VLAREM II - bijlagen
Bijlagen

Bijlage 1.
Indelingslijst

Lijst, vastgesteld overeenkomstig artikel 5.2.1, §1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, die bestaat uit rubrieken die een omschrijving omvatten van de inrichtingen en activiteiten waarvan de exploitatie ernstige risico’s of hinder voor de mens en het milieu kunnen inhouden.

De inrichtingen en activiteiten die opgenomen zijn in deze lijst, worden als hinderlijk ingedeeld in drie klassen, aangegeven in de derde kolom van de onderstaande tabel. De inrichtingen of activiteiten van de eerste klasse brengen de grootste risico’s of hinder mee. De inrichtingen of activiteiten van de derde klasse brengen de minste risico’s of hinder mee.

De drempelwaarden, vermeld in de indelingslijst, hebben in het algemeen betrekking op de productiecapaciteit of op het vermogen. Als een exploitant in dezelfde ingedeelde inrichting of activiteit op een bepaalde locatie verscheidene inrichtingen of activiteiten van dezelfde rubriek verricht, worden de capaciteiten van de inrichtingen of activiteiten bij elkaar opgeteld.

 

Onderzoeksactiviteiten, ontwikkelingsactiviteiten of het testen van nieuwe producten en processen worden geacht niet ingedeeld te zijn:

1° onder een rubriek met de vermelding X of Y;

2° onder de rubriek 59.

 

 

VERKLARING VAN DE SYMBOLEN DIE GEBRUIKT WORDEN IN DE KOLOM 4 TOT EN MET 8:

 

Kolom 4 "opmerkingen" 

 

A =

inrichting of activiteit van klasse 2 waarvoor de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, als bepaald in artikel 37, §2, van het besluit van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2015 betreffende de omgevingsvergunning advies verstrekt

E =

inrichtingof activiteit  waarvoor het Vlaams Energieagentschap advies verstrekt

G = inrichting of activiteit waarvoor de afdeling van het Agentschap Zorg en Gezondheid, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid, advies verstrekt
M = inrichting of activiteit waarvoor de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor het lozen van afvalwater en de emissie van afvalgassen in de atmosfeer, advies verstrekt
O = inrichting of activiteit waarvoor de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij advies verstrekt
T =

inrichting of activiteit waarvoor een tijdelijke vergunning kan worden verkregen

W = inrichting of activiteit  waarvoor de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater, advies verstrekt
N =

inrichting of activiteit waarvoor de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen, advies verstrekt

X = GPBV-installatie als vermeld in artikel 5.1.1, 6°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Y =

BKG-installatie als vermeld in artikel 48, tweede lid, van het het besluit van de Vlaamse Regering van [ .. ] tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning

 

De subindexen hebben betrekking op het soort broeikasgas waarvoor de verplichtingen, vermeld in titel II van het VLAREM, gelden:
 

a) Yk heeft betrekking op de emissies van koolstofdioxide (CO2);
b) Ym heeft betrekking op de emissies van methaan (CH4);
c) Yd heeft betrekking op de emissies van distikstofoxide (N2O); 
d) Yf heeft betrekking op de emissies van fluorkoolwaterstoffen (HFK’s); 
e) Yp heeft betrekking op de emissies van perfluorkoolstoffen (PFK’s); 
f) Yz heeft betrekking op de emissies van zwavelhexafluoride (SF6). 

 

Installaties die uitsluitend biomassa gebruiken, worden geacht niet ingedeeld te zijn met de vermelding Y.

 

Rubrieken, aangeduid met de letter Y, kunnen overlappen met andere rubrieken.

 

Als het totale nominaal thermisch ingangsvermogen van een installatie wordt berekend met betrekking tot een rubriek die aangeduid is met de vermelding Y, wordt het nominaal thermisch ingangsvermogen van alle technische eenheden die deel uitmaken van de installatie en waarin brandstoffen worden verbrand, bij elkaar opgeteld. Die eenheden kunnen onder andere alle soorten stookketels, branders, turbines, verwarmingstoestellen, ovens, verbranders, gloeiovens, draaiovens, droogovens, drogers, motoren, brandstofcellen, chemische loopingverbrandingseenheden, fakkels en thermische of katalytische naverbranders omvatten. Eenheden met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 3 MW en eenheden die uitsluitend biomassa gebruiken, worden bij de berekening buiten beschouwing gelaten. Tot eenheden die uitsluitend biomassa gebruiken, behoren ook eenheden waarin alleen bij het opstarten of uitschakelen fossiele brandstoffen worden gebruikt. 

 

Kolom 5 "coördinator"

  

A = inrichting of activiteit waarvoor overeenkomstig dit besluit een milieucoördinator van het eerste niveau moet worden aangesteld
B =

inrichting of activiteit waarvoor overeenkomstig dit besluit een milieucoördinator van het tweede niveau moet worden aangesteld

N = inrichting of activiteit waarvoor overeenkomstig dit besluit vrijstelling is verleend van de verplichting tot aanstelling van een milieucoördinator

 

Kolom 6 "audit"

 

E = inrichting of activiteit waarvoor overeenkomstig dit besluit door de vergunningverlenende overheid een eenmalige milieuaudit kan worden opgelegd
P = inrichting of activiteit waarvoor overeenkomstig dit besluit door de vergunningverlenende overheid een periodieke milieuaudit kan worden opgelegd

 

Kolom 7 "jaarverslag"

  

R = inrichting of activiteit waarvoor de exploitant op grond van de verordening nr. 166/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari 2006 jaarlijks moet rapporteren op basis van metingen, berekeningen of ramingen voor de stoffen, vermeld in de verordening, overeenkomstig de drempelwaarden, vermeld in de verordening 

 

Kolom 8 "VLAREBO"

 

De onderstaande symbolen zijn gekozen ter uitvoering van het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (Bodemdecreet) en het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (VLAREBO).

O = inrichting of activiteit waarvoor conform het Bodemdecreet en het VLAREBO een oriënterend onderzoek verplicht is bij overdracht, sluiting en faillissement
A =

inrichting of activiteit waarvoor conform het Bodemdecreet en het VLAREBO een oriënterend onderzoek verplicht is bij overdracht, sluiting en faillissement, en om de twintig jaar

B = inrichting of activiteit waarvoor conform het Bodemdecreet en het VLAREBO een oriënterend onderzoek verplicht is bij overdracht, sluiting en faillissement, en om de tien jaar
S =

inrichting of activiteit waarvoor conform artikel 33bis van het Bodemdecreet en artikel 17 van het decreet van 25 mei 2012 tot wijziging van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming met het oog op de omzetting van de Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging), de exploitant onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige een oriënterend bodemonderzoek uitvoert en het verslag ervan aan de OVAM bezorgt op het volgende tijdstip:

1° 

als het gaat om een inrichting waarvoor de milieuvergunningsaanvraag bij de vergunningverlenende overheid wordt ingediend en de inrichting in gebruik genomen wordt op of na 20 september 2013: vóór de milieuvergunningsaanvraag bij de vergunningverlenende overheid wordt ingediend;

als het gaat om een inrichting waarvoor de milieuvergunningsaanvraag bij de vergunningverlenende overheid is ingediend en de inrichting in gebruik genomen is vóór 20 september 2013, of als het gaat om een inrichting waarvoor de milieuvergunningsaanvraag bij de vergunningverlenende overheid  na 6 januari 2013 en vóór 20 september 2013 is ingediend en de inrichting in gebruik genomen wordt op of na 20 september 2013: vóór 7 januari 2014. In afwijking daarvan is het oriënterend bodemonderzoek verplicht vóór 7 juli 2015 als het gaat om een inrichting die ingedeeld is onder een van de volgende rubrieken:
  a) 2.4.1 en 2.4.2 voor activiteiten die niet vallen onder rubriek 2.2.4.g), 2.2.7, 2.3.4.4, 2.3.8, 2.3.9.b) en c) en 2.3.10, zoals geldig vóór 20 september 2013;
  b) 2.4.3.a), iii) tot en met v);
  c)

2.4.3.b);

  d) 2.4.5;
  e)  2.4.6;
  f)  3.6.7;
  g)  19.4.4°;
  h) 20.1.3.b);
  i) 5.5 voor activiteiten betreffende productie door biologische omzetting;
  j) 7.11 voor activiteiten betreffende productie door biologische omzetting;
  k)

43.3.2°. voor activiteiten met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer;

als het gaat om een inrichting waarvoor de milieuvergunningsaanvraag vóór 7 januari 2013 bij de vergunningverlenende overheid is ingediend en de inrichting nog niet in gebruik genomen is op 20 september 2013: vóór de inrichting in gebruik genomen wordt.

A*=

inrichting of activiteit waarvoor:

a)

bij uitsluitend bovengrondse opslag conform het Bodemdecreet en het VLAREBO een oriënterend bodemonderzoek verplicht is bij overdracht, sluiting en failissement;

b) bij ondergrondse opslag of bij combinatie van ondergrondse of bovengrondse opslag conform het Bodemdecreet en het VLAREBO een oriënterend onderzoek verplicht is bij overdracht, sluiting en failissement, en om de twintig jaar.
B*= 

inrichting of activiteit waarvoor:

a)

bij uitsluitend bovengrondse opslag conform het Bodemdecreet en het VLAREBO een oriënterend onderzoek verplicht is bij overdracht, sluiting en failissement, en om de twintig jaar;

b) bij ondergrondse opslag of bij combinatie van ondergrondse of bovengrondse opslag conform het Bodemdecreet en het VLAREBO een oriënterend onderzoek verplicht is bij overdracht, sluiting en failissement, en om de tien jaar.

 

Definitie van het begrip gebied in de hieronder vermelde indelingsrubrieken

De gebieden, vermeld in indelingsrubriek 4.3, rubriek 6.1, rubriek 6.2, rubriek 8, rubriek 9, rubriek 10, rubriek 11, rubriek 12.1, rubriek 12.4, rubriek 13.2, rubriek 14, rubriek 15, rubriek 16.3, rubriek 17, rubriek 19, rubriek 20.3.1, rubriek 20.3.3, rubriek 20.3.5, rubriek 21, rubriek 22, rubriek 23.2, rubriek 23.3, rubriek 25, rubriek 26, rubriek 28.2, rubriek 29, rubriek 30, rubriek 31.1, rubriek 33, rubriek 34, rubriek 36, rubriek 40, rubriek 41, rubriek 42, 43.1, rubriek 44, rubriek 45 en rubriek 46 en rubriek 53.2 zijn de gebieden zoals bepaald door de stedenbouwkundige voorschriften van een goedgekeurd plan van aanleg, een ruimtelijk uitvoeringsplan of een behoorlijk vergunde, niet-vervallen verkavelingsvergunning of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden.

Als de bestemming is vastgelegd in een ruimtelijk uitvoeringsplan, wordt onder “industriegebied” de categorie van gebiedsaanduiding “bedrijvigheid” verstaan, met uitzondering van de volgende gebiedsaanduidingen die onder deze categorie vallen:

-   specifiek regionaal bedrijventerrein voor kantoren;

-   specifiek regionaal bedrijventerrein voor kleinhandel;

-   buffer voor bedrijventerreinen.

 

Als de bestemming is vastgelegd in een ruimtelijk uitvoeringsplan, wordt onder “woongebied met landelijk karakter” de subcategorie van gebiedsaanduiding “gebied voor wonen en landbouw” verstaan.

 


Rubriek 1.
Aardolie of aardolieproducten

rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
1. Aardolie of aardolieproducten               
1.1. Niet in rubriek 20.1.2 begrepen inrichtingen voor de raffinage, voor de distillatie, het kraken, het vergassen of enige andere wijze van verwerking van aardolie of aardolieproducten
(voor het raffineren van ruwe aardolie: zie rubriek 20.1.2)
1 M,X,Yk A P R B,S
1.2.

opslagplaats voor aardpek, teer, asfalt, pek en dergelijke stoffen van meer dan 5000 kg
uitzondering:

de tijdelijke opslag op een bouwplaats is niet ingedeeld.
2         A
1.3. commerciële winning van aardolie als de gewonnen hoeveelheid meer dan 500 ton aardolie per dag bedraagt 1 E,N A P   B
1.4. inrichtingen voor de opslag van aardolie, petrochemische of chemische producten met een opslagcapaciteit van 100.000 ton of meer 1   A P   B
1.5. winning van andere vloeibare koolwaterstoffen dan de vloeibare koolwaterstoffen, vermeld in 1.3, zoals gedefinieerd in artikel 2, 2°, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond 1 E,N A P   B

Rubriek 2.
Afvalstoffen

rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
2.

Afvalstoffen
inrichtingen of activiteiten voor de verwerking van afvalstoffen overeenkomstig het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (Materialendecreet) en de uitvoeringsbesluiten ervan

 

opmerkingen:

 

De hieronder vermelde drempelwaarden hebben in het algemeen betrekking op de productiecapaciteit, op het vermogen, of op de opslagcapaciteit. Als de exploitant in dezelfde milieutechnische eenheid verscheidene activiteiten van dezelfde rubriek verricht, worden de capaciteiten van de activiteiten bij elkaar opgeteld.

 

Opslagcapaciteit: waar opslagcapaciteit wordt gebruikt, wordt de som bedoeld van alle capaciteiten voor opslag van de verschillende soorten afvalstoffen (bijvoorbeeld de gerecupereerde afvalstoffen, de restfracties).

 

Gevaarlijke afvalstoffen zijn alle afvalstoffen die overeenkomstig het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen als gevaarlijke afvalstoffen zijn gedefinieerd.

 

Niet-gevaarlijke afvalstoffen zijn alle afvalstoffen die overeenkomstig het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen niet als gevaarlijke afvalstoffen zijn gedefinieerd.

 

Voor de begrippen verwijdering en nuttige toepassing gelden de definities van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen.

 

uitzonderingen:

 

De volgende inrichtingen of activiteiten maken onder de vermelde voorwaarden deel uit van de inzameling- en transportketen van afvalstoffen. Ze zijn, tenzij anders bepaald in deze bijlage, geen inrichtingen of activiteiten voor de verwerking van afvalstoffen of handelingen die aan de verwerking van afvalstoffen voorafgaan:

  1. het demonteren, klieven, knippen, persen of zagen van afvalstoffen op de plaats van de productie, voorafgaand aan elke inzameling, als de mechanische behandelingen gebeuren in functie van een georganiseerde regelmatige afvoer van afvalstoffen;
  2. de voorlopige opslag en het sorteren van afvalstoffen op hun plaats van productie, als de opslag en het sorteren gebeuren in functie van een georganiseerde regelmatige afvoer van de afvalstoffen. Als de producent van de afvalstoffen zijn normale bedrijfsactiviteit op externe locaties uitoefent, wordt voor toepassing van deze bepaling de exploitatiezetel of bedrijfszetel van de producent beschouwd als de plaats waar de afvalstoffen zijn geproduceerd;
  3. de voorlopige opslag en het sorteren, op een exploitatiezetel, van bedrijfsafvalstoffen die afkomstig zijn van verschillende exploitatiezetels van dezelfde natuurlijke persoon of rechtspersoon, als de opslag en sortering gebeuren in functie van een georganiseerde regelmatige afvoer van de afvalstoffen.
    Deze uitzondering geldt evenwel niet voor afvalstoffen die beheerd of geproduceerd worden door verwerkers van afvalstoffen of door inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of –makelaars;
  4. de voorlopige opslag en het sorteren van afvalstoffen in het kader van de aanvaardingsplicht, de terugnameplicht of de vrijwillige terugname van materialen, bij de eindverkoper, tussenhandelaar, producent of invoerder van de materialen als de opslag en sortering gebeuren in functie van een georganiseerde regelmatige afvoer van de afvalstoffen;
  5. de, in functie van een georganiseerde regelmatige afvoer van de afvalstoffen, voorlopige opslag of overslag van verpakte afvalstoffen. Bij die opslag of overslag worden uitsluitend de verpakkingen gemanipuleerd op een zodanige wijze dat er geen contact mogelijk is tussen de afvalstoffen en het milieu;
  6. de opslag van afgedankte draagbare batterijen, zoals gedefinieerd in het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (VLAREMA), op een inzamelpunt waar alleen eindgebruikers ze kunnen inleveren als dat gekoppeld is aan educatieve acties inzake preventies;
  7. hergebruikcentra voor EEA waar uitsluitend afgedankte EEA die een visuele voorselectie op herbruikbaarheid hebben ondergaan, worden opgeslagen, gesorteerd, getest en, als dat nodig is, worden gereinigd of hersteld;
  8. de opslag van heel kleine huishoudelijke afgedankte elektrische en elektronische apparaten als vermeld in artikel 1.2.1, § 3/1, 7°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, met uitzondering van lampen en rookmelders als er cumulatief aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

1°   de opslag vindt plaats in een geschikt recipiënt op een plaats waar maximaal tweemaal per jaar gedurende maximaal zeven aansluitende kalenderdagen heel kleine huishoudelijke afgedankte elektrische en elektronische apparaten worden opgeslagen;

2°   uiterlijk drie werkdagen na de afsluiting van de periode, vermeld in punt 1°, wordt alles opgehaald door een geregistreerde inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar, die daarover een overeenkomst heeft gesloten met een beheersorgaan ter uitvoering van een milieubeleidsovereenkomst of met een producent die beschikt over een goedgekeurd individueel afvalpreventie- en afvalbeheerplan;

3°   de inzamelactie is goedgekeurd door de OVAM of georganiseerd door het beheersorgaan ter uitvoering van een milieubeleidsovereenkomst of van een producent die beschikt over een goedgekeurd individueel afvalpreventie- en afvalbeheerplan als vermeld in artikel 5.2.5.5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;

4°   de actie wordt gekoppeld aan educatieve acties inzake preventie, hergebruik en verwerking van afgedankte elektrische en elektronische apparaten;

 

  1. de opslag van andere huishoudelijke of daarmee vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen dan de afvalstoffen, vermeld in 6 en 8, in inzamelrecipiënten, geplaatst buiten de containerparken, vermeld in rubriek 2.2.1b, door, in opdracht van of met toelating van een gemeente of een vereniging van gemeenten.
           

 


Rubriek 2.1.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
2.1.

opslag en overslag van afvalstoffen

opmerking:
De opslag en overslag van dierlijke bijproducten die worden beschouwd als afvalstoffen als vermeld in het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, zijn ingedeeld onder de subrubriek 2.2.4 en vallen niet onder deze subrubriek 2.1.
           
2.1.1. opslag van afvalstoffen die niet aan de verwerking van afvalstoffen verbonden zijn            
  uitzondering:
De volgende opslag is geen inrichting voor het verwerken van
afvalstoffen:
           
  a) de opslag van inert bouw- en sloopafval op de bedrijfsterreinen van aannemers van bouw en wegenwerken voor zover de opgeslagen afvalstoffen nuttig worden toegepast of aangewend worden als grondstoffen, zoals gedefinieerd in het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen bij de uitoefening van de normale bedrijfsactiviteit            
  b) de opslag van inert bouw- en sloopafval op terreinen of bij inrichtingen waarvoor een geldige milieu- of bouwvergunning is afgeleverd en voor zover de opslag bijdraagt tot het realiseren van het voorwerp van de vergunning            
 2.1.1. a) andere afvalstoffen dan de afvalstoffen, vermeld in b)            
    maximaal 100 ton 2  A,O,T  B      A
    meer dan 100 ton 1  O,T  B      A
  b) al dan niet een combinatie van de opslag van gemengde afvalstoffen (een lading afvalstoffen die bestaat uit duidelijk verschillende, identificeerbare afvalstoffen die volgens de geldende sorteerregels gezamenlijk ingezameld mogen worden. Ze moeten nog verder gesorteerd worden voor ze definitief verwerkt kunnen worden), mengsels van afvalstoffen (een lading afvalstoffen die bestaat uit duidelijk verschillende, identificeerbare afvalstoffen die in strijd met de geldende sorteerregels zijn samengevoegd of ingezameld) en gevaarlijke afvalstoffen 1  O,T B     A
2.1.2. opslag en overslag van afvalstoffen die niet aan verwerking verbonden zijn, met een opslagcapaciteit van (overslag van afvalstoffen is het bijeenvoegen van gelijksoortige afvalstoffen in grotere recipiënten of transportmiddelen met het oog op een rendabeler transport ervan):            
  a) maximaal 1 ton 2  O,T        
  b) meer dan 1 ton andere afvalstoffen dan de afvalstoffen, vermeld in c) en d)            
    1° tot maximaal 100 ton 2 A,O,T B     A
    2° meer dan 100 ton 1 O,T B     A
  c) meer dan 1 ton asbesthoudend afval (afval waarvan het totaalgehalte aan asbestvezels groter is dan het bepaalde in artikel 2.3.2.1, §1, 5°, van het VLAREMA), bestaande uit asbestcement of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is 1 O,T B     A
  d) meer dan 1 ton afvalstoffen, bestaande uit al dan niet een combinatie van gemengde afvalstoffen, zoals bepaald in rubriek 2.1.1.b), mengsels van afvalstoffen, zoals bepaald in rubriek 2.1.1.b), en gevaarlijke afvalstoffen 1 O,T B     A
2.1.3.

tussentijdse opslagplaats voor uitgegraven bodem die niet voldoet aan de bepalingen voor het gebruik van bodemmaterialen, vermeld in het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 en het VLAREBO-besluit van 14 december 2007

Bijbehorende beperkte mechanische activiteiten, zoals het sorteren of zeven van uitgegraven bodem zijn begrepen in deze rubriek 
           
  met een capaciteit van maximaal 10.000 m³ 2  A,O N     O
  met een capaciteit van meer dan 10.000 m³ 1  O N     A

 


Rubriek 2.2.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
2.2.

opslag en nuttige toepassing van afvalstoffen

Alle inrichtingen onder 2.2 zijn inrichtingen waarin handelingen gebeuren waardoor nuttige toepassing van het merendeel van de afvalstoffen mogelijk wordt. Het verbranden en meeverbranden van afvalstoffen, alsook het reinigen van recipiënten door uitbranden, zijn ingedeeld onder rubriek 2.3, ook als die handeling als een nuttige toepassing (terugwinning van energie of stoffen) wordt beschouwd.

           
2.2.1. opslag en sortering van:
Sorteren is de afvalstoffen manueel of met lichte gereedschappen soort bij soort voegen. Als het sorteren deel is van andere ingedeelde handelingen op afvalstoffen, valt 2.2.1 weg. 
           
  a) inerte afvalstoffen 2 O,T       A
  b)

selectief ingezamelde huishoudelijke afvalstoffen en met huishoudelijke afvalstoffen vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen, met inbegrip van gevaarlijk afval (containerpark)

Het is een inrichting van een exploitant die belast is met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen.
2 A,O,T       A
  c) niet-gevaarlijke afvalstoffen, bestaande uit papier en karton, hout, textiel, kunststoffen, metaal, glas, rubber, bouw- en sloopafval, met een opslagcapaciteit van (het betreft inrichtingen waar twee of meer afvalstromen van elkaar worden gescheiden)            
    maximaal 100 ton 2 O,T        A
    meer dan 100 ton 1 O,T B     B
  d) andere niet-gevaarlijke afvalstoffen, met een opslagcapaciteit van (het betreft inrichtingen die gericht zijn op het sorteren van één specifieke afvalstroom):            
    maximaal 100 ton 2 O,T       A
    meer dan 100 ton 1 O,T B     A
  e) gevaarlijke afvalstoffen, uitgezonderd de inrichtingen, vermeld in subrubriek 2.2.1, b), met een opslagcapaciteit van:            
    maximaal 1 ton 2 O,T        
    meer dan 1 ton andere afvalstoffen dan asbestafval, bestaande uit asbestcement of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is 1 O,T A P   B
    meer dan 1 ton asbestafval, bestaande uit asbestcement of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is 1 O,T N     B
2.2.2.

opslag en mechanische behandeling van:

Mechanisch behandelen is het behandelen van de afvalstoffen met werktuigen, zonder de chemische eigenschappen van de afvalstoffen te veranderen. Het is onder meer het breken, demonteren, hakselen, klieven, knippen, kuisen, persen, pletten, scheiden, shredderen, snijbranden, stralen, wassen, zagen, zeven.

 

Het persen van papier, karton, textiel, kunststoffen, rubber en metaal in een perscontainer op de plaats van inzameling (containerpark) van die afvalstoffen wordt in deze context niet beschouwd als een behandeling van afvalstoffen.

 

Het mechanisch behandelen op de bouwplaats zelf, op percelen waarop de stedenbouwkundige vergunning voor het bouwwerk betrekking heeft, van inerte stoffen die bij de uitvoering van wegenwerken ontstaan, wordt in deze context evenmin als een behandeling van afvalstoffen beschouwd als die stoffen nuttig worden aangewend op die bouwplaats zelf. De nuttige toepassing moet blijken uit het feit dat als de restanten niet gebruikt zouden worden, een alternatief met vergelijkbare eigenschappen aangevoerd zou moeten worden als grondstof.  
           
  a) inerte afvalstoffen, met een opslagcapaciteit van:            
     maximaal 1000 m³ 2 O,T        A
     meer dan 1000 m³ 1 O,T B      A
  b) niet-gevaarlijke afvalstoffen uit 2.2.1.c, met een opslagcapaciteit van:             
    maximaal 100 ton  2 O,T        A
    meer dan 100 ton  1 O,T B      B
  c) niet-gevaarlijk schroot, met een opslagcapaciteit van:             
    maximaal 10 ton  3          O
    meer dan 10 ton tot en met 100 ton 2 O,T        A
    meer dan 100 ton tot en met 500 ton 2  A,O,T B      B
    meer dan 500 ton 1 O,T B      B
  d) voertuigwrakken of afgedankte voertuigen, met een opslagcapaciteit van:             
      uitzonderingen:            
      De opslag en mechanische behandeling van voertuigwrakken of afgedankte voertuigen die vallen onder de toepassing van rubriek 15.5, zijn niet ingedeeld in deze rubriek 2.2.2, d).            
      In afwijking van de algemeen geldende uitzondering, vermeld in rubriekstitel 2, is het demonteren, klieven, knippen, persen of zagen van voertuigwrakken of afgedankte voertuigen op de plaats van de productie ingedeeld in deze rubriek 2.2.2.d).             
    a) maximaal 25 ton voertuigwrakken of afgedankte voertuigen die noch vloeistoffen, noch andere gevaarlijke onderdelen bevatten (de afgedankte voertuigen zijn alleen afkomstig van erkende centra voor depollutie, demontage en vernietiging van afgedankte voertuigen); 3         O
      b) maximaal 5 ton voertuigwrakken of afgedankte voertuigen die wel nog vloeistoffen of andere gevaarlijke onderdelen kunnen bevatten. 3         O
    a)

meer dan 25 ton tot maximaal 100 ton voertuigwrakken of afgedankte voertuigen die noch vloeistoffen, noch andere gevaarlijke onderdelen bevatten (de afgedankte voertuigen zijn alleen afkomstig van erkende centra voor depollutie, demontage en vernietiging van afgedankte voertuigen;

2 O,T        A
      b) meer dan 5 ton tot maximaal 100 ton voertuigwrakken of afgedankte voertuigen die wel nog vloeistoffen of andere gevaarlijke onderdelen kunnen bevatten.  2 O,T         A
    meer dan 100 ton voertuigwrakken of afgedankte voertuigen die al dan niet vloeistoffen of andere gevaarlijke onderdelen bevatten (afgedankte voertuigen die noch vloeistoffen, noch andere gevaarlijke onderdelen bevatten zijn alleen afkomstig van erkende centra voor depollutie, demontage en vernietiging van afgedankte voertuigen. 1  O,T B      B
  e) scheepssloperijen en andere sloperijen dan de sloperijen, vermeld in c) en d) 1 O,T  B     B
  f) andere niet-gevaarlijke afvalstoffen met een opslagcapaciteit van:              
    maximaal 100 ton 2  O,T        A
    meer dan 100 ton  1  O,T B      A
  g) andere gevaarlijke afvalstoffen, met een opslagcapaciteit van:             
    maximaal 1 ton 2  O,T        
    meer dan 1 ton  1  O,T A      B
  h) afvalstoffen, afkomstig van één specifiek bouw- en sloopwerf of wegenwerk, waarbij minstens 50% van de stoffen na behandeling nuttig wordt aangewend op de plaats van het ontstaan ervan, waarbij de inrichting niet langer dan één jaar in exploitatie zal zijn en waarbij de inrichting zich op maximaal 1000 m van het wegenwerk bevindt of ter plaatse (op het perceel zelf of op een aangrenzend perceel) van de bouw- en sloopwerf   3          
2.2.3.

opslag en biologische behandeling van:

 

plantaardig materiaal dat vrijkomt bij een particulier of op een boerderij en dat wordt gecomposteerd bij respectievelijk die particulier of op die boerderij, is geen afvalstof als de geproduceerde compost uitsluitend bestemd is voor gebruik op de eigen percelen 
           
  a) compostering van uitsluitend groenafval met:              
    opslag- of composteerruimte van maximaal 25 m³  3          
    opslag- of composteerruimte van meer dan 25 m³ tot en met 2000 m³ 2 A,O,T N      
    opslag- of composteerruimte van meer dan 2000 m³  1  G,M,O,T B E    
  b) compostering van groente-, fruit- en tuinafval (gft-afval) met:            
    opslag- of composteerruimte, inclusief wijkcompostering, compostpaviljoen en dergelijke, van maximaal 25 m³ 3          
    opslag- of composteerruimte van meer dan 25 m³ tot en met 2000 m³  2 A,M,O,T  N      
    opslag- of composteerruimte van meer dan 2000 m³ 1 G,M,O,T  B E    
  c) compostering van organisch-biologische bedrijfsafvalstoffen:              
    opslag- of composteerruimte van maximaal 25 m³ met uitsluitend bedrijfseigen uitgangsmateriaal   3          
    andere opslag- of composteerruimte dan de opslag- en composteerruimte, vermeld in 1°, van maximaal 2000 m³   2 A,M,O,T N      
    opslag- of composteerruimte van meer dan 2000 m³ 1 G,M,O,T B E    
  d) opslag en voorbehandeling van maaisel in afwachting van een nuttige toepassing met een opslagcapaciteit:              
    tot en met 1000 m³  3          
    meer dan 1000 m³ 2 O,T        
  e) vergistingsinstallatie van niet-gevaarlijke afvalstoffen met een inhoudscapaciteit van:              
    maximaal 25 m³ 2 A,G,M,O,T B E    
    meer dan 25 m³ 1  G,M,O,T B E    
  f) andere biologische behandelingsinstallaties van niet-gevaarlijke afvalstoffen met een inhoudscapaciteit van:            
    maximaal 25 m³ 2 A,G,M,O,T B E    
    meer dan 25 m³ 1 G,M,O,T B E    
  g) biologische behandeling van gevaarlijke afvalstoffen 1 G,M,O,T A P   A
2.2.4.

Dierlijke bijproducten worden beschouwd als afvalstoffen zoals vermeld in het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen.

 

Voor de toepassing van deze rubriek gelden de bepalingen conform de verordening dierlijke bijproducten en de uitvoerende verordening (EU) nr. 142/2011.

 

Voor andere dierlijke bijproducten dan afvalstoffen: zie inzonderheid rubriek 45.18.
Het composteren en vergisten van dierlijk afval valt onder de toepassing van rubriek 2.2.3.
De verwijdering van krengen van gezelschapsdieren door begraving valt onder de toepassing van rubriek 2.3.12.
De verwijdering van dierlijk afval door verbranding valt onder de toepassing van rubriek 2.3.4.
De destructie of verwerking van kadavers of dierlijk afval met een verwerkingscapaciteit van meer dan 10 ton per dag valt onder de toepassing van rubriek 2.4.7.
De bewerking en verwerking van dierlijke mest vallen onder de toepassing van de rubriek 28.3.    
           
  op- en overslag van dierlijke bijproducten 2 G,O,T,A N     A
  opslag en activiteiten van:            
    a) categorie 3-materiaal 2 G,O,T N     A
    b) categorie 2-materiaal 1 G,M,O,T B P   A
    c) categorie 1-materiaal 1 G,M,O,T A P   A
2.2.5.

opslag en fysisch-chemische behandeling, al of niet in combinatie met een mechanische behandeling, van:

 

Fysisch-chemisch behandelen van afvalstoffen is de chemische eigenschappen, de chemische samenstelling of de aggregatietoestand van de afvalstoffen wijzigen, onder meer het decanteren, distilleren, extraheren, mengen, neerslaan, neutraliseren, ontwateren, oxideren, raffineren, reduceren, regenereren, smelten, solidifiëren.
Er kan overlapping zijn met rubriek 2.3.2.

 

uitzondering:

 

Het afscheiden van vuil en van verontreinigende stoffen uit water, rioolwater of afvalwater door middel van vuilroosters, roostergoedpers, zandvangers, vetvangers, voorbezinktanks, beluchtingsbassins,nabezinktanks, voorindikkers, na-indikkers, centrifugeren of persen, en andere procesmatige onderdelen van afvalwaterzuiveringsinstallaties als vermeld in rubriek 3.6, en van drinkwaterzuiveringsinstallaties betreft geen inrichting voor de verwerking van afvalstoffen en is dus niet ingedeeld onder deze rubriek 2.
           
  a) niet-gevaarlijke slibs, met een opslagcapaciteit van:            
    tot en met 1 ton 2 A,O,T       O
    meer dan 1 ton tot en met 25 ton 2 A,M,O,T A     B
    meer dan 25 ton 1 M,O,T A     B
  b) gevaarlijke slibs, met een opslagcapaciteit van:            
    tot en met 1 ton 2 A,O,T       A
    meer dan 1 ton 1 M,O,T A P   B
  c) afgewerkte olie, met een opslagcapaciteit van:            
    tot en met 1 ton 2 A,O,T       A
    meer dan 1 ton 1 M,O,T A P   B
  d) organische oplosmiddelen, met een opslagcapaciteit van:            
    tot en met 1 ton 2 A,G,O,T       A
    meer dan 1 ton 1 G,M,O,T A P   B
  e) andere niet-gevaarlijke afvalstoffen, met een opslagcapaciteit van:            
    tot en met 1 ton 2 A,O,T        
    meer dan 1 ton tot en met 25 ton 2 A,M,O,T A     B
    meer dan 25 ton 1 M,O,T A     B
  f) andere gevaarlijke afvalstoffen, met een opslagcapaciteit van:            
    tot en met 1 ton 2 A,O,T        
    meer dan 1 ton 1 M,O,T A P   B
2.2.6. opslag en inwendige reiniging van lege (op hun ladingsresten na) recipiënten waarin stoffen zijn opgeslagen, die getransporteerd worden over de weg, het spoor of het water, en die als afvalstoffen zijn gerangschikt bij de:            
  a) inerte afvalstoffen    2  O,T       A
  b) niet-gevaarlijke biologische afvalstoffen 2 O,T       A
  c) andere niet-gevaarlijke afvalstoffen 1 M,O,T A P   B
  d) gevaarlijke afvalstoffen 1 M,O,T A P   B
  Recipiënten zijn verpakkingen, containers, laadkisten voor vervoer, vaten, tanks, tankwagens, bulkwagens, spoorwagons en scheepsruimen, exclusief kratten en rolcontainers voor niet-gevaarlijke afvalstoffen, huisvuilwagens en veegmachines.            
 

uitzondering:

het wassen - bij de vuller of gebruiker - van recipiënten die bestemd en ontworpen zijn om binnen hun levensduur een aantal omlopen te maken, dat wil zeggen die opnieuw gevuld of gebruikt worden voor hetzelfde doel als waarvoor ze zijn ontworpen, is geen inrichting voor de verwerking van afvalstoffen.
           
2.2.7. [...]            
2.2.8. opslag en behandeling van bagger- of ruimingsspecie die niet voldoet aan de bepalingen voor het gebruik van bodemmaterialen, vermeld in het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 en het VLAREBO-besluit van 14 december 2007
Uitzondering : De tijdelijke oeverdeponie bij de ontwatering van bagger- of ruimingsspecie of bij noodruiming die wordt uitgevoerd overeenkomstig de procedure voor tijdelijke oeverdeponie bij de ontwatering van bagger- of ruimingsspecie, respectievelijk de procedure voor tijdelijke oeverdeponie bij noodruiming van bagger- of ruimingsspecie, vermeld in het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, is niet vergunningsplichtig en is dus niet ingedeeld in deze rubriek.
           
  a) opslag in afwachting van behandeling 3         A
  b) mechanische, fysisch-chemische of biologische behandeling 3         A

 


Rubriek 2.3.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
2.3.

opslag en verwijdering van afvalstoffen
Alle inrichtingen onder 2.3 zijn inrichtingen waarin handelingen gebeuren die leiden tot de vernietiging of de definitieve opslag in of op de bodem van afvalstoffen, met uitzondering van subrubriek 2.3.11.
Het verbranden en meeverbranden van afvalstoffen alsook het reinigen van recipiënten door uitbranden zijn ingedeeld onder deze rubriek 2.3, ook als die handeling als een nuttige toepassing (terugwinning van energie of stoffen) wordt beschouwd.
 

           
2.3.1. andere opslag en mechanische behandeling dan de opslag en mechanische behandeling, vermeld in rubriek 2.3.7, van:
Mechanisch behandelen is het behandelen van de afvalstoffen met werktuigen, zonder de chemische eigenschappen van de afvalstoffen te veranderen, onder meer het breken, demonteren, hakselen, klieven, knippen, kuisen, persen, pletten, scheiden, shredderen, snijbranden, stralen, wassen, zagen, zeven.
           
  a) niet-gevaarlijke afvalstoffen 1 O,T B     A
  b) gevaarlijke afvalstoffen 1 O,T A P   B
2.3.2.

opslag en fysisch-chemische behandeling, al of niet in combinatie met andere mechanische behandeling dan de mechanische behandeling, vermeld in rubriek 2.3.7, van :
Fysisch-chemisch behandelen van afvalstoffen is de chemische eigenschappen, de chemische samenstelling of de aggregatietoestand van de afvalstoffen wijzigen, onder meer het decanteren, distilleren, extraheren, mengen, neerslaan, neutraliseren, ontwateren, oxideren, raffineren, regenereren, reduceren, smelten, solidifiëren.
Er kan overlapping zijn met rubriek 2.2.5 .

 

uitzondering:

 

Het afscheiden van vuil en van verontreinigende stoffen uit water, rioolwater of afvalwater door middel van vuilroosters, roostergoedpers, zandvangers, vetvangers, voorbezinktanks, beluchtingsbassins, nabezinkstanks, voorindikkers, na-indikkers, centrifugeren of persen, en andere procesmatige onderdelen van afvalwaterzuiveringsinstallaties als vermeld in rubriek 3.6, en van drinkwaterzuiveringsinstallaties, betreft geen inrichting voor de verwerking van afvalstoffen en is dus niet ingedeeld onder deze rubriek 2.

 

opmerking:

 

De behandeling van risicohoudende medische afvalstoffen die in aanmerking komen voor decontaminatie met vochtige hitte, is niet ingedeeld in rubriek 2.3.2. maar in rubriek 2.3.13.

           
  a) niet-gevaarlijke slibs met een opslagcapaciteit van:            
    maximaal 25 ton   2 A,M,O,T A     A
    meer dan 25 ton  1 M,O,T A     A
  b) gevaarlijke slibs  1 M,O,T  A P   A
  c) afgewerkte olie  1 M,O,T A P   A
  d) organische oplosmiddelen  1  M,O,T A P   B
  e) andere niet-gevaarlijke afvalstoffen met een opslagcapaciteit van:            
    maximaal 25 ton  2 A,O,T A     A
    meer dan 25 ton  1 O,T A     A
  f)

restvloeistoffen, afkomstig van het vullen en het schoonmaken van apparatuur voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, met uitzondering van hand- en rugspuitapparatuur

 

[...]
 2 O,T        
  g) andere gevaarlijke afvalstoffen  1 M,O,T A P   B
2.3.3. andere opslag en biologische behandeling dan de opslag en biologische behandeling, vermeld in rubriek 2.3.7, van :                
  a) niet-gevaarlijke afvalstoffen met een inhoudscapaciteit van:            
    maximaal 25 m³ 2 A,O,T A      
    meer dan 25 m³ 1 O,T A      
  b) restvloeistoffen, afkomstig van het vullen en het schoonmaken van apparatuur voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, met uitzondering van hand- en rugspuitapparatuur 2 O,T        
  c) andere gevaarlijke afvalstoffen 1 O,T A     B
2.3.4. opslag en verbranding of meeverbranding, al dan niet als experiment, met of zonder energiewinning en met of zonder terugwinning van stoffen van:            
 

uitzondering:

De volgende activiteiten zijn niet ingedeeld:
           
  1. het verbranden van de hierna vermelde stoffen in toestellen, voor de verwarming van woonverblijven en werkplaatsen, in sfeerverwarmers en gelijksoortige toestellen met een nominaal thermisch vermogen van maximaal 300 kW: onbehandeld houtafval met een watergehalte van maximaal 20%, uitgezonderd zaagsel, krullen, schaafsel, stof en spanen            
  2. het maken van vuur in openlucht indien nodig bij het beheer van bossen, als beheersmaatregel, als fytosanitaire maatregel of als onderdeel van een wetenschappelijk experiment, in overeenstemming met de bepalingen van het Bosdecreet van 13 juni 1990             
  3. het maken van vuur in openlucht in natuurgebieden, als beheermaatregel, als afvoer of verwerking ter plaatse van het biomassa-afval niet mogelijk is, of als fytosanitaire maatregel             
  4. de verbranding in openlucht van plantaardige afvalstoffen, afkomstig van eigen bedrijfslandbouwkundige werkzaamheden, als afvoer of verwerking ter plaatse van het biomassa-afval niet mogelijk is, of als dat vanuit fytosanitair oogpunt noodzakelijk is            
  5. het verbranden van droog onbehandeld hout bij het maken van een open vuur            
  6. het verbranden van droog onbehandeld hout of een vaste fossiele brandstof in een sfeerverwarmer            
  7. het verbranden van dierlijk afval, in overeenstemming met de bepalingen, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 juni 2013 betreffende dierlijke bijproducten en afgewerkte producten            
  8. het verbranden van droog onbehandeld hout en onversierde kerstbomen in het kader van folkloristische evenementen             
2.3.4.1. opslag en verbranding van:            
  a) Biomassa-afval :            
    - plantaardig afval van land- en bosbouw
- plantaardig afval van de levensmiddelenindustrie
- vezelachtig plantaardig afval, afkomstig van de productie van ruwe pulp en van de productie van papier uit pulp, dat op de plaats van productie wordt meeverbrand en waarvan de vrijgekomen energie wordt teruggewonnen
- kurkafval
- onbehandeld houtafval,met een nominaal thermisch vermogen van: 
           
      1° tot en met 5 MW 2 A,O,T        
      2° meer dan 5 MW   1 M,O,T B      
   

niet-verontreinigd behandeld houtafval,

met een nominaal thermisch vermogen van:
           
      1° tot en met 5 MW  2 A,M,O,T        
      2° meer dan 5 MW  1 M,O,T B      
  b) verontreinigd behandeld houtafval   1 M,O,T B     A
  c) afgewerkte olie  1 M,O,T B P   A
  d) […]            
  e) niet-gevaarlijke huishoudelijke afvalstoffen  1 M,O,T B P   A
  f) niet-gevaarlijke bedrijfsafvalstoffen die vergelijkbaar zijn met huishoudelijke afvalstoffen   1 M,O,T B P   A
  g) vast niet-risicohoudend medisch afval  1 G,M,O,T B P    
  h) risicohoudend medisch afval en vloeibaar en pasteus niet-risicohoudend medisch afval  1 G,M,O,T A P   A
  i) krengen in dierencrematoria  1 G,M,O,T   P    
  j) andere niet-gevaarlijke afvalstoffen 1 M,O,T B P   A
  k) andere gevaarlijke afvalstoffen  1 M,O,T A P   A
  l) dierlijk afval, met uitzondering van krengen in dierencrematoria  1 G,M,O,T B P   A
  m) waterzuiveringsslib  1 M,O,T B P   A
 2.3.4.2. opslag en meeverbranding van:            
  a) biomassa-afval :            
   

- plantaardig afval van land- en bosbouw

- plantaardig afval van de levensmiddelenindustrie

- vezelachtig plantaardig afval, afkomstig van de productie van ruwe pulp en van de productie van papier uit pulp, dat op de plaats van productie wordt meeverbrand en waarvan de vrijgekomen energie wordt teruggewonnen

- kurkafval

onbehandeld houtafval, met een nominaal thermisch vermogen van:
           
      1° tot en met 5 MW 2 A,O,T        
      2° meer dan 5 MW  1 M,O,T B      
   

niet-verontreinigd behandeld houtafval,

met een nominaal thermisch vermogen van: 
           
      1° tot en met 5 MW 2 A,M,O,T        
      2° meer dan 5 MW 1 M,O,T B      
  b) verontreinigd behandeld houtafval 1 M,O,T B     A
  c) afgewerkte olie  1 M,O,T 

B

P   A
  d) andere niet-gevaarlijke afvalstoffen 1 M,O,T B P   A
  e) andere gevaarlijke afvalstoffen  1 M,O,T A P   A
  f) dierlijk afval, met uitzondering van krengen in dierencrematoria  1 G,M,O,T   P   A
  g) Waterzuiveringsslib  1 M,O,T B P   A
2.3.4.3. experimentele verbranding of meeverbranding waar minder dan 50 ton afval per jaar wordt verbrand of meeverbrand. Als minder dan 50 ton afval per jaar wordt verbrand of meeverbrand, zijn de rubrieken 2.3.4.1 of 2.3.4.2 niet van toepassing.
Als meer dan 50 ton afval per jaar wordt verbrand of meeverbrand, wordt de inrichting ingedeeld onder 2.3.4.1 of 2.3.4.2.
1 M,O,T B P    
2.3.5. opslag en reiniging van metalen recipiënten door uitbranden 1 M,O,T B P   B
2.3.6.

andere stortplaatsen dan de stortplaatsen, vermeld in rubriek 2.3.7, van:

Het rechtstreeks terugstorten op de plaats van ontginning, van materialen of stoffen in hun natuurlijke staat, voor zover ze afkomstig zijn van geologische afzettingen die tot het tertiare of het kwartaire tijdperk behoren (zand-, klei-, leem-, mergel- en grindafzettingen) is geen stortactiviteit.
           
  a) categorie 3: stortplaats voor inerte afvalstoffen            
    stortplaats voor inerte afvalstoffen 1 O,W B     A
    monostortplaats voor inerte afvalstoffen 1 O,W B     A
  b) categorie 2: stortplaats voor niet-gevaarlijke afvalstoffen            
    stortplaats voor gemengde niet-gevaarlijke huishoudelijke vaste afvalstoffen met hoog gehalte aan organisch/bioafbreekbaar en anorganisch afval 1 G,O,W A P   B
    stortplaats voor voornamelijk organisch niet-gevaarlijke afvalstoffen 1 G,O,W A P   B
    stortplaats voor anorganische niet-gevaarlijke afvalstoffen met laag organisch/bioafbreekbaar gehalte 1 G,O,W A P   B
    monostortplaats voor andere niet-gevaarlijke afvalstoffen dan inerte afvalstoffen 1 G,O,W A P   B
    stortplaats voor niet-gevaarlijke afvalstoffen van iedere andere oorsprong die voldoen aan de criteria voor de aanvaarding van afvalstoffen op stortplaatsen voor niet-gevaarlijk afval (criteria: zie afdeling 5.2.4 van dit besluit) 1 G,O,W A P   B
   

stortplaats voor stabiele, niet-reactieve gevaarlijke afvalstoffen (bijvoorbeeld verharde of verglaasde afvalstoffen) met een uitlooggedrag dat gelijkwaardig is aan dat van de niet-gevaarlijke afvalstoffen, vermeld in 5°, die voldoen aan de relevante aanvaardingscriteria (criteria: zie afdeling 5.2.4 van dit besluit)

 

Die gevaarlijke afvalstoffen worden niet gestort in cellen die voor biologisch afbreekbare niet-gevaarlijke afvalstoffen bestemd zijn.
1 G,O,W A P   B
  c) categorie 1: stortplaats voor gevaarlijke afvalstoffen            
    stortplaats voor gevaarlijke afvalstoffen die voldoen aan de criteria voor de aanvaarding van afvalstoffen op stortplaatsen voor gevaarlijke afvalstoffen (criteria: zie afdeling 5.2.4 van dit besluit) 1 G,O,W A P   B
    monostortplaats voor gevaarlijke afvalstoffen 1 G,O,W A P   B
    monostortplaatsen voor gevaarlijke afvalstoffen die bestaan uit asbestcement of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is 1 G,O,W B P   B
    ondergrondse opslagplaats voor gevaarlijke afvalstoffen 1 N,G,O,W B P   B
2.3.7. opslag en behandeling van bagger- of ruimingsspecie die niet voldoet aan de bepalingen voor het gebruik van bodemmaterialen, vermeld in het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 en het VLAREBO-besluit van
14 december 2007
Uitzondering : De tijdelijke oeverdeponie bij de ontwatering van bagger- of ruimingsspecie of bij noodruiming die wordt uitgevoerd overeenkomstig de procedure voor tijdelijke oeverdeponie bij de ontwatering van bagger- of ruimingsspecie, respectievelijk de procedure voor tijdelijke oeverdeponie bij noodruiming van bagger- of ruimingsspecie, vermeld in het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, is niet vergunningsplichtig en is dus niet ingedeeld in deze rubriek.
           
  a) monostortplaatsen voor bagger- of ruimingsspecie 1  N,O,W B     A
  b) terugstorten van bagger- of ruimingsspecie in de waterloop waaruit ze afkomstig is 2 O,T        
  c) opslag van bagger- of ruimingsspecie in afwachting van behandeling 2 O,T       A
  d) mechanische, fysisch-chemische of biologische behandeling van bagger- of ruimingsspecie 2 O,T       A
2.3.8. [...]            
2.3.9.

installaties voor de verwijdering van niet-gevaarlijke afvalstoffen, met een capaciteit van meer dan 50 ton per dag, met uitzondering van de installaties, vermeld in 2.4.3, a), i en ii

(Er kan een overlapping zijn met andere deelrubrieken van rubriek 2.3.)
1 G,O B E R A
2.3.10. [...]            
2.3.11. Het verzamelen of storten van winningsafval op een terrein, ongeacht of dat afval zich in vaste vorm, in een oplossing, in een suspensie, of in vloeibare toestand bevindt, gedurende de volgende termijnen:            
 

uitzondering:

Het volgende valt niet onder subrubriek 2.3.11:
           
  afval dat wordt gegenereerd door de prospectie, winning en behandeling van mineralen en de exploitatie van groeven, maar dat niet rechtstreeks afkomstig is van die activiteiten             
  afval dat afkomstig is van de offshoreprospectie, -winning en behandeling van mineralen             
  de volgende handelingen voor zover ze niet verboden zijn en als ze vergund zijn, overeenkomstig dit besluit:            
    a) injectie van water dat stoffen bevat ingevolge exploratie- en winningsactiviteiten van koolwaterstoffen of mijnbouw, en injectie van water om technische redenen, in geologische formaties waaruit koolwaterstoffen of andere stoffen zijn gewonnen, of in geologische formaties die van nature blijvend ongeschikt zijn voor andere doeleinden. Dergelijke injecties mogen geen andere stoffen bevatten dan die welke het gevolg zijn van de hierboven vermelde activiteiten            
    b) herinjectie van uit mijnen en steengroeven gepompt grondwater of met civieltechnische bouw- of onderhoudswerkzaamheden geassocieerd grondwater            
  niet-verontreinigde bodem en niet-commercialiseerbare fracties oppervlaktedelfstoffen            
 

opmerking:

De definities, vermeld in dit besluit onder “Afval van winningsindustrieën”, zijn ook van toepassing. 

 

Tot de hieronder vermelde voorzieningen worden dammen of andere structuren gerekend voor het bevatten, vasthouden, beperken of anderszins ondersteunen van een dergelijke voorziening, alsook, maar niet uitsluitend, afvalbergen en bekkens, maar met uitzondering van uitgravingen waarin afval wordt teruggeplaatst na extractie van het mineraal met het oog op rehabilitatie- en bouwdoeleinden.   

           
  a) geen termijn voor afvalvoorzieningen van categorie A en voorzieningen voor in het afvalbeheersplan als gevaarlijk gekarakteriseerd afval    1 G,M,N,O B     A
  b) een termijn van meer dan zes maanden voor voorzieningen voor gevaarlijk afval dat onverwacht wordt gegenereerd 1 G,M,N,O B     A
  c) een termijn van meer dan één jaar voor voorzieningen voor niet-gevaarlijk niet-inert afval 2 A,G,M,N,O        
  d) een termijn van meer dan drie jaar voor voorzieningen voor niet-gevaarlijk afval uit prospectie, afval uit de winning, de behandeling en de opslag van turf en inert afval 2 A,G,M,N,O        
  [...]            
2.3.12. dierenbegraafplaatsen 2 O,W N      
2.3.13. opslag en behandeling met vochtige hitte en mechanische verkleining van infectieuze afvalstoffen met uitzondering van dierlijke bijproducten  1  G,O,M,T A     O

 


Rubriek 2.4.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
2.4.

afvalbeheer in het kader van industriële emissies

 

Voor rubriek 2.4.1 en 2.4.3, a) en b), wordt de capaciteit bepaald op dit rubrieksniveau en niet op het niveau van de onderliggende opsplitsing van die rubrieken.

 

(Er kan een overlapping zijn met andere subrubrieken van rubriek 2.) 
           
2.4.1. de verwijdering of nuttige toepassing van gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 10 ton per dag door middel van een of meer van de volgende activiteiten:                
  a) biologische behandeling G,M,O,T,X  A P R B,S
  b) fysisch-chemische behandeling G,M,O,T,X  A P R B,S
  c) mengen of vermengen voorafgaand aan een van de behandelingen, vermeld in rubriek 2.4.1 en 2.4.2 G,M,O,T,X  A P R B,S
  d) herverpakking, voorafgaand aan een van de behandelingen, vermeld in rubriek 2.4.1 en 2.4.2 G,M,O,T,X  A P R B,S
  e) terugwinning/regeneratie van oplosmiddelen G,M,O,T,X  A P R B,S
  f) recycling/terugwinning van andere anorganische materialen dan metalen of metaalverbindingen G,M,O,T,X  A P R B,S
  g) regeneratie van zuren of basen G,M,O,T,X  A P R B,S
  h) terugwinning van bestanddelen die worden gebruikt om vervuiling tegen te gaan G,M,O,T,X  A P R B,S
  i) terugwinning van bestanddelen uit katalysatoren G,M,O,T,X  A P R B,S
  j) herraffinage van olie en ander hergebruik van olie G,M,O,T,X  A P R B,S
  k) opslag in waterbekkens G,M,O,T,X  A P R B,S
2.4.2. de verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen in afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallaties voor:            
  a) niet-gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 3 ton per uur  1

E,G,O,M,T,

X

A P R A,S
  b) gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 10 ton per dag   1

E,G,O,M,T,

X
A P R B,S
2.4.3. a) de verwijdering van niet-gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 50 ton per dag door middel van een of meer van de volgende activiteiten, met uitzondering van de activiteiten, vermeld in rubriek 3.6.4:            
    biologische behandeling 1 G,M,O,T,X A P R A,S
    fysisch-chemische behandeling 1 G,M,O,T,X  A P R A,S 
    voorbehandeling van afval voor verbranding of meeverbranding 1 G,M,O,T,X A P R A,S
    behandeling van slakken en as 1 G,M,O,T,X A P R A,S
    behandeling in shredders van metaalafval, met inbegrip van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur en autowrakken en de onderdelen daarvan 1 G,M,O,T,X A P R A,S
  b)

nuttige toepassing, of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering, van niet-gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 75 ton per dag, door middel van een of meer van de volgende activiteiten, met uitzondering van de activiteiten, vermeld in rubriek 3.6.4:

 

(Als de behandeling van het afval beperkt blijft tot anaerobe vergisting, bedraagt de capaciteitsdrempelwaarde voor die activiteit 100 ton per dag.)
           
    biologische behandeling 1 G,M,O,T,X A P R A,S
    voorbehandeling van afval voor verbranding of meeverbranding 1 G,M,O,T,X A P R A,S
    behandeling van slakken en as 1 G,M,O,T,X A P R B,S
    behandeling in shredders van metaalafval, met inbegrip van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur en autowrakken en de onderdelen daarvan 1 G,M,O,T,X A P R B,S
2.4.4. a) stortplaatsen die meer dan 10 ton per dag ontvangen met uitzondering van stortplaatsen voor inerte afvalstoffen 1  G,O,T,X A P R B,S
  b) stortplaatsen die een totale capaciteit van meer dan 25.000 ton hebben met uitzondering van stortplaatsen voor inerte afvalstoffen 1 G,O,T,X A P R B,S
2.4.5. tijdelijke opslag van gevaarlijke afvalstoffen die niet onder rubriek 2.4.4 vallen, in afwachting van de behandelingen, vermeld in rubriek 2.4.1, 2.4.2, 2.4.4 en 2.4.6, met een totale capaciteit van meer dan 50 ton, met uitsluiting van tijdelijke opslag op de plaats van de productie die aan de inzameling voorafgaat  1 G,O,T,X A P R B,S
2.4.6. ondergrondse opslag van gevaarlijke afvalstoffen met een totale capaciteit van meer dan 50 ton  1 N,O,W,T,X  A P R B,S
2.4.7. de destructie of verwerking van kadavers of dierlijk afval met een verwerkingscapaciteit van meer dan 10 ton per dag  1  G,O,W,T,X A P R A,S

 


Rubriek 3.
Afvalwater en koelwater

rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
3. Afvalwater en koelwater            
  Opmerkingen:            
  1.

Als de lozing niet kan worden ingedeeld volgens de debietsafhankelijke criteria, kunnen de volgende omrekeningseenheden worden toegepast om de klasse te bepalen :

-       indelingscriterium x 10 = m3/dag

-       indelingscriterium x 200 = m3/maand

-       indelingscriterium x 2000 = m3/jaar

           
  2. De hierna vermelde inrichtingen zijn niet ingedeeld:            
    a) het lozen van huishoudelijk afvalwater, met inbegrip van de eventueel bijbehorende afvalwaterzuiveringsinstallatie, voor zover dat afvalwater afkomstig is van woongelegenheden            
    b) het lozen van ander huishoudelijk afvalwater dan huishoudelijk afvalwater dat afkomstig is van woongelegenheden, met inbegrip van de eventueel bijbehorende afvalwaterzuiveringsinstallatie, voor zover die niet meer bedraagt dan 600 m³/jaar            
    c) het beheren van inrichtingsmaatregelen in een onbevaarbare waterloop of een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater die tot doel hebben het zelfzuiverende vermogen van de waterloop te verbeteren             
    d) het afscheiden van grove bestanddelen uit het waterige medium door middel van een zeef of een rooster             
    e) het scheiden van bestanddelen die aanwezig zijn in het waterige medium, op basis van het verschil in dichtheid tussen de aanwezige vervuilde bestanddelen en het waterige medium (bijvoorbeeld KWS-afscheider, vetvanger), uitgezonderd centrifuges            
    f) een septische put die hoort bij de lozing van huishoudelijk afvalwater             
    g) het lozen van poriënwater in de waterloop vanwaaruit de te ontwateren specie afkomstig is, bij de tijdelijke oeverdeponie van bagger- of ruimingsspecie die wordt uitgevoerd conform de bepalingen van titel III, hoofdstuk XIII, van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, op voorwaarde dat dat poriënwater niet aangerijkt is met polluenten.            
  3. Voor de toepassing van deze rubriek wordt:               
    a) onder “het gemeentelijk zoneringsplan” verstaan, het zoneringsplan, vermeld in artikel 1, 6°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2006 houdende de vaststelling van de regels voor de scheiding tussen de gemeentelijke en bovengemeentelijke saneringsverplichting en de vaststelling van de zoneringsplannen            
    b) voor de definitie van het begrip “inwonersequivalent” verwezen naar artikel 1.1.2 van dit besluit onder de subtitel “Stedelijk afvalwater”.             
  4. De lozingen van afvalwater die vallen onder de toepassing van rubriek 15.5 en rubriek 19.8, zijn niet ingedeeld in deze rubriek 3.               

 


Rubriek 3.1.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
3.1. [...]            

 


Rubriek 3.2.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
 3.2. het, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, lozen van ander huishoudelijk afvalwater dan huishoudelijk afvalwater dat afkomstig is van woongelegenheden, met een debiet van meer dan 600 m³/jaar:            
  [...] [...]          
  als het lozingspunt is gelegen in een gemeente waarvoor het gemeentelijke zoneringsplan definitief is vastgesteld:            
    a) het lozingspunt ligt in een centraal gebied of een collectief geoptimaliseerd en individueel te optimaliseren buitengebied of buiten het zoneringsplan  3          
    b) het lozingspunt ligt in een collectief te optimaliseren buitengebied  2 T        

 


Rubriek 3.3.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
3.3. [...]            

 


Rubriek 3.4.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
 3.4.

het, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, lozen van bedrijfsafvalwater dat al of niet een of meer van de gevaarlijke stoffen, vermeld in bijlage 2C, bevat in concentraties die hoger zijn dan de indelingscriteria, vermeld in de kolom “indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen)” van artikel 3 van bijlage 2.3.1 van dit besluit, met een debiet:

Opmerking:
Als het indelingscriterium GS voor een lozingsparameter lager ligt dan de rapportagegrens, vermeld in artikel 4 van bijlage 4.2.5.2 van dit besluit, wordt voor deze parameter de rapportagegrens gehanteerd. 
           
  tot en met 2 m3/h:            
    a) als het bedrijfsafvalwater geen hogere concentratie van gevaarlijke stoffen dan de voormelde concentraties bevat 3          
    b) als het bedrijfsafvalwater een of meer gevaarlijke stoffen in een hogere concentratie dan de voormelde concentraties bevat 2 A,M,T        
  van meer dan 2 m³/h tot en met 100 m3/h 2 A,M,T        
  van meer dan 100 m3/h 1 M A P    

 


Rubriek 3.5.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
 3.5.

het lozen van koelwater, met een debiet:

Opmerking:

Als het indelingscriterium GS voor een lozingsparameter lager ligt dan de rapportagegrens, vermeld in artikel 4 van bijlage 4.2.5.2 van dit besluit, wordt voor deze parameter de rapportagegrens gehanteerd.
           
  tot en met 2 m³/h 3          
  van meer dan 2 m³/h tot en met 100 m³/h  2 A,M,T        
  van meer dan 100 m³/h   1  M,T B P    

 


Rubriek 3.6.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
3.6. afvalwaterzuiveringsinstallaties, met inbegrip van het lozen van het effluentwater en het ontwateren van de bijbehorende slibproductie:            
  1. voor de behandeling van ander huishoudelijk afvalwater dan huishoudelijk afvalwater dat afkomstig is van woongelegenheden, met een debiet van meer dan 600 m³/jaar 3          
  2. […]            
  3.

voor de behandeling van bedrijfsafvalwater dat al of niet een of meer van de gevaarlijke stoffen, vermeld in bijlage 2C, bevat in hogere concentraties dan de indelingscriteria, vermeld in de kolom “indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen)” van artikel 3 van bijlage 2.3.1 van dit besluit, met uitzondering van de in rubriek 3.6.5 ingedeelde inrichtingen, met een effluent:

Opmerking:
Als het indelingscriterium GS voor een lozingsparameter lager ligt dan de rapportagegrens, vermeld in artikel 4 van bijlage 4.2.5.2 van dit besluit, wordt voor deze parameter de rapportagegrens gehanteerd.
           
    tot en met 5 m3/h:            
    a) als het effluentwater geen hogere concentratie van gevaarlijke stoffen dan de voormelde concentraties bevat 3          
    b) als het effluentwater een of meer gevaarlijke stoffen in een hogere concentratie dan de voormelde concentraties bevat 2 A,M,T        
    van meer dan 5 m3/h tot en met 50 m3/h 2 A,M,T       A
    van meer dan 50 m3/h 1 M A P   B
  4. voor de behandeling van afvalwater, aangevoerd via openbare riolen of collectoren met een zuiveringscapaciteit:            
    […]            
    van meer dan 20 tot 500 inwonerequivalenten 2 A,M,T        
    met een capaciteit van 500 tot 100.000 inwonerequivalenten 1 M A P   O
    met een capaciteit van 100.000 inwonerequivalenten of meer 1 M A P R A
  5. voor de behandeling van kwikhoudend afvalwater, afkomstig van tandartspraktijken (amalgaamafscheiders) 3          
  6. onafhankelijk geëxploiteerde installaties voor de behandeling van industrieel afvalwater ten dienste van een of meer activiteiten, aangeduid met een “R” in de zevende kolom van deze lijst, met een capaciteit van 10.000 m3 per dag of meer 1 M A   R A
   7. een zelfstandige geëxploiteerde behandeling, met uitzondering van de behandelingen inzake stedelijk afvalwater, van afvalwater ten dienste van een of meer activiteiten, aangeduid met een “X” in de vierde kolom van deze lijst  1  M,X  A P    A,S

 


Rubriek 4.
Bedekkingsmiddelen

rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
 4. Bedekkingsmiddelen
(verven, vernissen, inkten, emails, metaalpoeders en analoge producten, afbijt- en beitsmiddelen, oppervlaktebehandeling)
           
  Opmerking: onder afbijtmiddelen vallen hier niet de beitsmiddelen, die vallen onder rubriek 29.5.7, die gebruikt worden voor het verwijderen van anorganische verontreinigingen van een metallisch substraat.            

 


Rubriek 4.1.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
4.1. inrichtingen voor de productie van lak, verf, drukinkten of pigmenten, alsook voor het bereiden van bedekkingsmiddelen, met een geïnstalleerde totale drijfkracht van:             
  5 kW tot en met 10 kW     3          
  meer dan 10 kW tot en met 200 kW  2 T       B
  meer dan 200 kW  1 M,T A P   B

 


Rubriek 4.2.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
4.2. inrichtingen voor het aanbrengen van bedekkingsmiddelen door indompeling 2         B

 


Rubriek 4.3.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
4.3.

inrichtingen voor het mechanisch, pneumatisch of elektrostatisch aanbrengen van bedekkingsmiddelen

 

Uitzondering
(uitgezonderd het aanbrengen van bedekkingsmiddelen met behulp van rol, spuitbus, kwast of borstel, het aanbrengen van bedekkingsmiddelen aan een gebouw of een andere vaste constructie, en het aanbrengen van wegmarkeringen en de activiteiten, vermeld in rubriek 11 (drukken))

 

Opmerking

De inrichtingen voor het aanbrengen van bedekkingsmiddelen, die vallen onder de toepassing van rubriek 15.5 en rubriek 19.8, zijn niet ingedeeld in deze rubriek 4.3.

[...]
           
  a) inrichtingen, voorzien van een filterinstallatie met gebruik van actieve kool voor de adsorptie van de afvalgassen of een gelijkwaardige installatie, alsook inrichtingen waar uitsluitend bedekkingsmiddelen met minder dan 150 g VOS/l worden aangebracht, met een geïnstalleerde totale drijfkracht van:            
    i) 5 kW tot en met 60 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied 3         A
      ii) 5 kW tot en met 25 kW, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een ander gebied ander dan het industriegebied, vermeld in i) 3         A
    i) meer dan 60 kW tot en met 200 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied 2 T,G       A
      ii) meer dan 25 kW tot en met 200 kW, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een ander gebied dan het industriegebied, vermeld in i) 2 T,G       A
    meer dan 200 kW 2 A,T,G B P   A
  b) inrichtingen waarin bedekkingsmiddelen worden aangebracht met een maximaal gehalte aan vluchtige organische stoffen, zoals conform de EG-richtlijn 2004/42/EG, bepaald in bijlage 2A en 2B van het koninklijk besluit van 7 oktober 2005 inzake de reductie van het gehalte aan vluchtige organische stoffen in bepaalde verven en vernissen en in producten voor het overspuiten van voertuigen (voetnoot zie achteraan bijlage 1), met een geïnstalleerde totale drijfkracht van:             
    i) 5 kW tot en met 60 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied   3         A
      ii) 5 kW tot en met 25 kW, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een ander gebied dan het industriegebied, vermeld in i) 3         A
    i) meer dan 60 kW tot en met 200 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied 2 T,G       A
      ii) meer dan 25 kW tot en met 200 kW, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een ander gebied dan het industriegebied, vermeld in i) 2 T,G       A
    meer dan 200 kW 2 A,T,G B P   A
  c) andere inrichtingen voor het mechanisch, pneumatisch of elektrostatisch aanbrengen van bedekkingsmiddelen dan de inrichtingen, vermeld in a) en b), met een geïnstalleerde totale drijfkracht van:            
    i) 5 kW tot en met 25 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied 3         A
      ii) 5 kW tot en met 10 kW, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een ander gebied dan het industriegebied, vermeld in i) 3         A
    i) meer dan 25 kW tot en met 200 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied 2 T       A
      ii) meer dan 10 kW tot en met 200 kW, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een ander gebied dan het industriegebied, vermeld in i)  2 T       A
    meer dan 200 kW 2 A,T,G A P   A

 


Rubriek 4.4.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
4.4. inrichtingen voor het thermisch behandelen (bij een temperatuur van 100 °C of meer) van voorwerpen, bedekt met bedekkingsmiddelen, als het inwendige volume van de ovens groter is dan 0,25 m3 2         A

 


Rubriek 4.5.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
4.5. opslagplaatsen voor meer dan 10 ton bedekkingsmiddelen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 17 en 48 2 T       A

 


Rubriek 4.6.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
4.6.

de oppervlaktebehandeling van stoffen, voorwerpen of producten met behulp van organische oplosmiddelen, in het bijzonder voor het appreteren, bedrukken, het aanbrengen van een laag, het ontvetten, het vochtdicht maken, lijmen, verven reinigen of impregneren, met een verbruikscapaciteit van:

Er kan overlapping zijn met deelrubrieken van rubriek 29 en 41

           
 

a)

meer dan 150 kg organisch oplosmiddel per uur 1 G,M,T,X A P R B,S
 

b)

meer dan 200 ton per jaar 1 G,M,T,X A P R B,S

 


Rubriek 5.
Pesticiden (biociden en gewasbeschermingsmiddelen)


Rubriek 5.1.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
5.1. inrichtingen voor het bereiden of het formuleren van andere pesticiden dan de pesticiden, vermeld in rubriek 5.4 1 G,M A P   B

 


Rubriek 5.2.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
5.2. inrichtingen voor het verpakken van pesticiden 2 G       B

Rubriek 5.3.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
5.3.

opslagplaatsen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 17 en 48, voor pesticiden van:

           
  a) meer dan 0,5 ton tot en met 1 ton 3          
    b) meer dan 1 ton tot en met 2 ton 3         A
  meer dan 2 ton 2 G,T       A

 


Rubriek 5.4.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
 5.4. productie van pesticiden met een jaarcapaciteit:            
  tot en met 30.000 ton 2 A,G       B
  meer dan 30.000 ton  1 G,M A P   B

 

 


Rubriek 5.5.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
5.5.

fabricage van pesticiden

(Onder fabricage in de zin van deze rubriek wordt verstaan de fabricage van de stoffen of groepen stoffen, vermeld in deze rubriek, op industriële schaal door chemische of biologische omzetting.)
1 G,M,X A P R B,S

Rubriek 5.6.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
5.6. inrichtingen voor het schoonmaken van apparatuur, met uitzondering van hand- en rugspuitapparatuur, voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, die horen bij een inrichting voor de opslag en het behandelen van restvloeistoffen 2 A,G,T        

Rubriek 6.
Brandstoffen en brandbare vloeistoffen


Rubriek 6.1.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
6.1.

inrichtingen voor het mechanisch behandelen en verwerken van vaste brandstoffen met een geïnstalleerde totale drijfkracht van:

[...]
           
  a) 5 kW tot en met 200 kW, alsde inrichting volledig is gelegen in een industriegebied 3          O
    b) 5 kW tot en met 100 kW, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een ander gebied dan industriegebied 3         O
  a) meer dan 200 kW tot en met 1000 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied 2 T       A
    b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een ander gebied dan industriegebied 2 T       A
  a) meer dan 1000 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied 1 T B     A
    b) meer dan 500 kW, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een ander gebied dan industriegebied 1 T B     A

 


Rubriek 6.2.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
6.2. opslagplaatsen voor vaste brandstoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48: [...]            
  in woon- en woonuitbreidingsgebieden, opslagplaatsen met een capaciteit van meer dan 5 ton en met een oppervlakte van:            
    a) maximaal 2,5 ha 2         O
    b) meer dan 2,5 ha  1   B     A
  in andere gebieden, opslagplaatsen met een capaciteit van meer dan 20 ton en met een oppervlakte van:            
    a) maximaal 10 ha 2         O
    b) meer dan 10 ha  1   B     A

 


Rubriek 6.3.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
6.3.

bovengrondse opslag van fossiele brandstoffen met een oppervlakte van 25 ha of meer

Er kan overlapping zijn met rubriek 1 en 6.2.
1   B     B

 


Rubriek 6.4.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
6.4. opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van:            
  200 l tot en met 50.000 l
uitgezonderd de gezamenlijke opslag van minder dan 5 ton gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige brandstoffen bij de woonfunctie van een onroerend goed dat hoofdzakelijk als woongelegenheid wordt gebruikt
3          
  meer dan 50.000 l tot en met 5.000.000 l 2         A*
  meer dan 5.000.000 l 1   B     B*

 


Rubriek 6.5.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
6.5. brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen, namelijk installaties voor het vullen van brandstoftanks van motorvoertuigen met vloeibare koolwaterstoffen, bestemd voor de voeding van de erop geïnstalleerde  motor(en):            
  inrichtingen met maximaal 2 verdeelslangen 3          
  overige inrichtingen 2 A B     B

 

 

 

 


Rubriek 7.
Chemicaliën (zie ook rubriek 17 en 20.4)


Rubriek 7.1.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
7.1.

inrichtingen of activiteiten die niet elders ingedeeld zijn voor de productie of behandeling van organische of anorganische chemicaliën, waarbij gebruikgemaakt wordt van: 

  • alkylering
  • aminering met ammoniak
  • carbonylering
  • condensatie
  • dehydrogenering
  • verestering
  • halogenering en fabricage van halogenen
  • hydrogenering
  • hydrolyse
  • oxidatie
  • polymerisatie
  • ontzwaveling, synthese en omzetting van zwavelhoudende verbindingen
  • nitrering en synthese van stikstofhoudende verbindingen
  • synthese van fosforhoudende verbindingen
  • distillatie
  • extractie
  • solvatie
  • menging

met een jaarcapaciteit:

           
  tot en met 1000 ton 3         B
  van meer dan 1000 ton tot en met 10.000 ton 2 A,G       B
  van meer dan 10.000 ton 1 G,M A P   B

Rubriek 7.2.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
7.2.

geïntegreerde chemische inrichtingen, dat wil zeggen inrichtingen voor de fabricage op industriële schaal van stoffen door chemische omzetting waarin verschillende eenheden naast elkaar bestaan en functioneel met elkaar verbonden zijn, bestemd voor de fabricage van:

  1. organische basischemicaliën;
  2. anorganische basischemicaliën;
  3. fosfaat, stikstof of kaliumhoudende meststoffen (enkelvoudige of samengestelde meststoffen);
  4. basisproducten voor gewasbescherming en van biociden;
  5. farmaceutische basisproducten met een chemisch of biologisch procedé;
  6. explosieven
1 G,M A P   B

Rubriek 7.3.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
7.3.

petrochemische inrichtingen of vervolgfabrieken ten behoeve van het kraken of vergassen van nafta, gasolie, lpg of andere aardoliefracties, alsook daarvan afgeleide organische chemie die niet elders is ingedeeld met een verwerkingscapaciteit van:

           
  tot 500.000 ton per jaar 2 A        B
  500.000 ton per jaar of meer 1 M  A  P   B

Rubriek 7.4.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
7.4.

inrichtingen voor het bereiden van een van de volgende producten:

           
  a) fenolen, koolstofdisulfiden en mercaptanen met een jaarcapaciteit:            
    tot en met 10 ton 2 A       B
    van meer dan 10 ton 1 G,M A P   B
  b) aminen en gehalogeneerde organische verbindingen met een jaarcapaciteit:            
    tot en met 10 ton 2 A       B
    van meer dan 10 ton 1 G,M  A  P   B

Rubriek 7.5.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
7.5.

productie van chloor door elektrolyse of door het kwik- of het diafragmaprocedé met een jaarcapaciteit:

           
  tot en met 10 ton 2 A        B
  van meer dan 10 ton 1 G,M  A P   B

Rubriek 7.6.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
7.6.

fabricatie van organische en anorganische peroxiden, met een jaarcapaciteit:

           
  tot en met 10 ton 2  A        B
  van meer dan 10 ton 1 G,M  A P   B

Rubriek 7.7.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
7.7.

productie van andere chloorwaterstoffen en derivaten, alsook polymeren ervan, dan de chloorwaterstoffen, vermeld in rubriek 5, met een jaarcapaciteit:

           
  tot en met 10 ton 2  A        B
  van meer dan 10 ton 1 G,M  A P   B

Rubriek 7.8.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
7.8.

productie van natriumpentachloorfenolaat door elektrolyse van hexacloorbenzeen, met een jaarcapaciteit:

           
  tot en met 10 ton 2  A        B
  van meer dan 10 ton 1 G,M  A P   B

Rubriek 7.9.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
7.9.

productie van soda (natriumcarbonaat) als eindproduct of van calcium- en natriumchloride als bijproduct, met een jaarcapaciteit aan eindproduct, respectievelijk bijproductie:

           
  tot en met 10 ton 2  A        B
  van meer dan 10 ton 1 G,M  A P   B

Rubriek 7.10.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
7.10.

productie van methylcellulose door inwerking van methylchloride op cellulose, met een jaarcapaciteit:

           
  tot en met 10 ton 2  A        B
  van meer dan 10 ton 1 G,M  A P   B

Rubriek 7.11.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
7.11.

De fabricage van:

(Er kan een overlapping zijn met de deelrubrieken van rubriek 7, 13 en 38.

Onder fabricage in de zin van deze rubriek wordt verstaan de fabricage van de stoffen of groepen van stoffen, vermeld in deze rubriek, op industriële schaal door chemische of biologische omzetting.)

           
  organisch-chemische producten, zoals:            
    a) eenvoudige koolwaterstoffen (lineaire of cyclische, verzadigde of onverzadigde, alifatische of aromatische) 1 G,M,X   A P  R B,S
    b) zuurstofhoudende koolwaterstoffen, zoals alcoholen, aldehyden, ketonen, carbonzuren, esters en mengsels van esters, acetaten, ethers, peroxiden, epoxyharsen 1 G,M,X A P R B,S
    c) zwavelhoudende koolwaterstoffen 1 G,M,X A P R B,S
    d) stikstofhoudende koolwaterstoffen, zoals aminen, amiden, nitroso-, nitro- en nitraatverbindingen, nitrillen, cyanaten, isocyanaten 1 G,M,X A P R B,S
    e) fosforhoudende koolwaterstoffen 1 G,M,X A P R B,S
    f) halogeenhoudende koolwaterstoffen 1 G,M,X A P R B,S
    g) Organometaalverbindingen 1 G,M,X A P R B,S
    h) kunststofmaterialen (polymeren, kunstvezels, cellulosevezels) 1 G,M,X A P R B,S
    i) synthetische rubber 1 G,M,X A P R B,S
    j) kleurstoffen en pigmenten 1 G,M,X A P R B,S
    k) tensioactieve stoffen en tensiden 1 G,M,X A P R B,S
  anorganisch-chemische producten, zoals:            
    a) van gassen, zoals ammoniak, chloor of chloorwaterstof, fluor of fluorwaterstof, kooloxiden, zwavelverbindingen, stikstofoxiden, waterstof, zwaveldioxide, carbonylchloride 1 G,M,X A P R B,S
    b) van zuren, zoals chroomzuur, fluorwaterstofzuur, fosforzuur, salpeterzuur, zoutzuur, zwavelzuur, oleum, zwaveligzuur 1 G,M,X A P R B,S
    c) van basen, zoals ammoniumhydroxide, kaliumhydroxide, natriumhydroxide 1 G,M,X A P R B,S
    d) van zouten, zoals ammoniumchloride, kaliumchloraat, kaliumcarbonaat, natriumcarbonaat, perboraat, zilvernitraat 1 G,M,X A P R B,S
    e) van niet-metalen, metaaloxiden of andere anorganische verbindingen, zoals calciumcarbide, silicium, siliciumcarbide, titaandioxide 1 G,M,X A P R B,S
  fosfaat-, stikstof- of kaliumhoudende meststoffen (enkelvoudige of samengestelde meststoffen) 1 G,M,X A P R B,S
  farmaceutische producten met inbegrip van tussenproducten 1 G,M,X A P R B,S
  explosieven 1 G,M,X  A  P  R B,S

Rubriek 7.12.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
7.12.

Chemische industrie:

Er kan overlapping zijn met andere subrubrieken van rubriek 7, 20 en 28.

           
  chemische industrie voor de behandeling van tussenproducten en vervaardiging van chemicaliën:            
    a) chemische installatie voor de productie van organische chemicaliën met een productiecapaciteit van 100.000 ton per jaar of meer 1 G,M A P   B
    b) chemische installatie voor de productie van kunstmeststoffen met een productiecapaciteit van 100.000 ton per jaar of meer 1 G,M A P   B
    c) chemische installatie voor de productie van anorganische chemicaliën met een productiecapaciteit van 250.000 ton per jaar of meer 1 G,M A P   B
   2° chemische industrie voor de productie van bestrijdingsmiddelen en farmaceutische producten, verven en vernissen, elastomeren en peroxiden:            
    a) inrichtingen voor de productie van bestrijdingsmiddelen met een productiecapaciteit van 30.000 ton per jaar of meer 1 G,M A P   B
    b) inrichtingen voor de productie van farmaceutische stoffen met een productiecapaciteit van 30.000 ton per jaar of meer 1 G,M A P   B
    c) inrichtingen voor de productie van elastomeren, verven, vernissen of peroxiden met een productiecapaciteit van 100.000 ton per jaar of meer 1 G,M  A  P   B

Rubriek 7.13.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
7.13.

de productie van:

           
  salpeterzuur, adipinezuur, glyoxal of glyoxylzuur 1  Yk,Yd  A      B
  ammoniak, natriumcarbonaat of natriumbicarbonaat 1 Yk A     B
  organische bulkchemicaliën door kraken, reforming, gedeeltelijke of volledige oxidatieve of vergelijkbare processen, met een productiecapaciteit van meer dan 100 ton per dag 1 Yk A     B
  waterstof en synthesegas door reforming of gedeeltelijke oxidatie met een productiecapaciteit van meer dan 25 ton per dag 1 Yk  A     B

Rubriek 7.14.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO

 7.14.

 

De productie van roet, waarbij organische stoffen, zoals olie, teer en kraak- en destillatieresiduen worden verkoold, waarbij verbrandingseenheden met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW worden gebruikt  1 Yk   A     B

Rubriek 8.
Diamant (bewerking van)

rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
 8.

Diamant (bewerking van)

[...]

Met een geïnstalleerde totale drijfkracht van:

           
  a) 5 kW tot en met 200 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied  3          
    b) 5 kW tot en met 100 kW, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een ander gebied dan industriegebied 3          
  a) meer dan 200 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied 2 A N      
    b) meer dan 100 kW, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een ander gebied dan industriegebied  2 A N      

Rubriek 9.
Dieren

rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
9.

Dieren

[...]
           

Rubriek 9.1.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
 9.1. [...]            

Rubriek 9.2.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
9.2. diergaarden en dergelijke (met uitzondering van inrichtingen waar huisdieren, landbouwdieren, gezelschapsdieren, vissen, schildpadden en elders vermelde dieren worden gehouden)            
   1. a) dierentuinen en -parken, safariparken 1   B      
    b) opvang- en verzorgingscentra voor gekwetste, verdwaalde en verzwakte wilde dieren, andere dan vogels 2          
   2. inrichtingen waar de volgende dieren worden gehouden of verhandeld:            
    a) alle uitheemse zoogdieren, met uitzondering van de uitheemse zoogdieren, vermeld in rubriek 9.2.2.e, vanaf 1 dier 2          
    b) alle gifslangen en krokodillen, vanaf 1 dier 2          
    c) alle andere diersoorten, niet vermeld in a) of b), die door hun agressiviteit, giftigheid of gedrag een gevaar inhouden (schorpioenen, zwarte weduwe enzovoort) vanaf 1 dier 2          
    d) alle andere reptielen dan de reptielen, vermeld in b) en c):             
      tot en met 30 dieren  3          
      van meer dan 30 dieren  2          
    e) alle hierna (*) vermelde uitheemse zoogdieren:            
      vanaf 20 tot en met 100 dieren 3          
      van meer dan 100 dieren  2   N      
    (*)
  • Cynomys ludovicianus (zwartstaartprairiehond)
  • Tamias sibiricus (Aziatische gestreepte grondeekhoorn)
  • Tamias striatus (oostelijke wangzakeekhoorn)
  • Cricetulus barbarensis (Chinese dwerghamster)
  • Mesocricetus auratus (goudhamster)
  • Phodopus campbelli (Campbells dwerghamster)
  • Phodopus roborovskii (Roborovskidwerghamster)
  • Phodopus sungorus (Dzjoengaarse dwerghamster)
  • Gerbillus spec. (echte renmuizen)
  • Meriones spec. (woestijnmuizen)
  • Acomys spec. (stekelmuizen)
  • Mus minutoides (Afrikaanse dwergmuis)
  • Chinchilla lanigera (chinchilla - kweekvormen)
  • Cavia porcellus (cavia)
  • Dolichotis patagonum (mara)
  • Octodon degus (degoe) ]
           
    f) vogels
meer dan 20 van de hierna (*) genoemde volwassen papegaaien
3          
    (*)
  • ara's
    • Genus Anadorhynchus
    • Genus Ara (exclusief ara nobilis)
    • Genus Cyanopsitta
  • edelpapegaaien
    • Genus Eclectus
  • kaketoes
    • Genus Cacatua
    • Genus Callocephalon
    • Genus Calyptorhynchus
    • Genus Eolophus
    • Genus Probosciger exclusief Nymphicus Hollandicus (valkparkiet)
  • papegaaien
    • Genus Amazona
    • Genus Nestor
    • Genus Psittacus
           

Rubriek 9.3.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
 9.3. Gevogelte            
  1.

inrichting waarin leghennen en mestkippen, respectievelijk pluimvee of gevogelte, gefokt of gehouden worden, duiventillen met geringde duiven voor wedstrijddoeleinden uitgezonderd

(met inbegrip van:
- de inrichtingen voor de bewerking of verwerking van dierlijke mest, afkomstig van de op die plaats geproduceerde dierlijke mest, zonder bijmenging van afval
- de inrichtingen voor de compostering van dierlijke mest, afkomstig van de op die plaats geproduceerde dierlijke mest, met groenafval, afkomstig van de eigen inrichting en van de gronden die bij de inrichting horen
           
    a) in een ander gebied dan het gebied, vermeld in b) of c):            
      met plaatsen voor 50 tot en met 20.000 kippen, stuks pluimvee of gevogelte ouder dan 1 week 2   N      
      met plaatsen voor meer dan 20.000 kippen, stuks pluimvee of gevogelte ouder dan 1 week 1   N      
    b) in een woongebied met landelijk karakter:            
      met plaatsen voor 500 tot en met 20.000 kippen, stuks pluimvee of gevogelte ouder dan 1 week 2   N      
      met plaatsen voor meer dan 20.000 kippen, stuks pluimvee of gevogelte ouder dan 1 week 1   N      
    c) in een agrarisch gebied:            
      met plaatsen voor 1000 tot en met 20.000 kippen, stuks pluimvee of gevogelte ouder dan 1 week 2   N      
      met plaatsen voor meer dan 20.000 kippen, stuks pluimvee of gevogelte ouder dan 1 week 1   N      
    d) intensieve pluimveehouderij met meer dan 40.000 plaatsen voor pluimvee
(Er kan overlapping zijn met een andere deelrubriek van rubriek 9.3.1 [...])
1 X N   R  
   2.

struisvogels, emoes en dergelijke

inrichtingen waarin struisvogels of emoes en dergelijke worden gefokt of gehouden

met inbegrip van:
- de inrichtingen voor de bewerking of verwerking van dierlijke mest, afkomstig van de op die plaats geproduceerde dierlijke mest, zonder bijmenging van afval
- de inrichtingen voor de compostering van dierlijke mest, afkomstig van de op die plaats geproduceerde dierlijke mest, met groenafval, afkomstig van de eigen inrichting en van de gronden die bij de inrichting horen
           
    a) in een ander gebied dan het gebied, vermeld in b) en c):            
      5 tot en met 500 dieren ouder dan 3 weken 2   N      
      meer dan 500 dieren ouder dan 3 weken 1   N      
    b) in een woongebied met landelijk karakter:            
      10 dieren tot en met 500 dieren ouder dan 3 weken 2   N      
      meer dan 500 dieren ouder dan 3 weken 1   N      
    c) in een agrarisch gebied:            
      20 dieren tot en met 500 dieren ouder dan 3 weken 2   N      
      meer dan 500 dieren ouder dan 3 weken 1   N      

Rubriek 9.4.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
 9.4. andere zoogdieren dan de zoogdieren, vermeld in rubriek 9.2.2°, a) en e), 9.6, 9.7, 9.8 en 9.9            
  1. varkens
inrichting waarin varkens gefokt of gehouden worden,
met inbegrip van:
- de inrichtingen voor de bewerking of verwerking van dierlijke mest, afkomstig van de op die plaats geproduceerde dierlijke mest, zonder bijmenging van afval
- de inrichtingen voor de compostering van dierlijke mest, afkomstig van de op die plaats geproduceerde dierlijke mest, met groenafval, afkomstig van de eigen inrichting en van de gronden die bij de inrichting horen
           
    a) in een ander gebied dan het gebied, vermeld in b) en c):            
      met plaatsen voor meer dan 5 tot en met 1000 varkens ouder dan 10 weken 2   N      
      met plaatsen voor meer dan 1000 varkens ouder dan 10 weken 1   N      
    b) in een woongebied met landelijk karakter:            
      met plaatsen voor meer dan 10 tot en met 1000 varkens ouder dan 10 weken 2   N      
      met plaatsen voor meer dan 1000 varkens ouder dan 10 weken 1   N      
    c) in een agrarisch gebied:            
      met plaatsen voor meer dan 20 tot en met 1000 varkens ouder dan 10 weken 2   N      
      met plaatsen voor meer dan 1000 varkens ouder dan 10 weken 1   N      
    d)

intensieve varkenshouderij met meer dan:

(Er kan overlapping zijn met een andere deelrubriek van rubriek 9.4.1)

           
      2000 plaatsen voor mestvarkens van meer dan 30 kg 1 X N   R  
      750 plaatsen voor zeugen en gedekte jonge zeugen 1 X N   R  
    [...]            
  2.

mestkalveren

inrichting waarin mestkalveren gefokt of gehouden worden

met inbegrip van:
- de inrichtingen voor de bewerking of verwerking van dierlijke mest, afkomstig van de op die plaats geproduceerde dierlijke mest, zonder bijmenging van afval
- de inrichtingen voor de compostering van dierlijke mest, afkomstig van de op die plaats geproduceerde dierlijke mest, met groenafval, afkomstig van de eigen inrichting en van de gronden die bij de inrichting horen
           
    a) in een ander gebied dan het gebied, vermeld in b) en c):            
      met plaatsen voor 5 tot en met 500 dieren 2   N      
      met plaatsen voor meer dan 500 dieren 1   N      
    b) in een woongebied met landelijk karakter:            
      met plaatsen voor 10 tot en met 500 dieren 2   N      
      met plaatsen voor meer dan 500 dieren 1   N      
    c) in een agrarisch gebied:            
      met plaatsen voor 20 tot en met 500 dieren 2   N      
      met plaatsen voor meer dan 500 dieren 1   N      
  3.

grote zoogdieren (paarden en runderachtigen)

inrichting voor grote zoogdieren, inzonderheid paarden en runderachtigen, waarin andere grote zoogdieren dan varkens of mestkalveren gefokt of gehouden worden

met inbegrip van:
- de inrichtingen voor de bewerking of verwerking van dierlijke mest, afkomstig van de op die plaats geproduceerde dierlijke mest, zonder bijmenging van afval
- de inrichtingen voor de compostering van dierlijke mest, afkomstig van de op die plaats geproduceerde dierlijke mest, met groenafval, afkomstig van de eigen inrichting en van de gronden die bij de inrichting horen

 

opmerking:

de weiden die alleen gebruikt worden om de dieren te laten grazen, maken geen onderdeel uit van de inrichting

           
    a) in een ander gebied dan het gebied, vermeld in b) en c):            
      met plaatsen voor 5 tot en met 200 gespeende dieren 2   N      
      met plaatsen voor meer dan 200 gespeende dieren 1   N      
    b) in een woongebied met landelijk karakter:            
      met plaatsen voor 10 tot en met 200 gespeende dieren 2   N      
      met plaatsen voor meer dan 200 gespeende dieren 1   N      
    c) in een agrarisch gebied:            
      met plaatsen voor 20 tot en met 200 gespeende dieren 2   N      
      met plaatsen voor meer dan 200 gespeende dieren 1   N      

Rubriek 9.5.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
 9.5.

gemengde inrichting

inrichting waarin dieren als vermeld in rubriek 9.3.1 en 9.4, gezamenlijk gefokt of gehouden worden.


Voor de toepassing van deze rubriek:

- worden de aantal plaatsen van de afzonderlijke diersoorten meegeteld indien deze hoger zijn dan de respectievelijke ondergrenzen voor vergunningsplicht in het van toepassing zijnde gebied (conform 9.3.1, 9.4.1, 9.4.2 en 9.4.3.).

 

- wordt verstaan onder:
A. het aantal stuks gevogelte

B. het aantal varkens ouder dan 10 weken

C. het aantal mestkalveren

D. het aantal grote zoogdieren

 

met inbegrip van:
- de inrichtingen voor de bewerking of verwerking van dierlijke mest, afkomstig van de op die plaats geproduceerde dierlijke mest, zonder bijmenging van afval
- de inrichtingen voor de compostering van dierlijke mest, afkomstig van de op die plaats geproduceerde dierlijke mest, met groenafval, afkomstig van de eigen inrichting en van de gronden die bij de inrichting horen.

 

opmerking:

de weiden die alleen gebruikt worden om de dieren te laten grazen, maken geen onderdeel uit van de inrichting.

           
   a) in een ander gebied dan woongebieden met landelijk karakter en agrarische gebieden:            
    inrichtingen waarbij de som ((A/50) +(B/5) + (C/5) + (D/5)) > 1 en de som ((A/20.000) + (B/1.000) + (C/500) + (D/200)) ≤ 1            
      aantal plaatsen voor gevogelte 2   N      
      aantal plaatsen voor varkens ouder dan 10 weken 2   N      
      aantal plaatsen voor mestkalveren 2   N      
      aantal plaatsen voor grote zoogdieren 2   N      
    inrichtingen waarbij de som ((A/20.000) + (B/1.000) + (C/500) + (D/200)) > 1            
      aantal plaatsen voor gevogelte 1   N      
      aantal plaatsen voor varkens ouder dan 10 weken 1   N      
      aantal plaatsen voor mestkalveren 1   N      
      aantal plaatsen voor grote zoogdieren 1   N      
  b) in een woongebied met landelijk karakter:             
    inrichtingen waarbij de som ((A/500) +(B/10) + (C/10) + (D/10)) > 1 en de som ((A/20.000) + (B/1.000) + (C/500) + (D/200)) ≤ 1             
      aantal plaatsen voor gevogelte 2   N      
      aantal plaatsen voor varkens ouder dan 10 weken 2   N      
      aantal plaatsen voor mestkalveren 2   N      
      aantal plaatsen voor grote zoogdieren 2   N      
    inrichtingen waarbij de som ((A/20.000) + (B/1.000) + (C/500) + (D/200)) > 1              
      aantal plaatsen voor gevogelte 1   N      
      aantal plaatsen voor varkens ouder dan 10 weken  1   N      
      aantal plaatsen voor mestkalveren  1   N      
      aantal plaatsen voor grote zoogdieren  1   N      
  c) in een agrarisch gebied:             
    inrichtingen waarbij de som ((A/1000) +(B/20) + (C/20) + (D/20)) > 1 en de som ((A/20.000) + (B/1.000) + (C/500) + (D/200)) ≤ 1              
      aantal plaatsen voor gevogelte 2   N      
      aantal plaatsen voor varkens ouder dan 10 weken 2   N      
      aantal plaatsen voor mestkalveren 2   N      
      aantal plaatsen voor grote zoogdieren 2   N      
    inrichtingen waarbij de som ((A/20.000) + (B/1.000) + (C/500) + (D/200)) > 1              
      aantal plaatsen voor gevogelte 1   N      
      aantal plaatsen voor varkens ouder dan 10 weken 1   N      
      aantal plaatsen voor mestkalveren 1   N      
      aantal plaatsen voor grote zoogdieren 1   N      
  d) een gemengde inrichting die al valt onder punt a),b), of c) met onder andere als onderdeel             
    een intensieve pluimveehouderij met meer dan 40.000 plaatsen voor pluimvee  1 X N   R  
    een intensieve varkenshouderij met meer dan 2000 plaatsen voor mestvarkens van meer dan 30 kg  1 X  N   R  
    een intensieve varkenshouderij met meer dan 750 plaatsen voor zeugen en gedekte jonge zeugen 1 X N   R  

Rubriek 9.6.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
 9.6.

kleine herkauwers

inrichting waarin andere kleine herkauwers, inzonderheid geiten, schapen, damherten, edelherten, reeën enzovoort, dan de kleine herkauwers vermeld in rubriek 9.2.2°, a) en e), en 9.7, gefokt of gehouden worden:

 

met inbegrip van:
- de inrichtingen voor de bewerking of verwerking van dierlijke mest, afkomstig van de op die plaats geproduceerde dierlijke mest, zonder bijmenging van afval
- de inrichtingen voor de compostering van dierlijke mest, afkomstig van de op die plaats geproduceerde dierlijke mest, met groenafval, afkomstig van de eigen inrichting en van de gronden die bij de inrichting horen.

opmerking:

de weiden die alleen gebruikt worden om de dieren te laten grazen, maken geen onderdeel uit van de inrichting.

           
   a) in een ander gebied dan woongebieden met landelijk karakter en agrarische gebieden:            
    - met plaatsen voor meer dan 10 gespeende dieren 2   N      
  b) in een woongebied met landelijk karakter:            
    - met plaatsen voor meer dan 25 gespeende dieren  2   N      
  c) in een agrarisch gebied :            
    - met plaatsen voor meer dan 150 gespeende dieren  2   N      

Rubriek 9.7.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
 9.7.

kleine zoogdieren
stallen voor konijnen, knaagdieren, katten en dergelijke andere dan vermeld in rubriek 9.2.2°, a), en e),9.8 en 9.9, waaronder verstaan wordt een of meer gebouwen of installaties waarin die dieren gefokt of gehouden worden:

met inbegrip van :
- de inrichtingen voor de bewerking of verwerking van dierlijke mest, afkomstig van de op die plaats geproduceerde dierlijke mest, zonder bijmenging van afval
- de inrichtingen voor de compostering van dierlijke mest, afkomstig van de op die plaats geproduceerde dierlijke mest, met groenafval, afkomstig van de eigen inrichting en van de gronden die bij de inrichting horen 
           
  a) in een ander gebied dan woongebieden met landelijk karakter en agrarische gebieden:            
    met plaatsen voor meer dan 50 tot en met 10.000 gespeende dieren  2   N      
    met plaatsen voor meer dan 10.000 gespeende dieren 1   N      
  b) in een woongebied met landelijk karakter:            
    met plaatsen voor meer dan 150 tot en met 10.000 gespeende dieren  2   N      
    met plaatsen voor meer dan 10.000 gespeende dieren 1   N      
  c) in een agrarisch gebied:            
    met plaatsen voor meer dan 300 tot en met 10.000 gespeende dieren  2   N      
    met plaatsen voor meer dan 10.000 gespeende dieren  1   N      

Rubriek 9.8.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
9.8. Inrichtingen waarin pelsdieren worden gehouden, andere dan deze vermeld in rubriek 9.2.2°, a) en e) (vossen, marterachtigen, beverachtigen, chinchilla's en dergelijke):
met inbegrip van:
- de inrichtingen voor de bewerking of verwerking van dierlijke mest, afkomstig van de op die plaats geproduceerde dierlijke mest, zonder bijmenging van afval
- de inrichtingen voor de compostering van dierlijke mest, afkomstig van de op die plaats geproduceerde dierlijke mest, met groenafval, afkomstig van de eigen inrichting en van de gronden die bij de inrichting horen
           
  a) 20 tot en met 300 dieren 3          
  b) meer dan 300 tot en met 5.000 dieren  2   N      
  c) meer dan 5000 dieren   1   N      

Rubriek 9.9.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
9.9. honden:
inrichtingen waarin honden worden gehouden, inrichtingen voor het africhten van honden, hondenkennels en dergelijke:
           
  5 tot en met 10 volwassen dieren  3          
  meer dan 10 volwassen dieren  2   N      

Rubriek 10.
Dranken

rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
 10.

Dranken
[...]

           

Rubriek 10.1.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
 10.1. mouterijen, bierbrouwerijen, alsook inrichtingen voor het bereiden van spuitwaters, frisdranken, alcoholische dranken of likeuren, cider, vruchtenwijn, schuimwijn, enzovoort, alsook drankconditioneringsbedrijven en bottelarijen, met een geïnstalleerde totale drijfkracht van:            
  a) 5 kW tot en met 200 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied 3          
    b) 5 kW tot en met 100 kW, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een ander gebied dan industriegebied 3          
  a) meer dan 200 kW tot en met 1000 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied 2 A,T N      
    b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een ander gebied dan industriegebied 2 A,T N      
  a) meer dan 1000 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied 1   N E    
    b) meer dan 500 kW, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een ander gebied dan industriegebied  1    N E    

Rubriek 10.2.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
 10.2. spiritus- en gistfabrieken, met een geïnstalleerde totale drijfkracht van:            
  a) 5 kW tot en met 200 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied 3          
    b) 5 kW tot en met 100 kW, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een ander gebied dan industriegebied 3          
  a) meer dan 200 kW tot en met 1000 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied 2 A,T N      
    b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een ander gebied dan industriegebied 2 A,T N      
  a) meer dan 1 000 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied 1   N E    
    b) meer dan 500 kW, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een ander gebied dan industriegebied  1    N E    

Rubriek 10.3.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
 10.3.

De volgende bierbrouwerijen en mouterijen:

Er kan een overlapping zijn met rubriek 10.1 en 10.2.
           
  bierbrouwerijen met een productiecapaciteit van 75 miljoen liter per jaar of meer  1   N E    
  mouterijen met een productiecapaciteit van 60.000 ton per jaar of meer  1   N E    

Rubriek 11.
Drukkerijen en grafische industrie: (drukken op papier, weefsel, metaal, kunststoffen enzovoort, fotografische bewerkingen, boekbinden):

rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
11.

Drukkerijen en grafische industrie:
(drukken op papier, weefsel, metaal, kunststoffen enzovoort, fotografische bewerkingen, boekbinden):

[...]
           

Rubriek 11.1.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
11.1.

inrichtingen voor het drukken in de ruimste zin, inzonderheid hoogdruk, vlakdruk, diepdruk, flexodruk, zeefdruk, uitvlokken, fotokopie, microfilm, planafdruk, aanmaken van gedrukte schakelingen, elektronische druk, op papier, metaal, glas (behalve de versiering van hol glas), plastic, weefsel en alle andere metalen.

Met een geïnstalleerde totale drijfkracht van:

 

opmerking

Een individueel in een lokaal opgesteld toestel voor fotokopie, planafdruk of elektronische druk is niet ingedeeld, ook niet als de totale drijfkracht van alle dergelijk individueel opgestelde toestellen binnen een ingedeelde inrichting of een milieutechnische eenheid 5 kW of meer bedraagt.

           
  a) 5 kW tot en met 200 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied 3          
    b) 5 kW tot en met 100 kW, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een ander gebied dan industriegebied 3          
  a) meer dan 200 kW tot en met 1000 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied 2 T       A
    b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een ander gebied dan industriegebied 2 T       A
  a) meer dan 1000 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied 1   B     A
    b) meer dan 500 kW, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een ander gebied dan industriegebied 1   B     A
  [...]            

Rubriek 11.2.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
11.2.

zetten, voorbereidingen en afwerkingen van de grafische industrie zoals het grafisch ontwerpen, het zetten en opmaken, de fotoreprografie, de clicherie, het graveren van platen en stempels, het binden, het afwerken en de veredeling, met inbegrip van labo's voor foto-ontwikkeling:

met een geïnstalleerde totale drijfkracht van:
           
  a) 5 kW tot en met 200 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied  3          
    b) 5 kW tot en met 100 kW, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een ander gebied dan industriegebied 3          
  a) meer dan 200 kW tot en met 1000 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied  2 T N     A
    b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een ander gebied dan industriegebied 2 T N     A
  a) meer dan 1000 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied 1   N     A
    b) meer dan 500 kW, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een ander gebied dan industriegebied 1   N     A

Rubriek 11.3.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
11.3. reproductie en duplicering van audiovisuele communicatie met een geïnstalleerde totale drijfkracht van:            
  a) 5 kW tot en met 200 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied  3          
    b) 5 kW tot en met 100 kW, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een ander gebied dan industriegebied 3          
  a) meer dan 200 kW tot en met 1000 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied  2 T N      
    b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een ander gebied dan industriegebied 2 T N      
  a) meer dan 1000 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied 1   N      
    b) meer dan 500 kW, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een ander gebied dan industriegebied 1   N      

Rubriek 12.
Elektriciteit


Rubriek 12.1.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
12.1.

Elektriciteitsproductie

 

niet in rubriek 20.1.5 en 20.1.6 bedoelde inrichtingen voor elektriciteitsproductie, uitgezonderd de aspecten die betrekking hebben op de kernbrandstofcyclus:

 

uitzonderingen:

- elektriciteitsproductie op basis van zonne-energie is niet ingedeeld

- verplaatsbare elektriciteitsproductiegroepen tijdelijk ingezet voor de elektrische voeding van werktuigen, toestellen en installaties gebruikt bij de uitvoering van de eigenlijke bouw-, sloop- of wegeniswerken en verplaatsbare elektrische noodgroepen zijn niet ingedeeld in rubriek 12.1.

- de inrichtingen voor elektriciteitsproductie, vallend onder de toepassing van rubriek 15.5 en rubriek 19.8, zijn niet ingedeeld in rubriek 12.1.

 

opmerking:

Voor noodstroomgroepen met minder dan 500 bedrijfsuren per kalenderjaar, moet het elektrisch (schijnbaar) vermogen maar voor 50% in rekening worden gebracht voor het bepalen van het totaal elektrisch (schijnbaar) vermogen.

           
12.1.1 inrichtingen die wisselspanning opwekken, met een geïnstalleerd totaal elektrisch schijnbaar vermogen van:            
  a) 150 kVA tot en met 800 kVA als de inrichting volledig gelegen is in een industriegebied 3         O
    b)

150 kVA tot en met 200 kVA als de inrichting volledig of gedeeltelijk in een ander gebied dan een industriegebied ligt

3         O
  a) meer dan 800 kVA tot en met 10.000 kVA als de inrichting volledig gelegen is in een industriegebied 2 T       A
    b) Meer dan 200 kVA tot en met 10.000 kVA als de inrichting volledig of gedeeltelijk in een ander gebied dan een industriegebied ligt  2 T       A
  meer dan 10.000 kVA 1 M,T A P   B
12.1.2

inrichtingen die gelijkspanning opwekken, met een geïnstalleerd totaal elektrisch [...] vermogen van:

           
  a) 150 kW tot en met 800 kW als de inrichting volledig gelegen is in een industriegebied  3         O
    b)

150 kW tot en met 200 kW als de inrichting volledig of gedeeltelijk in een ander gebied dan een industriegebied ligt

3         O
  a) meer dan 800 kW tot en met 10.000 kW als de inrichting volledig gelegen is in een industriegebied  2 T       A
    b) Meer dan 200 kW tot en met 10.000 kW als de inrichting volledig of gedeeltelijk in een ander gebied dan een industriegebied ligt  2 T       A
  meer dan 10.000 kW  1 M,T A P   B

 


Rubriek 12.2.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
12.2.

Transformatoren (gebruik van) met een individueel nominaal vermogen van:

 

Uitzonderingen: Verplaatsbare transformatoren opgesteld op een bouwplaats voor de uitvoering van eigenlijke bouw, sloop- of wegenwerken zijn niet ingedeeld in rubriek 12.2.

De transformatoren, vallend onder de toepassing van rubriek 15.5 en rubriek 19.8, zijn niet ingedeeld in rubriek 12.2.

           
  100 kVA tot en met 1.000 kVA 3          
  meer dan 1.000 kVA  2  T        

Rubriek 12.3.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
12.3.

accumulatoren (gebruik van):

De accumulatoren die vallen onder de toepassing van rubriek 15.5 en rubriek 19.8, zijn niet ingedeeld in deze rubriek 12.3.

           
  vast opgestelde batterijen waarvan het product van de capaciteit, uitgedrukt in Ah, met de klemspanning, uitgedrukt in V, meer bedraagt dan 10.000 3          
  vaste inrichtingen voor het laden van accumulatoren door middel van toestellen met een geïnstalleerd totaal vermogen van meer dan 10 kW 3          

Rubriek 12.4.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
12.4.

inrichtingen voor het vervaardigen van elektrische en elektronische toestellen, gedrukte schakelingen, chips, zonnecellen en geleiders met een geïnstalleerde totale drijfkracht van:

[...]
           
  a) 5 kW tot en met 200 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied 3          
    b) 5 kW tot en met 100 kW, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een ander gebied dan industriegebied 3          
  a) meer dan 200 kW tot en met 1000 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied  2 A       A
    b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een ander gebied dan industriegebied 2 A       A
  a) meer dan 1000 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied 1   B E   A
    b) meer dan 500 kW, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een ander gebied dan industriegebied  1   B E   A

Rubriek 13.
Farmaceutische stoffen


Rubriek 13.1.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
 13.1. inrichtingen voor het industrieel bereiden of het formuleren van farmaceutische stoffen  1 M A P   A

Rubriek 13.2.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
13.2.

inrichtingen voor het conditioneren en het verpakken van farmaceutische stoffen met een geïnstalleerde totale drijfkracht van:

[...]
           
  a) 5 kW tot en met 200 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied 3          
    b) 5 kW tot en met 100 kW, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een ander gebied dan industriegebied 3          
  a) meer dan 200 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied 2 A        
    b) meer dan 100 kW, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een ander gebied dan industriegebied 2 A        

Rubriek 13.3.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
 13.3. opslagplaatsen voor farmaceutische stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, met een capaciteit van meer dan 10 ton  2 T        

Rubriek 14.
Fotografische producten (lichtgevoelige films, platen papier enzovoort)

rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
 14.

Fotografische producten (lichtgevoelige films, platen papier enzovoort)

[...]

inrichtingen voor het vervaardigen van fotografische producten met een geïnstalleerde totale drijfkracht van:

           
  a) 5 kW tot en met 200 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied   3         O
    b) 5 kW tot en met 100 kW, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een ander gebied dan industriegebied  3         O
  a) meer dan 200 kW tot en met 1000 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied 2 A       A
    b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een ander gebied dan industriegebied 2 A       A
  a) meer dan 1000 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied 1   B     B
    b) meer dan 500 kW, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een ander gebied dan industriegebied  1   B     B

Rubriek 15.
Garages, parkeerplaatsen en herstellingswerkplaatsen voor motorvoertuigen

rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
15.

Garages, parkeerplaatsen en herstellingswerkplaatsen voor motorvoertuigen

[...]
           

Rubriek 15.1.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
15.1. Al dan niet overdekte andere ruimte dan de ruimte, vermeld in rubriek 15.5 en 19.8, waarin de volgende voertuigen gestald worden:            
  3 tot en met 25 autovoertuigen of aanhangwagens, die geen personenwagens zijn 3          
  meer dan 25 autovoertuigen of aanhangwagens, die geen personenwagens zijn 2          

Rubriek 15.2.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
15.2. andere werkplaatsen voor het nazicht, het herstellen en het onderhouden van motorvoertuigen (met inbegrip van carrosseriewerkzaamheden) dan de werkplaatsen, vermeld in rubriek 15.3 en 15.5 3         A

Rubriek 15.3.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
15.3. andere werkplaatsen voor het nazicht, het herstellen en het onderhouden van motorvoertuigen (met inbegrip van carrosseriewerkzaamheden) dan de werkplaatsen, vermeld in rubriek 15.5, met gebruik van meer dan:            
  10 schouwputten of hefbruggen, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied 2         A
  4 schouwputten of hefbruggen, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een ander gebied dan het industriegebied, vermeld in 1°  2         A

Rubriek 15.4.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
15.4. andere niet-huishoudelijke inrichtingen voor het wassen van voertuigen en hun aanhangwagens dan de inrichtingen, vermeld in rubriek 15.5:            
  volledig gelegen in een industriegebied 3          
  volledig of gedeeltelijk gelegen in een ander gebied dan het industriegebied, vermeld in 1°, waarin:            
    a) minder dan 10 voertuigen en hun aanhangwagens per dag worden gewassen 3          
    b) 10 en meer voertuigen en hun aanhangwagens per dag worden gewassen  2          

Rubriek 15.5.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
15.5.

Standaardgarages en -carrosseriebedrijven

Voor de toepassing van deze rubriek worden als “gevaarlijke producten” beschouwd de stoffen en de mengsels, vermeld in de CLP-verordening.

Onder de toepassing van onderdeel i, j, k, m, n, p en v, van rubriek 15.5, 2°, vallen de gevaarlijke producten die gekenmerkt worden door minstens één gevarenpictogram als etiketteringselement volgens de CLP-verordening. Onder “gekenmerkt zijn als een gevaarlijk product door minstens één gevarenpictogram” wordt verstaan:

3         A
  a) het voorkomen van een of meer van de gevarenpictogrammen GHS01 tot en met GHS09, als etiketteringselement op het etiket              
  b)

het voorkomen van een of meer van de gevarenpictogrammen GHS01 tot en met GHS09, als etiketteringselement in hoofdstuk 2 van het veiligheidsinformatieblad.

           
 

Voor een gevaarlijke vloeistof of vaste stof die op basis van etikettering gekenmerkt wordt door verschillende gevarenpictogrammen, moet met ieder gevarenpictogram rekening gehouden worden. Voor vloeibare brandstoffen moet evenwel uitsluitend met het gevarenpictogram GHS02 rekening gehouden worden, bijvoorbeeld voor gasolie, diesel en lichte stookolie is uitsluitend onderdeel k), 1), van rubriek 15.5, 2°, van toepassing.

Binnen het onderdeel j van rubriek 15.5, 2°, wordt de opslagcapaciteit voor een gevaarlijk product slechts eenmaal in rekening gebracht ongeacht of het product binnen het onderdeel in kwestie gekenmerkt wordt door verschillende gevarenpictogrammen.

Garages of carrosseriebedrijven die:

           
 

ten minste een of meer van de volgende onderdelen omvatten:

           
    a)

werkplaatsen voor het nazicht, het herstellen en het onderhouden van motorvoertuigen (al of niet met inbegrip van carrosseriewerkzaamheden), met gebruik van maximaal 4 schouwputten of hefbruggen als ze volledig of gedeeltelijk gelegen zijn in een ander gebied dan industriegebied, respectievelijk maximaal 10 schouwputten of hefbruggen als ze volledig gelegen zijn in industriegebied

           
    b)

installaties voor het mechanisch, pneumatisch of elektrostatisch aanbrengen van bedekkingsmiddelen waarmee alleen producten voor het overspuiten van voertuigen worden aangebracht met een maximaal gehalte aan vluchtige organische stoffen, zoals conform de EG-richtlijn 2004/42/EG, bepaald in bijlage 2B van het koninklijk besluit van 7 oktober 2005 inzake de reductie van het gehalte aan vluchtige organische stoffen in bepaalde verven en vernissen en in producten voor het overspuiten van voertuigen (zie B van voetnota onder rubriek 4.3, b)), met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 5 kW tot en met 25 kW als ze volledig of gedeeltelijk gelegen zijn in ander gebied dan industriegebied, respectievelijk van 5 kW tot en met 60 kW als ze volledig gelegen zijn in industriegebied

           
 

en verder, naast de niet-ingedeelde aanhorigheden, uitsluitend bijkomend een of meer van de volgende onderdelen omvatten:

           
    a)

afvalwater:
Voor de toepassing van deze subrubriek wordt onder “het gemeentelijk zoneringsplan” verstaan, het zoneringsplan, vermeld in artikel 1, 6°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2006 houdende de vaststelling van de regels voor de scheiding tussen de gemeentelijke en bovengemeentelijke saneringsverplichting en de vaststelling van de zoneringsplannen;

           
     

1)

het, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, lozen van ander huishoudelijk afvalwater dan huishoudelijk afvalwater dat afkomstig is van woongelegenheden, met een debiet van meer dan 600 m3/jaar:

als het lozingspunt is gelegen in een gemeente waarvoor het gemeentelijke zoneringsplan definitief is vastgesteld en het lozingspunt is gelegen in een centraal gebied of een collectief geoptimaliseerd en individueel te optimaliseren buitengebied of buiten het zoneringsplan

           
     

2)

het, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, lozen van bedrijfsafvalwater dat geen van de gevaarlijke stoffen, vermeld in bijlage 2C van dit besluit, bevat in concentraties, hoger dan de indelingscriteria, vermeld in de kolom “indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen)” van artikel 3 van bijlage 2.3.1 van dit besluit, met een debiet tot en met 2 m3/h.

Als het indelingscriterium GS voor een lozingsparameter lager ligt dan de rapportagegrens, vermeld in artikel 4 van bijlage 4.2.5.2 van dit besluit, wordt voor deze parameter de rapportagegrens gehanteerd.

           
     

3)

afvalwaterzuiveringsinstallaties, met inbegrip van het lozen van het effluentwater en het ontwateren van de bijbehorende slibproductie voor de behandeling van:

           
     

 

i) ander huishoudelijk afvalwater dan huishoudelijk afvalwater dat afkomstig is van woongelegenheden, met een debiet van meer dan 600 m³/jaar            
        ii) bedrijfsafvalwater dat geen van de gevaarlijke stoffen, vermeld in bijlage 2C van dit besluit, bevat in concentraties, hoger dan de indelingscriteria, vermeld in de kolom “indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen)” van artikel 3 van bijlage 2.3.1 van dit besluit met een effluent tot en met 5 m³/uur            
       

Als het indelingscriterium GS voor een lozingsparameter lager ligt dan de rapportagegrens, vermeld in artikel 4 van bijlage 4.2.5.2 van dit besluit, wordt voor deze parameter de rapportagegrens gehanteerd.

           
    b)

elektrische noodgroep met een geïnstalleerd totaal elektrisch vermogen van maximaal 1000 kW, aangedreven door gas- of dieselmotor met een totaal nominaal vermogen van 100 kW tot en met 300 kW als die volledig gelegen is in industriegebied

           
    c)

elektrische transformatoren met een individueel nominaal vermogen van 100 kVA tot en met 1000 kVA

           
    d)

vaste inrichtingen voor het laden van elektrische accumulatoren door middel van toestellen met een geïnstalleerd totaal vermogen van meer dan 10 kW

           
    e)

al dan niet overdekte ruimten waarin 3 tot en met 25 autovoertuigen of aanhangwagens worden gestald die geen personenwagens zijn

           
    f)

niet-huishoudelijke inrichtingen voor het wassen van voertuigen en hun aanhangwagens, beperkt tot minder dan 10 voertuigen of aanhangwagens per dag als ze volledig of gedeeltelijk gelegen zijn in ander gebied dan industriegebied, respectievelijk zonder beperking als ze volledig gelegen zijn in industriegebied

           
    g)

al dan niet overdekte ruimte waarin:

           
     

uitzonderingen:

           
      1)

De opslag van voertuigwrakken of afgedankte voertuigen op de plaats van productie is niet ingedeeld in deze rubriek 15.5.2°, g), als de opslag gebeurt in functie van een regelmatige afvoer.

           
      2)

De opslag van voertuigwrakken of afgedankte voertuigen, ontstaan uit de aanvaardingsplicht, terugnameplicht of de vrijwillige terugname, is niet ingedeeld in deze rubriek 15.5.2°, g), als de opslag gebeurt bij de eindverkoper, tussenhandelaar, producent of invoerder van de stoffen en als de opslag gebeurt in functie van een regelmatige afvoer.

           
       

maximaal 25 ton of 25 voertuigwrakken of afgedankte voertuigen die noch vloeistoffen, noch andere gevaarlijke onderdelen bevatten, gestald worden (deze afgedankte voertuigen zijn alleen afkomstig van erkende centra)

           
       

maximaal 5 ton of 5 voertuigwrakken of afgedankte voertuigen die nog wel vloeistoffen of andere gevaarlijke onderdelen bevatten, gestald worden

           
       

maximaal 25 geaccidenteerde voertuigen gestald worden

           
    h)

luchtcompressoren en airconditioningsinstallaties met een koelmiddelinhoud < 30 kg met een totale geïnstalleerde drijfkracht van 5 kW tot en met 200 kW

           
    i) opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in vaste reservoirs met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen tot en met 3000 liter            
    j) opslagplaatsen voor oxiderende, bijtende, en schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen, op basis van etikettering gekenmerkt door respectievelijk het gevarenpictogram GHS03 (), GHS05 (), of GHS07 (), met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 tot en met 2000 kg als ze volledig of gedeeltelijk gelegen zijn in ander gebied dan industriegebied, respectievelijk 200 tot en met 20.000 kg als ze volledig gelegen zijn in industriegebied            
    k)

opslagplaatsen voor brandgevaarlijke vloeistoffen, op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS02 ()

           
      1)

voor gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige brandstoffen met een vlampunt ≥ 55 °C die behoren tot de ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3, met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton

           
      2)

voor de overige andere ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 dan vermeld in punt 1, met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 10 ton

           
      3)

voor ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 1 en 2, met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 50 kg tot en met 2 ton in verplaatsbare recipiënten

           
    l) opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totaal inhoudsvermogen van 200 liter tot en met 50.000 liter            
    m)

opslagplaatsen voor voor het aquatisch milieu gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS09 () met een opslagcapaciteit van meer dan 100 kg tot en met 2000 kg

           
    n)

opslagplaatsen voor op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS08 () met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 2000 kg als ze volledig of gedeeltelijk gelegen zijn in ander gebied dan industriegebied, respectievelijk van 100 kg tot en met 20.000 kg als ze volledig gelegen zijn in industriegebied

           
    o)

brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen, namelijk installaties voor het vullen van brandstoftanks van motorvoertuigen met vloeistoffen, zoals vermeld in punt k, 1, bestemd voor de voeding van de erop geïnstalleerde motor(en), met maximaal 1 verdeelslang

           
    p)

opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen in verpakkingen van maximaal 30 liter of 30 kg als de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 liter en 5000 kg of 5000 liter

           
    q)

[…]

           
    r)

installaties voor het mechanisch behandelen van metalen met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 5 kW tot en met 100 kW als ze volledig of gedeeltelijk gelegen zijn in ander gebied dan industriegebied, respectievelijk van 5 kW tot en met 200 kW als ze volledig gelegen zijn in industriegebied

           
    s)

installaties voor het ontvetten van metalen of voorwerpen uit metaal […] met een totaal inhoudsvermogen van de baden en spoelbaden of van de opvangrecipiënten voor de opvang van de gebuikte chemicaliën als niet gebruikgemaakt wordt van behandelingsbaden en spoelbaden] van 10 liter tot en met 300 liter als ze volledig of gedeeltelijk gelegen zijn in ander gebied dan industriegebied, respectievelijk van 10 liter tot en met 1000 liter als ze volledig gelegen zijn in industriegebied

           
    t)

vast opgestelde motoren met een totaal nominaal vermogen van 10 kW tot en met 300 kW als de inrichting volledig gelegen is in een industriegebied, respectievelijk van 10 kW tot en met 100 kW als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een ander gebied dan industriegebied

Voor de vast opgestelde motoren met minder dan 360 bedrijfsuren per kalenderjaar die noodgeneratoren aandrijven, moet het nominaal vermogen maar voor 5O% in rekening worden gebracht voor het bepalen van het totaal nominaal vermogen.

           
    u)

stookinstallaties zonder elektriciteitsproductie, met een totaal warmtevermogen van:

           
       1) 300 kW tot en met 2000 kW als de inrichting:              
        i)

volledig gelegen is in een industriegebied

           
        ii)

gestookt wordt met vloeibare brandstoffen, aardgas of vloeibaar gemaakt gas

           
      2)

300 kW tot en met 500 kW in andere gevallen dan de gevallen, vermeld in 1)

           
    v)

opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten, met uitzondering van de recipiënten, vermeld in rubriek 48, met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van 300 l tot en met 1000 l

           
    w) vast opgestelde batterijen waarvan het product van het vermogen, uitgedrukt in Ah, met de klemspanning, uitgedrukt in V, meer bedraagt dan 10.000            

Rubriek 15.6.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
15.6.

Het al dan niet overdekt stallen van geaccidenteerde voertuigen van:

uitzondering:
Het al dan niet overdekt stallen van geaccidenteerde voertuigen vallend onder toepassing van rubriek 15.5 is niet ingedeeld in deze rubriek 15.6
.

Voor de toepassing van deze rubriek wordt onder “geaccidenteerde voertuigen” verstaan, motorvoertuigen, inclusief voertuigwrakken of afgedankte voertuigen ontstaan op de plaats van productie en/of ontstaan uit de aanvaardingsplicht, terugnameplicht of de vrijwillige terugname, die ten gevolge van een ongeval ernstige schade vertonen waardoor een risico bestaat dat vloeistoffen lekken en waarvan de opslag niet is ingedeeld in rubriek 2.2.2.d) of 15.5.2° g 1) of 2).
           
  maximaal 25 geaccidenteerde voertuigen 3         A
  meer dan 25 geaccidenteerde voertuigen 2         B

Rubriek 16.
Behandelen van gassen


Rubriek 16.1.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
16.1. De productie (met inbegrip van de gasraffinage) of omzetting van gassen, cokesgas uitgezonderd:            
  a) Gasraffinaderijen  1 X A   R  
  b) overige, met een productiecapaciteit van:            
    1 Nm3/h tot en met 10 Nm3/h 3          
    meer dan 10 Nm3/h tot en met 100 Nm3/h 2          
    meer dan 100 Nm3/h 1    A     B

 


Rubriek 16.2.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
16.2.

inrichtingen voor het niet-huishoudelijk scheiden, langs fysische weg, van gassen, cokesgas uitgezonderd

 

uitzondering: membraanstikstofgeneratoren en membraanfilters voor het vullen van banden en voor laboratoriumtoepassingen

1   A P    

Rubriek 16.3.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
16.3.

inrichtingen voor het fysisch behandelen van gassen (samenpersen - ontspannen):

[...]
           
  1.

koelinstallaties voor het bewaren van producten, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties, met een totale geïnstalleerde drijfkracht van:

uitzonderingen:
- luchtcompressoren, tijdelijk ingezet bij wegen-, bouw- en sloopactiviteiten, zijn niet ingedeeld
- de installaties die vallen onder de toepassing van rubriek 15.5 en rubriek 19.8, zijn niet ingedeeld in deze rubriek 16.3.
 
           
    5 kW tot en met 200 kW 3          
    meer dan 200 kW 2 T        
  2. andere inrichtingen dan de inrichtingen die ingedeeld zijn onder 16.3.1 en 16.9, c, met een geïnstalleerde totale drijfkracht van:            
    a) 5 kW tot en met 200 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied 3          
      b) 5 kW tot en met 100 kW, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een ander gebied dan industriegebied 3          
    a) meer dan 200 kW tot en met 1000 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied 2 A,T        
      b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een ander gebied dan industriegebied 2 A,T        
    a) meer dan 1000 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied 1 T B      
      b) meer dan 500 kW, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een ander gebied dan industriegebied 1 T B      
  3. pompstations die horen bij pijpleidingen voor het vervoer van koolstofdioxidestromen voor geologische opslag    1  N,Yk        

Rubriek 16.4.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
16.4. inrichtingen voor het niet-huishoudelijk vullen van verplaatsbare recipiënten en voor de bevoorrading van motorvoertuigen, met uitzondering van de inrichtingen, vermeld in rubriek 16.9, met:            
  gevaarlijke gassen, op basis van de etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS02 () of GHS06 () 1   B      
  andere gassen dan de gevaarlijke gassen, vermeld in punt 1°  2          
 

Opmerking

Onder “gekenmerkt zijn door een gevarenpictogram” wordt verstaan:

           
  a) het voorkomen van een of meer van de gevarenpictogrammen GHS01 tot en met GHS09, als etiketteringselement op het etiket             
  b) het voorkomen van een of meer van de gevarenpictogrammen GHS01 tot en met GHS09, als etiketteringselement in hoofdstuk 2 van het veiligheidsinformatieblad.            

Rubriek 16.5.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
16.5. ontspanningsstations voor gassen, met een maximumdebiet van meer dan 20.000 Nm3/h 1   B      

Rubriek 16.6.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
16.6. gasautoklaven met een inhoudsvermogen van:            
  25 tot en met 500 l 2   N      
  meer dan 500 l 1   N      

Rubriek 16.7.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
16.7. [...]            

Rubriek 16.8.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
16.8. [...]            

 


Rubriek 16.9.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
16.9. aardgas:            
  a) inrichting voor de bovengrondse opslag of overslag van aardgas met een opslagcapaciteit:            
    tot en met 1000 m³ 3          
    van meer dan 1000 m³ tot en met 10.000 m³ 2 A        
    van meer dan 10.000 m³ 1   A E    
  b) ondergronds aangelegde opslagplaatsen van aardgas 1 E,N A E    
  c) niet voor publiek toegankelijke aardgasaflevereenheden ("homecompressors") met een totale capaciteit tot en met 20 Nm³/uur aanzuigzijdig debiet 3          
  d) niet voor publiek toegankelijke aardgasafleverinstallaties met een totale capaciteit tot en met 20 Nm³/uur aanzuigzijdig debiet en een maximale aardgasopslag met een waterinhoud tot en met 3000 l 2 A        
  e) andere inrichtingen voor de bevoorrading van motorvoertuigen met aardgas dan de inrichtingen, vermeld in rubriek 16.9, c), en 16.9, d) 1   B      
  f) commerciële winning van aardgas als de gewonnen hoeveelheid meer dan 500.000 Nm³ aardgas per dag bedraagt 1 E,N A E    
  g) winning van andere koolwaterstoffen dan de gasvormige koolwaterstoffen, vermeld in rubriek 16.9, f), zoals gedefinieerd in artikel 2, 2°, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond  1 E,N A E    

Rubriek 16.10.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
16.10. ondergrondse opslag van gasvormige brandstoffen met een opslagcapaciteit :            
  Tot en met 1000 m3 3          
  van meer dan 1000 m3 tot en met 10.000 m3  2 A        
  van meer dan 10.000 m3  1   A E    

Rubriek 16.11.
rubriek
omschrijving
 
klasse opmer-
kingen
coör-
dinator
audit jaar-
verslag
VLAREBO
16.11.

ondergrondse opslag van koolstofdioxide:

opslaglocaties als vermeld in het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond
1 N,W,Yk