Art. 14.

§ 1.

Het Vlaamse Gewest wordt onderverdeeld in vier gebiedstypes in functie van de gegevens aangaande de waterkwaliteit. Voor de indeling in gebiedstypes worden de afstroomzones van de Vlaamse waterlichamen gebruikt als geografische eenheid. Elke afstroomzone wordt ingedeeld in één van de vier gebiedstypes, op basis van de criteria, vermeld in paragraaf 1 en 2.

 

Voor oppervlaktewater worden, op basis van de metingen in het MAP-meetnet oppervlaktewater in landbouwgebied, uitgebaat door de Vlaamse Milieumaatschappij, van de winterjaren 2015-2016, 2016-2017 en 2017-2018 alle afstroomzones ingedeeld in één van de vier onderstaande categorieën, met name:

categorie 0: afstroomzones waar de gemiddelde nitraatconcentratie in oppervlaktewater lager is of gelijk is aan 18 mg nitraat per liter;
categorie 1: afstroomzones waar de gemiddelde nitraatconcentratie in oppervlaktewater hoger is dan 18 mg nitraat per liter en lager is of gelijk is aan 25 mg nitraat per liter;
categorie 2: afstroomzones waar de gemiddelde nitraatconcentratie in oppervlaktewater hoger is dan 25 mg nitraat per liter en lager is of gelijk is aan 30 mg nitraat per liter;
categorie 3: afstroomzones waar de gemiddelde nitraatconcentratie in oppervlaktewater hoger is dan 30 mg nitraat per liter.

 

Voor grondwater worden alle afstroomzones ingedeeld in één van de vier onderstaande klassen. Voor de indeling van de afstroomzones op basis van de kwaliteit van het grondwater wordt rekening gehouden met de halfjaarlijkse nitraatmeet-resultaten op het niveau van de eerste filter van de putten van het freatisch grondwatermeetnet in landbouwgebied, uitgebaat door de Vlaamse Milieumaatschappij. Op basis van de toestand van het grondwater zoals bepaald op basis van de metingen van de kalenderjaren 2015, 2016 en 2017 en van de trendbeoordeling van de kwaliteit van het grondwater zoals beoordeeld op basis van de data van de 8 recentste meetcampagnes, zijnde de meetcampagnes in de kalenderjaren 2014, 2015, 2016 en 2017, worden alle afstroomzones ingedeeld in één van de vier onderstaande klassen, met name:

klasse 0: afstroomzones waar de gemiddelde nitraatconcentratie in grondwater:
  a) hetzij lager is of gelijk is aan 40 mg nitraat per liter;
  b) hetzij hoger is dan 40 mg nitraat per liter en lager is of gelijk is aan 50 mg nitraat per liter en waar de trendbeoordeling niet wijst op een stijgende trend;
klasse 1: afstroomzones waar de gemiddelde nitraatconcentratie in grondwater:
  a) hetzij hoger is dan 40 mg nitraat per liter en lager is of gelijk is aan 50 mg nitraat per liter en waar de trendbeoordeling wijst op een stijgende trend;
  b) hetzij hoger is dan 50 mg nitraat per liter en waar de trendbeoordeling niet wijst op een beduidend stijgende trend;
klasse 2: afstroomzones waar de gemiddelde nitraatconcentratie in grondwater hoger is dan 50 mg nitraat per liter en lager is of gelijk is aan 60 mg nitraat per liter en waar de trendbeoordeling wijst op een beduidend stijgende trend;
klasse 3: afstroomzones waar de gemiddelde nitraatconcentratie in grondwater hoger is dan 60 mg nitraat per liter en waar de trendbeoordeling wijst op een beduidend stijgende trend.

 

Op basis van de indeling in categorieën als vermeld in het tweede lid en de indeling in klassen als vermeld in het derde lid worden alle afstroomzones ingedeeld in één van de vier onderstaande gebiedstypes, met name:

gebiedstype 0: afstroomzones die voor oppervlaktewater ingedeeld zijn in categorie 0 en voor grondwater ingedeeld zijn in klasse 0, met uitzondering van de afstroomzones waar de 90ste percentielwaarde van alle MAP-meetpunten oppervlaktewater in de betrokken afstroomzone in de drie betrokken winterjaren hoger is dan 44,3 mg nitraat per liter;
gebiedstype 1:
  a) afstroomzones die voor oppervlaktewater ingedeeld zijn in categorie 1 en voor grondwater ingedeeld zijn in klasse 0;
  b) afstroomzones die voor oppervlaktewater ingedeeld zijn in categorie 0 en voor grondwater ingedeeld zijn in klasse 1;
  c) afstroomzones die voor grondwater ingedeeld zijn in klasse 0 en voor oppervlaktewater ingedeeld zijn in categorie 0 en waar de 90ste percentielwaarde van alle MAP-meetpunten oppervlaktewater in de betrokken afstroomzone in de drie betrokken winterjaren hoger is dan 44,3 mg nitraat per liter;
gebiedstype 2:
  a) afstroomzones die voor oppervlaktewater ingedeeld zijn in categorie 2 en voor grondwater ingedeeld zijn in klasse 0;
  b) afstroomzones die voor oppervlaktewater ingedeeld zijn in categorie 1 en voor grondwater ingedeeld zijn in klasse 1;
  c) afstroomzones die voor grondwater ingedeeld zijn in klasse 2 en voor oppervlaktewater niet ingedeeld zijn in categorie 3;
gebiedstype 3:
  a) afstroomzones die voor oppervlaktewater ingedeeld zijn in categorie 2 en voor grondwater niet ingedeeld zijn in klasse 0;
  b) afstroomzones die voor oppervlaktewater ingedeeld zijn in categorie 3;
  c) afstroomzones die voor grondwater ingedeeld zijn klasse 3.

 

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:

een stijgende trend voor grondwater: een stijging van de gemiddelde nitraatconcentratie in grondwater met meer dan 3 mg nitraat per liter over een periode van vier jaar bepaald op basis van de metingen van de kalenderjaren 2014, 2015, 2016 en 2017;
een beduidend stijgende trend voor grondwater: de determinatiecoëfficiënt van de lineaire regressie, bepaald op basis van de metingen van de kalenderjaren 2014, 2015, 2016 en 2017 is hoger dan 0,5.

 

Voor de indeling van de afstroomzones in gebiedstypes, vanaf het jaar 2019, geldt de indeling als vermeld in de lijst die als bijlage 4 bij dit decreet is gevoegd.

 

§ 2.

De indeling in categorieën als vermeld in paragraaf 1, tweede lid, in klassen als vermeld in paragraaf 1, derde lid, en in gebiedstypes als vermeld in paragraaf 1, vierde lid, wordt tweejaarlijks geëvalueerd, overeenkomstig de volgende criteria:

voor wat betreft oppervlaktewater, op basis van de criteria, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, met dien verstande dat:
  a) de metingen op basis waarvan de beoordeling en indeling in categorieën zal gebeuren, met inbegrip van de beoordeling, vermeld in punt b), de metingen van de op dat moment twee recentste winterjaren zullen zijn;
  b) een afstroomzone waar de gemiddelde nitraatconcentratie in oppervlaktewater hoger is dan 14 mg nitraat per liter en lager is of gelijk is aan 18 mg nitraat per liter en waar de gemiddelde nitraatconcentratie in oppervlaktewater op basis van de metingen van de twee meest recente winterjaren over de volledige periode van twee jaar met meer dan 2 mg nitraat per liter gestegen is, voor oppervlaktewater ingedeeld wordt in categorie 1;
voor wat betreft grondwater, op basis van de criteria, vermeld in paragraaf 1, derde lid, met dien verstande dat de metingen op basis waarvan de beoordeling en indeling in klassen zal gebeuren, zijn, voor het bepalen van de gemiddelde nitraatconcentratie, de metingen van de op dat moment twee recentste kalenderjaren, en voor de trendbeoordeling de metingen van de op dat moment vier recentste kalenderjaren.

 

De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen en maakt, naar aanleiding van een tweejaarlijkse evaluatie als vermeld in het eerste lid een nieuwe indeling van de afstroomzones in gebiedstypes, die zal gelden in afwijking van de indeling als vermeld in de lijst die als bijlage 4 bij dit decreet is gevoegd.

 

§ 3.

De landbouwer zorgt op al zijn tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond die niet gelegen zijn in gebiedstype 0, die geen zware kleigrond zijn, en waarvan de hoofdteelt uiterlijk op 31 augustus werd geoogst, dat er steeds uiterlijk op 15 september een vanggewas ingezaaid wordt behalve op de percelen waar een nateelt wordt ingezaaid.

 

Het vanggewas, vermeld in het eerste lid, wordt minstens tot de volgende data aangehouden:

op de zware kleigronden: minstens aanhouden tot en met 15 oktober;
op percelen gelegen in de landbouwstreek ‘de Leemstreek’, die geen zware kleigronden zijn: minstens aanhouden tot en met 30 november;
op percelen, andere dan punten 1° en 2°: minstens aanhouden tot en met 31 januari van het volgende jaar.

 

§ 4.

In gebiedstype 2 en gebiedstype 3 gelden de volgende maatregelen:

bemesting is enkel toegestaan op percelen waar de landbouwer tot wiens bedrijf het perceel landbouwgrond in kwestie behoort, ook de hoofdteelt verbouwt op het perceel in kwestie;
de toegelaten bemesting, uitgedrukt in kg werkzame N, die mag opgebracht worden met toepassing van dit decreet en de van toepassing zijnde beheerovereenkomsten, wordt:
  a) in 2019 op de percelen, gelegen in gebiedstype 3, met 5% verminderd;
  b) in 2020 op de percelen, gelegen in gebiedstype 2, met 5% verminderd;
  c) in 2020 op de percelen, gelegen in gebiedstype 3, met 10% verminderd;
  d) in 2021 op de percelen, gelegen in gebiedstype 2, met 5% verminderd;
  e) in 2021 op de percelen, gelegen in gebiedstype 3, met 15% verminderd;
  f) vanaf 2022 op de percelen, gelegen in gebiedstype 2, met 10% verminderd;
  g) vanaf 2022 op de percelen, gelegen in gebiedstype 3, met 20% verminderd;
het percentage van het areaal waarop een vanggewas of laag-risico nateelt geteeld wordt is:
  a) in 2019, voor de afstroomzones gelegen in gebiedstype 2, minimaal gelijk aan het referentiepercentage van de betrokken landbouwer;
  b) in 2019, voor de afstroomzones gelegen in gebiedstype 3, minimaal het referentiepercentage van de betrokken landbouwer verhoogd met 5 %;
  c) in 2020, voor de afstroomzones gelegen in gebiedstype 2, minimaal het referentiepercentage van de betrokken landbouwer verhoogd met 5%;
  d) in 2020, voor de afstroomzones gelegen in gebiedstype 3, minimaal het referentiepercentage van de betrokken landbouwer verhoogd met 10%;
  e) in 2021, voor de afstroomzones gelegen in gebiedstype 2, minimaal het referentiepercentage van de betrokken landbouwer verhoogd met 5%;
  f) in 2021, voor de afstroomzones gelegen in gebiedstype 3, minimaal het referentiepercentage van de betrokken landbouwer verhoogd met 15%;
  g) vanaf 2022, voor de afstroomzones gelegen in gebiedstype 2, minimaal het referentiepercentage van de betrokken landbouwer, verhoogd met 10%;
  h) vanaf 2022, voor de afstroomzones gelegen in gebiedstype 3, minimaal het referentiepercentage van de betrokken landbouwer verhoogd met 20%;
vanaf 1 augustus van een bepaald kalenderjaar gebeurt elk vervoer van vloeibare dierlijke mest naar een perceel gelegen in gebiedstype 2 of gebiedstype 3 waarop een teelt wordt verbouwd die geen blijvende teelt en geen graslandcis, overeenkomstig artikel 48.

 

Het referentiepercentage van de betrokken landbouwer als vermeld in het eerste lid, 3°, wordt bepaald op basis van de gegevens uit de verzamelaanvraag, zoals gekend op 1 januari 2019, voor de kalenderjaren 2016, 2017 en 2018.

 

Voor het kalenderjaar 2016, het kalenderjaar 2017 en het kalenderjaar 2018 wordt voor elke landbouwer een referentieareaal, uitgedrukt in percent, als volgt berekend:

eerst wordt, voor elk van de betrokken kalenderjaren, de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, uitgedrukt in hectare, bepaald, die voldoet aan al de volgende voorwaarden:
  a) het betreft landbouwgrond gelegen in gebiedstype 2 of 3, overeenkomstig de indeling als vermeld in bijlage 4;
  b) het betreft geen landbouwgrond waarop de teelt gebeurt onder overkapping, op groeimedium of in containers;
  c) de hoofdteelt die op de betreffende landbouwgrond verbouwd wordt is geen blijvende teelt, geen meerjarige teelt of geen blijvend grasland;
  d) het betreft geen begraasde niet-landbouwgrond met overeenkomst, geen volkstuinpark, geen onverharde landingsbaan, geen veiligheidszone of geen vliegveld;
vervolgens wordt van het aantal hectare als vermeld in punt 1° het aantal hectares bepaald dat aan één van de hierna volgende voorwaarden voldoet:
  a) het betreft een perceel landbouwgrond waarop de hoofdteelt grasland is en waarop geen voorteelt of nateelt, andere dan grasland, verbouwd wordt;
  b) het betreft een perceel landbouwgrond waarop de hoofdteelt een niet-nitraatgevoelige teelt is, die gevolgd wordt door een nateelt. De nateelt in kwestie is geen vanggewas of specifieke teelt;
  c) het betreft een perceel landbouwgrond waarop na een niet-late hoofdteelt als enige nateelt een vanggewas wordt verbouwd;
  d) het betreft een perceel landbouwgrond waarop na een hoofdteelt van maïs, niet-vroege aardappelen of pootgoed van aardappelen, als enige nateelt een vanggewas wordt verbouwd;
ten slotte wordt bepaald met hoeveel percent van het aantal hectares, vermeld in punt 1°, het aantal hectares, vermeld in punt 2°, overeenstemt.

 

Van het referentieareaal, uitgedrukt in percent, voor een betrokken landbouwer, voor het kalenderjaar 2016, het referentieareaal, uitgedrukt in percent, voor een betrokken landbouwer, voor het kalenderjaar 2017 en het referentieareaal, uitgedrukt in percent, voor een betrokken landbouwer, voor het kalenderjaar 2018, berekend overeenkomstig het derde lid, wordt het gemiddelde gemaakt. Dit gemiddelde is het referentiepercentage van de betrokken landbouwer als vermeld in het eerste lid, 3°, met dien verstande dat:

 

als er voor de betrokken landbouwer, voor het kalenderjaar 2016, het kalenderjaar 2017 of het kalenderjaar 2018, geen referentieareaal, uitgedrukt in percent, kan berekend worden overeenkomstig het derde lid, dan wordt:
  a) als er voor twee van de jaren in kwestie, een referentieareaal, uitgedrukt in percent, kan berekend worden overeenkomstig het derde lid, het referentiepercentage van de betrokken landbouwer als vermeld in het eerste lid, 3°, bepaald als het gemiddelde van het referentieareaal, uitgedrukt in percent, voor de betrokken landbouwer, voor de twee jaren in kwestie, berekend overeenkomstig het derde lid;
  b) als er voor slechts één van de jaren in kwestie, een referentieareaal, uitgedrukt in percent, kan berekend worden overeenkomstig het derde lid, het referentiepercentage van de betrokken landbouwer als vermeld in het eerste lid, 3°, gelijk gesteld met het referentieareaal, uitgedrukt in percent, voor de betrokken landbouwer, voor dat ene jaar in kwestie, berekend overeenkomstig het derde lid;
als er voor de betrokken landbouwer, voor geen enkel van de betrokken kalenderjaren 2016, 2017 of 2018, een referentieareaal, uitgedrukt in percent, kan berekend worden overeenkomstig het derde lid, het referentiepercentage van de betrokken landbouwer, jaarlijks, als volgt berekend wordt:
  a) voor elke afstroomzone, gelegen in gebiedstype 2 of 3, waarin, in het betrokken jaar, één of meerdere van de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond, gelegen zijn, wordt de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, uitgedrukt in hectare, bepaald, die voldoet aan al de voorwaarden, vermeld in het derde lid, 1°, a), b), c) en d);
  b) per afstroomzone wordt het aantal hectares, bepaald overeenkomstig punt a), vermenigvuldigd met het referentiepercentage dat voor de betreffende afstroomzone opgenomen is in de tabel, die als bijlage drie bij dit decreet is gevoegd;
  c) het aantal hectares, bepaald overeenkomstig punt a), voor elke betrokken afstroomzone, wordt opgeteld;
  d) het aantal hectares, bepaald overeenkomstig punt b), voor elke betrokken afstroomzone, wordt opgeteld;
  e) ten slotte wordt bepaald met hoeveel percent van het aantal hectares, vermeld in punt c) het aantal hectares, vermeld in punt d) overeenstemt. Dit percentage is het referentiepercentage van de betrokken landbouwer, voor het kalenderjaar in kwestie.

 

Als het referentiepercentage van een landbouwer, berekend overeenkomstig het vierde lid, lager is dan 20%, dan bedraagt het referentiepercentage van de betrokken landbouwer, in afwijking van het vierde lid, 20%.

 

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:

meerjarige teelt: een teelt als vermeld in artikel 84, § 13, b), of rabarber;
blijvend grasland: blijvend grasland als vermeld in artikel 4, eerste lid, h), van Verordening nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad;
een niet-late hoofdteelt: een hoofdteelt die tot een van de volgende teelten behoort:
  a) wintertarwe;
  b) triticale;
  c) een graangewas met uitzondering van Japanse haver, boekweit, sorghum, quinoa, gierst, kanariezaad, snijrogge en soedangras;
  d) een teelt olievlas die geen vezelvlas is;
  e) vezelvlas bestemd voor vezelproductie;
  f) winterkoolzaad;
  g) zomerkoolzaad;
  h) ajuinen;
  i) vroege aardappelen;
  j) primeur aardappelen;
  k) erwten;
  l) spinazie;
  m) vroege wortelen;
  n) tabak.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen aangaande de wijze waarop het referentiepercentage van een landbouwer wordt bepaald en kan een afwijkende berekening van het referentiepercentage uitwerken, voor landbouwers van wie de bedrijfsstructuur wijzigt of naar aanleiding van de tweejaarlijkse evaluatie van de gebiedstypes als vermeld in paragraaf 2.

 

§ 5.

Een landbouwer kan vrijgesteld worden van een of meerdere van de maatregelen, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 2°, 3° en 4°, als hij een of meerdere equivalente maatregelen, opgenomen in de lijst van equivalente maatregelen, naleeft.

 

Een equivalente maatregel is een alternatieve mitigerende maatregel die:

hetzij alleen of in combinatie met andere equivalente maatregelen een reductie van de stikstofverliezen realiseert die minstens vergelijkbaar is met de reductie die de maatregel, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 2° of 3°, waarvoor men vrijgesteld wil worden, veroorzaakt;
hetzij alleen of in combinatie met andere equivalente maatregelen een opvolging van de bemesting met vloeibare dierlijke mest realiseert die minstens vergelijkbaar is met de opvolging die de maatregel, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 4°, waarvoor men vrijgesteld wil worden, veroorzaakt.

 

Er wordt, na advies van de beoordelingscommissie equivalente maatregelen, een lijst opgemaakt van de equivalente maatregelen die mogelijk zijn, waarbij voor elke in de lijst opgenomen maatregel:

een nadere omschrijving wordt gegeven van de maatregel;
in voorkomend geval de randvoorwaarden die van toepassing moeten zijn opdat de betreffende maatregel als een equivalente maatregel beschouwd kan worden;
het gewicht van de maatregel in kwestie wordt vermeld, met name voor welke maatregel of deel van een maatregel als vermeld in paragraaf 4 men, mits naleving van de equivalente maatregel in kwestie, wordt vrijgesteld en gedurende welke periode.

 

Voorafgaand aan de opname van een maatregel op de lijst van equivalente maatregelen wordt, op basis van de meest actuele wetenschappelijke inzichten, door de beoordelingscommissie equivalente maatregelen een advies gegeven, aan de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu, aangaande het effect van de betreffende maatregel op de reductie van de stikstofverliezen, in voorkomend geval aangaande de randvoorwaarden die van toepassing moeten zijn opdat een maatregel als een equivalente maatregel beschouwd kan worden en aangaande het gewicht dat aan de
betreffende maatregel wordt gehangen.

 

De beoordelingscommissie voor equivalente maatregelen is samengesteld uit verschillende experts op het gebied van bemesting, bodem, water, milieu en landbouw. De leden van de beoordelingscommissie voor equivalente maatregelen worden door de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu benoemd. De commissie is samengesteld als volgt:

vijf vertegenwoordigers uit de wetenschappelijke instelling, waarvan minimaal één vertegenwoordiger van een buitenlandse universiteit of onderzoeksinstituut en minimaal één vertegenwoordiger van het instituut voor landbouwen visserijonderzoek;
twee vertegenwoordigers van de Vlaamse Landmaatschappij, waarvan één het secretariaat van de commissie verzorgt;
één vertegenwoordiger van de Vlaamse Milieumaatschappij;
twee vertegenwoordigers van het Departement Landbouw en Visserij van het Vlaams Ministerie van Landbouw en Visserij;
één vertegenwoordiger van het Departement Omgeving van het Vlaams Ministerie van Omgeving.

 

De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, benoemt:

uit de leden, vermeld in het vijfde lid, 1°, een voorzitter;
voor elk lid een effectief lid en een plaatsvervanger.

 

Elke belanghebbende kan een of meerdere maatregelen ter advisering voorleggen en toelichten aan de beoordelingscommissie voor equivalente maatregelen. De beoordelingscommissie voor equivalente maatregelen hoort de belanghebbende die de betrokken maatregelen ter advisering voorlegt, evenals, in voorkomend geval, experts met betrekking tot de maatregelen die ter advisering voorliggen.

 

De beoordelingscommissie voor equivalente maatregelen maakt een huishoudelijk reglement op.

 

De landbouwer die equivalente maatregelen als vermeld in het eerste lid wil toepassen, vraagt dit aan de Mestbank. De aanvraag wordt uiterlijk op 15 februari van het jaar X bij de Mestbank ingediend via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. Bij zijn aanvraag meldt de landbouwer welke equivalente maatregelen als vermeld op de lijst, vermeld in het derde lid, hij in het betrokken jaar wil toepassen en voor welke maatregelen als vermeld in paragraaf 4, hij daarvoor vrijgesteld wil zijn.

 

Bij de aanvraag tot toepassing van equivalente maatregelen als vermeld in het negende lid dienen de volgende voorwaarden vervuld te zijn:

als de landbouwer in het jaar X-1 vrijgesteld was van het naleven van één of meerdere van de maatregelen, vermeld in paragraaf 4, op basis van een vrijstelling, vermeld in het eerste lid, dan moet de landbouwer de equivalente maatregelen, die hij in uitvoering van deze vrijstelling voor het jaar X-1 moest uitvoeren, correct uitgevoerd hebben;
in het jaar X werd door de betrokken landbouwer tijdig voldaan aan zijn aangifte-plicht als vermeld in artikel 23;
de landbouwer valt in het jaar X niet onder het toepassingsgebied van paragraaf 9;
de equivalente maatregel of maatregelen die de landbouwer in zijn aanvraag, vermeld in het negende lid, vermeldt:
  a) moeten, rekening houdend met het gewicht van de maatregel of maat-regelen in kwestie als vermeld in het derde lid, minstens equivalent zijn aan de maatregel, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 2°, 3° of 4°, waarvoor de landbouwer vrijgesteld wil worden;
 

b)

mogen niet in strijd zijn met verplichtingen die de betrokken landbouwer, in uitvoering an dit decreet, of in uitvoering van een doorlichting als vermeld in artikel 62 moet naleven.

 

De Mestbank beoordeelt de ontvangen aanvragen en deelt uiterlijk op 31 maart via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket, aan de landbouwer mee of de ingediende aanvraag geldig is. Een aanvraag als vermeld in het negende lid is ongeldig als aan een of meerdere van de voorwaarden als vermeld in het tiende lid niet voldaan is. Als de aanvraag, vermeld in het negende lid, betrekking heeft op meerdere maatregelen, vermeld in paragraaf 4, beoordeelt de Mestbank, per maatregel, vermeld in paragraaf 4, waarvoor de landbouwer vrijgesteld wil worden, of de aanvraag geldig is. De landbouwer kan hiertegen bezwaar indienen uiterlijk op 30 april. Het bezwaar moet per beveiligde zending gericht worden aan het afdelingshoofd van de Mestbank. Het afdelingshoofd van de Mestbank neemt een beslissing binnen 90 dagen vanaf de verzending van de beveiligde zending. De beslissing wordt aan de indiener van het bezwaar ter kennis gebracht via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De indiening van een bezwaar schorst de aangevochten beslissing niet.

 

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de toepassing van deze paragraaf, met inbegrip van:

de nadere regels voor de werking van de beoordelingscommissie voor equivalente maatregelen en de minimale inhoud van het huishoudelijk reglement ervan;
de tenlasteneming van de verplaatsingskosten van haar leden en het bedrag van het presentiegeld dat de leden toekomt;
de wijze waarop de lijst van equivalente maatregelen wordt opgemaakt, vastgesteld en geëvalueerd.

 

§ 6.

Een bedrijf, waartoe landbouwgrond behoort, kan een aanvraag tot vrijstelling van de maatregelen, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 2°, 3° en 4°, mits het uitvoeren van een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau, indienen.

 

Bij de aanvraag tot vrijstelling als vermeld in het eerste lid dienen de volgende voorwaarden vervuld te zijn:

de landbouwer liet in het jaar X-1 een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau uitvoeren waarvan het resultaat positief is als vermeld in artikel 15, § 9;
in het jaar X-1 is:
  a) hetzij door de betrokken landbouwer, hetzij op het betrokken bedrijf of op de tot het bedrijf behorende landbouwgronden, geen overtreding van de bepalingen van de artikelen 8, 12, 13, 20, 21 of 22 van dit decreet, van artikel 5.9.2.1, 5.9.2.2, 5.9.2.3, 5.9.2.4, 5.9.8.5, 5.28.2.2 of 5.28.2.3 van titel II van het Vlarem, of van artikel 1.3.2.2, § 1, 1° en 3°, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, begaan;
  b) aan de betrokken landbouwer geen maatregel, correctie, andere mestsamenstelling, beperking van de afvoer, bijkomende mestverwerking of reductie als vermeld in artikel 62 opgelegd, en is geen administratieve geldboete als vermeld in artikel 63, § 1 tot en met § 3, of § 5, opgelegd;
in het jaar X werd door de betrokken landbouwer tijdig voldaan aan zijn aangifteplicht als vermeld in artikel 23;
de landbouwer valt in het jaar X niet onder het toepassingsgebied van paragraaf 9.

 

De landbouwer die een vrijstelling als vermeld in het eerste lid wil verkrijgen, vraagt dit aan de Mestbank. De aanvraag wordt uiterlijk op 15 februari van het jaar X bij de Mestbank ingediend via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De landbouwer die in het jaar X-1 nog niet verplicht is om een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau uit te voeren en die in het jaar X een vrijstelling als vermeld in het eerste lid wil aanvragen, meldt dit aan de Mestbank, uiterlijk op 1 juni van het jaar X-1, via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. Een landbouwer kan deze melding tot uiterlijk 1 juni van het jaar X-1 intrekken. Elke landbouwer die op 2 juni van het jaar X-1 een niet-ingetrokken melding heeft, is verplicht om de nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau uit te voeren. Deze nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau gebeurt overeenkomstig artikel 15.

 

In afwijking van het tweede lid, 1°, en het derde lid wordt een landbouwer geacht van rechtswege een vraag tot vrijstelling als vermeld in het eerste lid aan te vragen voor het jaar X als hij aan de volgende twee voorwaarden voldoet:

in het jaar X-1 was de landbouwer vrijgesteld van de maatregelen, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 2°, 3° en 4°, op basis van een aanvraag, als vermeld in deze paragraaf;
in het jaar X-1 liet de landbouwer geen nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau uitvoeren, waarvan het resultaat niet positief is als vermeld in artikel 15, § 9.

 

Een landbouwer kan zijn aanvraag tot vrijstelling als vermeld in het eerste lid intrekken tot uiterlijk 15 februari van het jaar X.

 

De Mestbank duidt, voor elke aanvraag die geldig is verklaard, het tot het bedrijf behorende perceel landbouwgrond aan waarop de landbouwer het nitraatresidu moet laten bepalen. Een landbouwer wiens aanvraag geldig is verklaard, is verplicht om het nitraatresidu te laten bepalen op het door de Mestbank aangeduide perceel.

 

In afwijking van het zesde lid moet een landbouwer in het jaar X een nitraatresidubepaling op bedrijfsniveau laten uitvoeren als hij onder één van de volgende twee situaties valt:

het verschil in oppervlakte tussen de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond, uitgedrukt in hectare, in het jaar Y en de tot het bedrijf behorende landbouwgronden, uitgedrukt in hectare, in het jaar X, bedraagt meer dan 25% of meer dan 10 hectare. Voor de toepassing van deze voorwaarde is het jaar Y het laatste jaar waarin betrokkene een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau liet uitvoeren, waarvan het resultaat positief was als vermeld in artikel 15, § 9;
ofwel zijn de volgende drie voorwaarden vervuld:
  a) in het jaar X-1 was de landbouwer vrijgesteld van de maatregelen, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 2°, 3° en 4°, op basis van een aanvraag als vermeld in deze paragraaf en diende hij in uitvoering van zijn aanvraag als vermeld in deze paragraaf slechts op één van zijn tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond het nitraatresidu te bepalen;
  b) in het jaar X-1 liet de landbouwer geen nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau uitvoeren;
  c) het resultaat van de nitraatresidubepaling op het ene, door de Mestbank aangeduide, tot zijn bedrijf behorende perceel landbouwgrond als vermeld in a) was hoger dan de overeenkomstige eerste drempelwaarde als vermeld in artikel 15, § 1.

 

Een landbouwer wiens aanvraag geldig is verklaard, wordt voor het jaar X vrijgesteld van de maatregelen, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 2°, 3° en 4°.

 

De Mestbank beoordeelt de ontvangen aanvragen en deelt uiterlijk op 31 maart via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket aan de landbouwer mee of de ingediende aanvraag geldig is. Een aanvraag als vermeld in het derde of vierde lid is ongeldig als aan een of meerdere van de voorwaarden als vermeld in het tweede lid niet voldaan is. De landbouwer kan hiertegen bezwaar indienen uiterlijk op 30 april. Het bezwaar moet per beveiligde zending gericht worden aan het afdelingshoofd van de Mestbank. Het afdelingshoofd van de Mestbank neemt een beslissing binnen 90 dagen vanaf de verzending van de beveiligde zending. De beslissing wordt aan de indiener van het bezwaar ter kennis gebracht via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De indiening van een bezwaar schorst de aangevochten beslissing niet.

 

De Vlaamse Regering kan in gebieden waar bij een tussentijdse evaluatie als vermeld in paragraaf 2, blijkt dat de waterkwaliteit achteruitgaat, de toepassing van deze paragraaf beperken of kan extra voorwaarden aan de toepassing van deze paragraaf verbinden.

 

§ 7.

Voor de toepassing van de maatregel, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 2°, wordt:

voor elk van de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond, de toegelaten bemesting, uitgedrukt in kg werkzame N, die mag opgebracht worden met toepassing van de artikelen 12, 13, 16, 17, 41bis, § 1 tot en met § 8, en 41ter, van dit decreet en de van toepassing zijnde beheerovereenkomsten, bepaald;
vervolgens de hoeveelheid meststoffen die op bedrijfsniveau op de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond mag opgebracht worden, verminderd overeenkomstig paragraaf 4, eerste lid, 2°, en paragraaf 9. Hiervoor wordt:
  a) voor de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond die gelegen zijn in gebiedstype 2 de toegelaten bemesting, uitgedrukt in kg werkzame N, bepaald overeenkomstig 1°, verminderd met het overeenkomstige percentage als vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 2°. In afwijking hiervan wordt, in het geval als vermeld in paragraaf 9, 1°, voor de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond die gelegen zijn in gebiedstype 2 de toegelaten bemesting, uitgedrukt in kg werkzame N, bepaald overeenkomstig 1°, verminderd met de verlaging die voor het bedrijf in kwestie van toepassing was op 1 januari 2019, overeenkomstig artikel 14, § 7 of § 8, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 18 december 2015;
  b) voor de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond die gelegen zijn in gebiedstype 3, de toegelaten bemesting, uitgedrukt in kg werkzame N, bepaald overeenkomstig 1°, verminderd met het overeenkomstige percentage als vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 2°. In afwijking hiervan wordt, in het geval als vermeld in paragraaf 9, 2°, voor de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond die gelegen zijn in gebiedstype 3 de toegelaten bemesting, uitgedrukt in kg werkzame N, bepaald overeenkomstig 1°, verminderd met de verlaging die voor het bedrijf in kwestie van toepassing was op 1 januari 2019, overeenkomstig artikel 14, § 7 of § 8, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 18 december 2015;
ten slotte wordt, na toepassing van 1° en 2°, in voorkomend geval de hoeveelheid meststoffen die op de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond mag opgebracht worden, nog aangepast op basis van een gebruiksovereenkomst als vermeld in artikel 41bis, § 9, of op basis van een maatregel of reductie als vermeld in artikel 62.

 

§ 8.

De beoordeling of voldaan is aan de verplichting van het telen van een vanggewas of laag-risico nateelt als vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 3°, gebeurt overeenkomstig het beoordelingskader, opgenomen in deze paragraaf.

 

Voor de beoordeling of voldaan is aan de verplichting van het telen van een vanggewas of laag-risico nateelt als vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 3°, wordt nagegaan of de landbouwer op een voldoende groot percentage van zijn tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, een vanggewas of laag-risico nateelt heeft verbouwd. Hiervoor wordt voor de betrokken landbouwer zijn gerealiseerde areaal vergeleken met zijn doelareaal. Een landbouwer heeft, voor een bepaald jaar voldaan aan de verplichting, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 3°, als in het betreffende jaar zijn gerealiseerd areaal minstens even groot is als zijn doelareaal.

 

Het doelareaal van een landbouwer in een bepaald jaar wordt bepaald door zowel voor gebiedstype 2 als voor gebiedstype 3 het referentiepercentage van de betrokken landbouwer, bepaald overeenkomstig paragraaf 4, en verhoogd overeenkomstig paragraaf 4, eerste lid, 3°, te vermenigvuldigen met de oppervlakte, uitgedrukt in hectare, van de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond, die in gebiedstype 2 respectievelijk gebiedstype 3 gelegen zijn. Het resultaat van gebiedstype 2 en gebiedstype 3 wordt vervolgens opgeteld. In voorkomend geval wordt, als het resultaat van deze som hoger is dan 80% van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, gelegen in gebiedstype 2 of 3, uitgedrukt in hectare, het resultaat van deze som afgetopt op exact 80% van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, gelegen in gebiedstype 2 of 3, uitgedrukt in hectare. Het resultaat van deze som, in voorkomend geval na een aftopping, wordt:

in voorkomend geval verminderd met het aantal hectares, opgenomen in een geldig verklaarde melding als vermeld in het negende lid waarin de betrokken landbouwer als verkrijgende landbouwer vermeld is;
in voorkomend geval vermeerderd met het aantal hectares, opgenomen in een geldig verklaarde melding als vermeld in het negende lid waarin de betrokken landbouwer als aanbieder-landbouwer vermeld is;
in voorkomend geval vermeerderd met het aantal hectares, gelegen in gebiedstype 2 of gebiedstype 3, waarvoor in het vorige kalenderjaar niet voldaan was aan de verplichting, vermeld in deze paragraaf of paragraaf 9, en waarvoor een administratieve geldboete, berekend overeenkomstig artikel 63, § 14, tweede lid, is opgelegd.

 

Het gerealiseerde areaal van een landbouwer in een bepaald jaar wordt berekend door de som te maken van de volgende getallen:

de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, uitgedrukt in hectare, en gelegen in gebiedstype 2 of gebiedstype 3, waarop een vanggewas werd verbouwd dat uiterlijk op 15 september ingezaaid werd of waarop na een niet-nitraatgevoelige hoofdteelt een laag-risico nateelt werd verbouwd;
de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, uitgedrukt in hectare, die voldoet aan al de volgende voorwaarden:
  a) op de betrokken percelen werd als hoofdteelt hetzij maïs, hetzij niet-vroege aardappelen, verbouwd;
  b) de betrokken percelen zijn gelegen in gebiedstype 2 of gebiedstype 3;
  c) op de betrokken percelen werd een vanggewas verbouwd dat uiterlijk op 15 oktober werd ingezaaid.

 

Een landbouwer kan, voor het voldoen aan zijn verplichting, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 3°, een beroep doen op een andere landbouwer om een deel van zijn verplichting in te vullen. De verkrijgende landbouwer en de aanbieder-landbouwer sluiten hiervoor een overeenkomst af en melden dit aan de Mestbank.

 

Een overeenkomst als vermeld in het vijfde lid is enkel geldig als voldaan is aan de volgende vijf voorwaarden:

geen van de betrokken landbouwers valt in het jaar X onder het toepassingsgebied van paragraaf 5, paragraaf 6 of paragraaf 9;
geen van de betrokken landbouwers is voor het betreffende jaar al betrokken bij een bevestigde, niet-ingetrokken overeenkomst voor hetzelfde gebiedstype;
de aanbieder-landbouwer viel in het jaar X-1 niet onder het toepassingsgebied van paragraaf 5, paragraaf 6 of paragraaf 9 en heeft in het jaar X-1 voldaan aan zijn verplichting, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 3°;
bij de bepaling van het doelareaal van de betrokken aanbieder-landbouwer is er geen aftopping gebeurd overeenkomstig het derde lid;
de overeenkomst vermeldt het gebiedstype waarop de overeenkomst betrekking heeft. Zowel de aanbiederlandbouwer als de verkrijgende landbouwer moeten minimaal één tot het bedrijf behorend perceel landbouwgrond hebben dat in het betreffende gebiedstype gelegen is.

 

De landbouwers die voor de beoordeling of voldaan is aan de verplichting van het telen van een vanggewas of laag-risico nateelt als vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 3°, gebruik willen maken van een overeenkomst, melden dit bij de Mestbank. De melding wordt uiterlijk op 15 februari van het jaar X bij de Mestbank ingediend via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket door een van de betrokken landbouwers en vervolgens door de andere betrokken landbouwer bevestigd via het internetloket. Elk van de betrokken landbouwers kan tot uiterlijk 15 februari van het jaar X zijn melding intrekken via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket.

 

Bij de melding, vermeld in het zevende lid, wordt per gebiedstype vermeld hoeveel hectare vanggewas van de ene landbouwer ingevuld zal worden door vanggewas dat de andere landbouwer in het overeenkomstige gebiedstype zal telen.

 

De Mestbank beoordeelt de ontvangen meldingen en deelt uiterlijk op 31 maart via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket aan elk van de betrokken landbouwers mee of de ingediende melding geldig is. Een melding als vermeld in het zevende lid is ongeldig als, op basis van de gegevens waarover de Mestbank beschikt:

aan een of meerdere van de voorwaarden als vermeld in het zesde lid niet voldaan is;
de door een van de betrokken landbouwers ingediende melding werd door de andere betrokken landbouwer niet bevestigd via het internetloket;
de melding werd door minstens één van de betrokken landbouwers ingetrokken.

 

Als de melding geldig is verklaard als vermeld in het negende lid wordt het doelareaal van de verkrijgende landbouwer verminderd met het aantal hectares, vermeld bij de melding als vermeld in het achtste lid en wordt het doelareaal van de aanbieder-landbouwer verhoogd met het aantal hectares, vermeld in de melding als vermeld in het achtste lid.

 

De Mestbank vermeldt op het door de Mestbank ter beschikking gesteld internetloket of de melding als vermeld in het zevende lid geldig is. De landbouwer kan hiertegen bezwaar indienen uiterlijk op 30 april. Het bezwaar moet per beveiligde zending gericht worden aan het afdelingshoofd van de Mestbank. Het afdelingshoofd van de Mestbank neemt een beslissing binnen 90 dagen vanaf de verzending van de beveiligde zending. De beslissing wordt aan de indiener van het bezwaar ter kennis gebracht via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De indiening van een bezwaar schorst de aangevochten beslissing niet.

 

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt:

bij het bepalen van het gerealiseerde areaal en het doelareaal van een landbouwer geen rekening gehouden met landbouwgrond die permanent overkapt is of met landbouwgronden waarop een blijvende teelt wordt verbouwd;
bij het bepalen van het gerealiseerde areaal van een landbouwer enkel rekening gehouden met landbouwgronden waar het vanggewas minimaal gedurende de periode als vermeld in paragraaf 3, tweede lid, aangehouden blijft.

 

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt begrepen onder:

een verkrijgende landbouwer: een landbouwer die voor het voldoen aan zijn verplichting, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 3°, een beroep doet op een andere landbouwer om een deel van zijn verplichting in te vullen;
een aanbieder-landbouwer: een landbouwer die voor een andere landbouwer voldoet aan een deel of een geheel van de verplichting, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 3°.

 

§ 9.

In afwijking van paragraaf 4 wordt voor een bedrijf dat op 1 januari 2019, overeenkomstig artikel 14, § 7, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 12 juni 2015, of overeenkomstig artikel 14, § 8, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 18 december 2015, een beperking had van de toegelaten bemesting, de hoeveelheid werkzame stikstof die jaarlijks op de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond mag opgebracht worden, beperkt tot het percentage dat voor het betrokken bedrijf op 1 januari 2019, overeenkomstig artikel 14, § 7, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 12 juni 2015, of overeenkomstig artikel 14, § 8, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 18 december 2015, van toepassing was.

 

In afwijking van het eerste lid wordt vanaf het kalenderjaar 2021 voor een bedrijf dat op 1 januari 2019, overeenkomstig artikel 14, § 7, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 12 juni 2015, als focusbedrijf met maatregelen van categorie 2 is gekwalificeerd, de hoeveelheid werkzame stikstof die op de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond gelegen in gebiedstype 3 mag opgebracht worden, beperkt tot het percentage, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 2°.

 

Onverminderd de toepassing van paragraaf 4 blijft, voor een bedrijf dat op 1 januari 2019, overeenkomstig artikel 14, § 8, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 18 december 2015, een verplichting had om een bepaald percentage vanggewassen in te zaaien, deze verplichting ook van toepassing in het kalenderjaar 2019 en de volgende kalenderjaren, met dien verstande dat als in een bepaald kalenderjaar voor zijn tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgronden:

gelegen in gebiedstype 2, het percentage van het areaal waarop een vanggewas of laag-risico nateelt geteeld moet worden, overeenkomstig paragraaf 4, eerste lid, 3°, hoger is dan het percentage dat voor het bedrijf in kwestie op 1 januari 2019, overeenkomstig artikel 14, § 8, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 18 december 2015, van toepassing was, het percentage van het areaal waarop een vanggewas of laag-risico nateelt geteeld moet worden, overeenkomstig paragraaf 4, eerste lid, 3°, van toepassing is;
gelegen in gebiedstype 3, het percentage van het areaal waarop een vanggewas of laag-risico nateelt geteeld moet worden, overeenkomstig paragraaf 4, eerste lid, 3°, hoger is dan het percentage dat voor het bedrijf in kwestie op 1 januari 2019, overeenkomstig artikel 14, § 8, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 18 december 2015, van toepassing was, het percentage van het areaal waarop een vanggewas of laag-risico nateelt geteeld moet worden, overeenkomstig paragraaf 4, eerste lid, 3°, van toepassing is.

 

Voor de toepassing van deze paragraaf zijn paragraaf 3, tweede lid, en paragraaf 7 van overeenkomstige toepassing.

 

Als een bedrijf in het jaar X een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau uitvoert waarvan het resultaat positief is als vermeld in artikel 15, § 9, valt het bedrijf vanaf het kalenderjaar X+1 niet meer onder het toepassingsgebied van deze paragraaf.

 

§ 10.

De oplegging van de maatregelen, vermeld in paragraaf 3, 4 en 9, gebeurt van rechtswege. De beoordeling van de naleving van de maatregelen, vermeld in dit artikel, gebeurt door de Mestbank. De Mestbank vermeldt het resultaat van deze beoordeling via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De landbouwer kan tegen het resultaat van deze beoordeling bezwaar indienen uiterlijk op 15 maart van het betrokken jaar. In afwijking hiervan wordt, als voor een bepaald bedrijf op 15 februari van een bepaald jaar het resultaat van deze beoordeling nog niet vermeld wordt op het door de Mestbank ter beschikking gesteld internetloket, voor de betrokken landbouwer de termijn om bezwaar in te dienen verlengd tot de dertigste dag nadat het resultaat van deze beoordeling voor zijn bedrijf op het internetloket vermeld werd. Het bezwaar moet per beveiligde zending gericht worden aan het afdelingshoofd van de Mestbank.

 

Het afdelingshoofd van de Mestbank neemt een beslissing binnen 90 dagen vanaf de verzending van de beveiligde zending, vermeld in het eerste lid. De beslissing wordt aan de indiener van het bezwaar ter kennis gebracht via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De indiening van een bezwaar schorst de aangevochten beslissing niet.

 

§ 11.

Voor de toepassing van dit artikel wordt een onderzaai van gras bij een hoofdteelt maïs ook als een vanggewas beschouwd, op voorwaarde dat het gras dat als onderzaai wordt geteeld, na de oogst van de maïs minimaal gedurende de periode als vermeld in paragraaf 3, tweede lid, aangehouden blijft.

 

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder winterjaar verstaan de periode van 1 juli van het jaar X-1 tot 30 juni van het jaar X.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels stellen betreffende de uitvoering van dit artikel.