel is dat aan een van de volgende elementen voldaan is:

de bodemverontreiniging is niet tot stand gekomen op de over te dragen grond;
de overdrager voldoet cumulatief aan de voorwaarden, vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, als het gaat om een overdrager die de hoedanigheid heeft van gebruiker. Als de gebruiker voor een deel van de verontreiniging cumulatief voldoet aan die voorwaarden, is hij in het kader van de overdracht vrijgesteld van de saneringsplicht voor dat deel van de bodemverontreiniging;

de overdrager voldoet cumulatief aan de voorwaarden, vermeld in artikel 23, § 2, eerste lid, of cumulatief aan de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, als het gaat om een overdrager die de hoedanigheid heeft van eigenaar.


Als de betrokkene voor een deel van de verontreiniging cumulatief voldoet aan die voorwaarden, is hij in het kader van de overdracht vrijgesteld van de saneringsplicht voor dat deel van de bodemverontreiniging. De eigenaar is ook vrijgesteld van de saneringsplicht voor de bodemverontreiniging of het deel van de bodemverontreiniging waarvoor de exploitant of de gebruiker die op de over te dragen grond aanwezig is, niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 23, § 1.

 

§ 2

In afwijking van de bepalingen van § 1 is de overdrager alsnog verplicht het beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren of de vereisten, vermeld in artikel 109, § 2, na te leven, als de OVAM een van de volgende elementen aantoont :
1° een rechtsvoorganger van de overdrager heeft de bodemverontreiniging veroorzaakt;
2° de bodemverontreiniging is tot stand gekomen tijdens de periode dat een rechtsvoorganger van de overdrager de grond in exploitatie, in gebruik of in eigendom had.

 

§ 3.

Op straffe van niet-ontvankelijkheid wordt de gemotiveerde aanvraag tot vrijstelling van de saneringsplicht voor de elementen, vermeld in paragraaf 1, 2° en 3°, bij de OVAM ingediend voor de overdracht van de grond met toepassing van artikel 109 heeft plaatsgevonden.


Art. 111.

De bepalingen van artikelen 106 en 107 zijn van overeenkomstige toepassing.


C Administratief beroep.

Art. 112.

Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslissingen van de OVAM, vermeld in artikel 109 en 110, een beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeenkomstig de bepalingen van artikel 153 tot en met 155.