Art. 14.

§ 1

Onverminderd de bepalingen van artikel 13 en van de artikelen 61 tot en met 72 worden, met het oog op het begeleiden van landbouwers tot het behalen van de waterkwaliteitsdoelstellingen geformuleerd in artikel 2, nitraatresidudrempelwaarden vastgesteld.


De volgende 9 types nitraatresidudrempelwaarden worden onderscheiden:

Nitraatresidu
type
 
Teelttype Bodemtype Focusbedrijf Niet-focusbedrijf
    eerste tweede
drempelwaarde
eerste
drempelwaarde

tweede
drempelwaarde
1 Gras Zand of
Niet-zand
70 200 90 260
2 Maïs Zand 70 140 90 180
3 Maïs Niet-Zand 80 160 90 180
4 Granen Zand 70 155 90 200
5 Granen Niet-Zand 80 180 90 200
6 Aardappelen Zand of
Niet-zand
85 155 90 165
7 Specifieke
teelten
Zand of
Niet-zand
85 190 90 200
8 Overige teelten met inbegrip
van voederkool en
bladrammenas
Zand 70 155 90 200
9 Overige teelten met inbegrip
van voederkool en
bladrammenas
Niet-zand 80 180 90 200

 

Het teelttype als vermeld in de tabel in het tweede lid betreft de hoofdteelt die op het betrokken perceel, overeenkomstig de verzamelaanvraag, geteeld zal worden, tenzij de hoofdteelt in dat jaar wordt gevolgd door een specifieke teelt of door de teelt van aardappelen. In voorkomend geval wordt voor de toepassing van de tabel, vermeld in het tweede lid, rekening gehouden met de specifieke teelt of de teelt van aardappelen, die op dat perceel als nateelt uitgevoerd zal worden.


Jaarlijks worden er, op basis van de gegevens aangaande de waterkwaliteit, focusgebieden aangeduid. De aanduiding van focusgebieden is van belang om te bepalen of een bedrijf focusbedrijf is.


De bemonsteringen voor de nitraatresidubepalingen, uitgevoerd in toepassing van dit decreet, gebeuren in de periode van 1 oktober tot en met 15 november. De nitraatresidubepalingen worden uitgevoerd door een erkend laboratorium als vermeld in artikel 61, § 7, overeenkomstig de bepalingen van het methodenboek als vermeld in artikel 61, § 8.

 

§ 2

De Mestbank laat jaarlijks het nitraatresidu bepalen op percelen landbouwgrond gelegen in het Vlaamse Gewest.


De Mestbank zorgt ervoor dat de landbouwer tot wiens bedrijf het betreffende perceel behoort minstens een week voor de bemonstering in kennis wordt gesteld van de dag waarop de bemonstering zal uitgevoerd worden en van het perceel waarop de nitraatresidubepaling zal gebeuren. Bij betwistingen aangaande deze inkennisstelling kan de landbouwer de nietigheid van het resultaat van de uitgevoerde nitraatresidubepaling niet inroepen.


De landbouwer kan in zijn opdracht en op zijn kosten door een erkend laboratorium naar zijn keuze een nitraatresidubepaling laten uitvoeren op het perceel waarop een nitraatresidubepaling wordt uitgevoerd in opdracht van de Mestbank als vermeld in het eerste lid. In voorkomend geval wordt het laagste resultaat van de nitraatresidubepalingen in aanmerking genomen. Deze nitraatresidubepaling moet gebeuren in de periode van 1 oktober tot en met 15 november in hetzelfde jaar als de nitraatresidubepaling in opdracht van de Mestbank.


Onverminderd de nitraatresidubepalingen opgelegd in uitvoering van § 4, § 5, § 6, § 7 en § 8, kan de Mestbank een landbouwer opleggen in opdracht en op kosten van de landbouwer in kwestie door een erkend laboratorium op één of meerdere percelen landbouwgrond die behoren tot zijn bedrijf, een nitraatresidubepaling te laten uitvoeren.


De Mestbank kan de verplichting tot het laten uitvoeren van één of meerdere nitraatresidubepalingen of van een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau opleggen aan de volgende landbouwers:

landbouwers die op hun bedrijf gebruikmaken van de mogelijkheden die voortvloeien uit de uitvoering van een besluit van de Europese Commissie tot verlening van een door de lidstaat België op grond van de Nitraatrichtlijn gevraagde derogatie;
landbouwers aan wie één of meerdere administratieve geldboetes of strafrechtelijke veroordelingen zijn opgelegd wegens overtreding van één of meerdere bepalingen van dit decreet;
landbouwers van wie het bedrijf niet beschikt over voldoende mestopslagcapaciteit als vermeld in artikel 9;
landbouwers aan wie een maatregel, correctie, andere mestsamenstelling, beperking van de afvoer, bijkomende mestverwerking of reductie als vermeld in artikel 62, werd opgelegd, of één of meerdere administratieve geldboetes als vermeld in artikel 63, § 1 tot en met § 3, of § 5.

 

§ 3

Een bedrijf is hetzij een focusbedrijf, hetzij een niet-focusbedrijf. Er zijn drie types van focusbedrijven, met name een focusbedrijf met maatregelen van categorie 1, een focusbedrijf met maatregelen van categorie 2 en een focusbedrijf met maatregelen van categorie 3.


Een bedrijf wordt in een betreffend jaar omwille van zijn ligging als focusbedrijf gekwalificeerd als vermeld in het derde lid, 1°, als meer dan 50 % van de in het vorige jaar tot zijn bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond gelegen is in een gebied dat in het betreffende jaar als focusgebied is afgebakend. Voor het bepalen van het percentage van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond die gelegen is in focusgebied, wordt geen rekening gehouden met landbouwgrond die permanent overkapt is of met landbouwgronden waarop een teelt van de teeltgroep houtachtige gewassen wordt verbouwd.


Een bedrijf krijgt in een bepaald jaar de kwalificatie focusbedrijf met maatregelen van categorie 1, hetzij:

omwille van zijn ligging in focusgebied, tenzij het bedrijf over een niet ingetrokken vrijstelling als vermeld in paragraaf 5 beschikt;
omdat het betrokken bedrijf in het betrokken jaar als categorie I is geclassificeerd als vermeld in artikel 15, § 5;
omdat het betrokken bedrijf in het vorige jaar een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau moest uitvoeren, en deze niet uitgevoerd heeft;
omdat het een bedrijf als vermeld in paragraaf 4, derde lid, betreft;
omwille van het in het voorgaande jaar niet-laten uitvoeren van één of meerdere nitraatresidubepalingen die het in uitvoering van paragraaf 2 of paragraaf 4 moest uitvoeren of omwille van het hinderen in het voorgaande jaar van de uitvoering van één of meerdere nitraatresidubepalingen.


Een bedrijf krijgt in een bepaald jaar de kwalificatie focusbedrijf met maatregelen van categorie 2, omdat het betrokken bedrijf hetzij:

in het betrokken jaar als categorie II is geclassificeerd als vermeld in artikel 15, § 5;
in het vorige jaar een focusbedrijf met maatregelen van categorie 1 was, en in het vorige jaar de maatregelen, vermeld in paragraaf 6, niet uitgevoerd heeft;
in het vorige jaar en in het betrokken jaar als categorie I is geclassificeerd als vermeld in artikel 15, § 5;
in het vorige jaar een focusbedrijf met maatregelen van categorie 1 was, dat in het vorige jaar een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau moest uitvoeren in toepassing van paragraaf 4, en deze nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau niet uitgevoerd heeft.


Een bedrijf krijgt in een bepaald jaar de kwalificatie focusbedrijf met maatregelen van categorie 3, omdat het betrokken bedrijf hetzij:

in het betrokken jaar als categorie III is geclassificeerd als vermeld in artikel 15, § 5;
in het vorige jaar een focusbedrijf met maatregelen van categorie 2 was, en:
  a) ofwel in het vorige jaar de maatregelen, vermeld in paragraaf 7, niet uitgevoerd heeft;
  b) ofwel in het betrokken jaar in categorie II is geclassificeerd als vermeld in artikel 15, § 5;
in het vorige jaar een focusbedrijf met maatregelen van categorie 3 was, en:
  a) ofwel in het vorige jaar de maatregelen, vermeld in paragraaf 8, niet uitgevoerd heeft;
  b) ofwel in het vorige jaar en in het betrokken jaar in categorie II is geclassificeerd als vermeld in artikel 15, § 5.

 

Als een bedrijf, in een bepaald jaar, meerdere van bovenstaande kwalificaties krijgt, geldt enkel de hoogste kwalificatie.

 

§ 4

Als op een niet-focusbedrijf in een bepaald jaar X op een tot het bedrijf behorend perceel landbouwgrond een nitraatresidu wordt gemeten dat hoger is dan de overeenkomstige eerste nitraatresidudrempelwaarde doch de overeenkomstige tweede nitraatresidudrempelwaarde niet overschrijdt, moet de betrokken landbouwer in het jaar X+1 in zijn opdracht en op zijn kosten op één door de Mestbank aangeduid perceel S een nitraatresidubepaling laten uitvoeren. Als het nitraatresidu van het perceel landbouwgrond in jaar X meerdere malen bepaald werd, dan wordt het laagste resultaat van de nitraatresidubepalingen in aanmerking genomen.


Als in het jaar X+1 bij de nitraatresidubepaling op het perceel S een nitraatresidu wordt gemeten dat hoger is dan de overeenkomstige eerste nitraatresidudrempelwaarde doch de overeenkomstige tweede nitraatresidudrempelwaarde niet overschrijdt, moet de betrokken landbouwer in het jaar X+2 in zijn opdracht en op zijn kosten een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau als vermeld in artikel 15, laten uitvoeren.


Als in het jaar X+1 bij de nitraatresidubepaling op het perceel S een nitraatresidu wordt gemeten dat hoger is dan de overeenkomstige tweede nitraatresidudrempelwaarde, of als de landbouwer de nitraatresidubepaling die hij in het jaar X+1 moet laten uitvoeren, niet uitvoert, moet de betrokken landbouwer in het jaar X+2 in zijn opdracht en op zijn kosten een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau als vermeld in artikel 15 laten uitvoeren en is het bedrijf in het jaar X+2 focusbedrijf.


Als in een bepaald jaar X op een niet-focusbedrijf op een tot het bedrijf behorend perceel landbouwgrond een nitraatresidu wordt gemeten dat hoger is dan de overeenkomstige tweede nitraatresidudrempelwaarde of als op een focusbedrijf op een tot het bedrijf behorend perceel landbouwgrond een nitraatresidu wordt gemeten dat hoger is dan de overeenkomstige eerste nitraatresidudrempelwaarde moet de betrokken landbouwer in het jaar X+1 in zijn opdracht en op zijn kosten een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau als vermeld in artikel 15, laten uitvoeren.


Als in een bepaald jaar op een bedrijf een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau moet gebeuren, is deze paragraaf niet van toepassing.


Als het nitraatresidu van het perceel S in jaar X+1 meerdere malen bepaald werd, dan wordt het laagste resultaat van de nitraatresidubepalingen in aanmerking genomen.

 

§ 6

Een landbouwer van wie het bedrijf in een bepaald jaar als focusbedrijf met maatregelen van categorie 1 is gekwalificeerd, moet in dat jaar de volgende maatregelen naleven:

als de teelt en de bodem in kwestie het toelaten moet de landbouwer een vanggewas telen op elk perceel landbouwgrond dat tot zijn bedrijf behoort. Het vanggewas moet tijdig ingezaaid worden en moet geruime tijd op het perceel aanwezig zijn;
de voorwaarden voor het op of in de bodem brengen van meststoffen, vermeld in paragraaf 9, naleven;
als het bedrijf, in toepassing van § 3, derde lid, 2°, 3°, 4° of 5°, als focusbedrijf met maatregelen van categorie 1 is gekwalificeerd, een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau als vermeld in artikel 15 laten uitvoeren.

 

§ 7

Een landbouwer van wie het bedrijf in een bepaald jaar als focusbedrijf met maatregelen van categorie 2 is gekwalificeerd, moet in dat jaar de volgende maatregelen naleven:

een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau als vermeld in artikel 15 laten uitvoeren;
de voorwaarden voor het op of in de bodem brengen van meststoffen, vermeld in paragraaf 9, naleven;
als de teelt en de bodem in kwestie het toelaten moet de landbouwer een vanggewas telen op elk perceel landbouwgrond dat tot zijn bedrijf behoort. Het vanggewas moet tijdig ingezaaid worden en moet geruime tijd op het perceel aanwezig zijn;
de toegelaten bemesting in kg N uit dierlijke mest en in kg werkzame N wordt beperkt tot 90 % van de hoeveelheid die mag opgebracht worden met toepassing van dit decreet en de van toepassing zijnde beheerovereenkomsten die de hoeveelheid meststoffen die op een perceel mogen opgebracht worden verminderen;
elk vervoer van dierlijke mest of andere meststoffen vanuit een tot het bedrijf behorende exploitatie of naar een tot het bedrijf behorende exploitatie, dat gebeurt in uitvoering van artikel 49, § 1, 3°, b), c), d), e), f) of g), moet voorgemeld en nagemeld worden bij de Mestbank;
een bemestingsplan bijhouden;
een verplichte bodembalans voor tuinbouw.

 

§ 8.

Een landbouwer van wie het bedrijf in een bepaald jaar als focusbedrijf met maatregelen van categorie 3 is gekwalificeerd, moet in dat jaar de volgende maatregelen naleven:

een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau als vermeld in artikel 15 laten uitvoeren;
de voorwaarden voor het op of in de bodem brengen van meststoffen, vermeld in paragraaf 9, naleven;
een vanggewas telen op al de tot het bedrijf behorende landbouwgronden waarvan de teelt en de bodem in kwestie het telen van een vanggewas toelaten en minimaal op 20 % van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond. Voor het bepalen van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond wordt geen rekening gehouden met landbouwgrond die permanent overkapt is of met landbouwgronden waarop een blijvende teelt wordt verbouwd. Het vanggewas moet tijdig ingezaaid worden en moet geruime tijd op het perceel aanwezig zijn;
de toegelaten bemesting in kg N uit dierlijke mest en in kg werkzame N wordt beperkt tot 80 % van de hoeveelheid die mag opgebracht worden met toepassing van dit decreet en de van toepassing zijnde beheerovereenkomsten die de hoeveelheid meststoffen die op een perceel mogen opgebracht worden verminderen;
elk vervoer van dierlijke mest of andere meststoffen vanuit een tot het bedrijf behorende exploitatie of naar een tot het bedrijf behorende exploitatie, met inbegrip van het vervoer vanuit een bepaalde exploitatie naar de landbouwgronden van dezelfde exploitatie, gebeurt door een erkende mestvoerder;
een bemestingsplan bijhouden;
een verplichte bodembalans voor tuinbouw.

 

Als een bedrijf twee of meer jaren na elkaar als focusbedrijf met maatregelen van categorie 3 is gekwalificeerd, wordt het percentage van de toegelaten bemesting als vermeld in het eerste lid, 4°, telkens met 10 verlaagd ten opzichte van het vorige jaar en wordt het percentage van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond waarop een vanggewas geteeld moet worden telkens met 10 verhoogd ten opzichte van het vorige jaar.


Als een bedrijf in een bepaald jaar als focusbedrijf met maatregelen van categorie 3 is gekwalificeerd, en op dat bedrijf één of meerdere beheerovereenkomsten gelden als vermeld in artikel 42, die de hoeveelheid meststoffen die op een perceel mag opgebracht worden, verminderen, worden deze beheerovereenkomsten van rechtswege beëindigd.

 

§ 9.

Voor focusbedrijven geldt, in afwijking van artikel 8, § 2, § 3 en § 4, de onderstaande regeling.


Op niet permanent overkapte landbouwgronden is het verboden om meststoffen type 2 op te brengen:

op akkers op zware kleigronden vanaf 16 oktober tot en met 28 februari. De hoeveelheid meststoffen type 2 die in een bepaald jaar na 31 augustus opgebracht wordt, is beperkt tot 100 kg werkzame stikstof per hectare;
op andere percelen dan vermeld in 1°, vanaf 16 augustus tot en met 28 februari;
na de oogst van de hoofdteelt, tenzij na de oogst van de hoofdteelt en uiterlijk op 31 juli een nateelt ingezaaid wordt.

 

In afwijking van het tweede lid, 1° en 2°, is het voor grasland en beteeld akkerland toegelaten om meststoffen type 2 op te brengen vanaf 16 februari.


Het op of in de bodem brengen van meststoffen type 3 op niet permanent overkapte landbouwgronden is verboden:

op akkers vanaf 16 augustus;
op grasland vanaf 1 september;
op grasland, beteelde akkers en niet-beteelde akkers waar als eerstvolgende teelt een specifieke teelt ingezaaid wordt, tot en met 15 februari;
op niet-beteelde akkers, met uitzondering van niet-beteelde akkers waar als eerstvolgende teelt een specifieke teelt ingezaaid wordt, tot en met 28 februari;

 
na de oogst van de hoofdteelt, tenzij na de hoofdteelt:
a) hetzij uiterlijk op 31 juli een nateelt ingezaaid wordt;
b) hetzij na 31 juli en uiterlijk op 15 augustus een specifieke teelt ingezaaid wordt.


In afwijking van het vierde lid, is het voor specifieke teelten, andere dan fruit, toegelaten om meststoffen type 3 op te brengen:



 
in de periode vanaf 16 augustus tot en met 15 november op voorwaarde dat aan de volgende twee voorwaarden is voldaan:
a) de hoeveelheid meststoffen type 3, met inbegrip van meststoffen type 3 waarvan de stikstofinhoud laag is, die in deze periode opgebracht wordt, is beperkt tot 100 kg werkzame stikstof per hectare en de hoeveelheid die binnen een periode van twee weken opgebracht wordt, is beperkt tot 60 kg werkzame stikstof per hectare;
b) voorafgaand aan het opbrengen van de meststoffen is een bodemanalyse met bijhorende bemestingsadvies uitgevoerd. De hoeveelheid meststoffen die in de periode vanaf 16 augustus tot en met 15 november opgebracht mag worden, is beperkt tot de hoeveelheid opgenomen in het bemestingsadvies;
vanaf 16 januari tot en met 15 februari op voorwaarde dat de hoeveelheid meststoffen type 3 die in deze periode opgebracht wordt, beperkt wordt tot 50 kg werkzame stikstof per hectare.

 

In afwijking van het vierde lid, is het voor fruit toegelaten om meststoffen type 3 op te brengen vanaf 16 augustus tot en met 15 november op voorwaarde dat de hoeveelheid meststoffen type 3, met inbegrip van meststoffen type 3 waarvan de stikstofinhoud laag is, die in deze periode opgebracht wordt, beperkt wordt tot 40 kg werkzame stikstof per hectare.


In afwijking van het vierde lid, is het voor een focusbedrijf met maatregelen van categorie 1 toegelaten op akkerland met meststoffen type 3, waarvan de stikstofinhoud laag is, 30 kg stikstof per hectare waarvan maximaal 10 kg minerale stikstof op te brengen in een van de volgende twee gevallen:

na de oogst van de hoofdteelt en ten laatste op 31 augustus, op voorwaarde dat uiterlijk op 31 augustus een vanggewas ingezaaid wordt. In afwijking hiervan kan de Vlaamse Regering in geval van uitzonderlijke weersomstandigheden bepalen dat het vanggewas slechts moet worden ingezaaid uiterlijk op 10 september van hetzelfde jaar;
in de periode van 16 augustus tot en met 15 november en vanaf 16 januari tot en met 15 februari op voorwaarde dat er een gewas aanwezig is. In afwijking hiervan mogen in de periode vanaf 1 september tot en met 15 oktober deze meststoffen opgebracht worden als er een gewas ingezaaid wordt uiterlijk de zevende dag na het opbrengen van de meststoffen.


In afwijking van het vierde lid, is het voor een focusbedrijf met maatregelen van categorie 1 toegelaten meststoffen type 3, waarvan de stikstofinhoud laag is op te brengen op grasland in de periode van 1 september tot 15 november en vanaf 16 januari tot en met 15 februari. De hoeveelheid meststoffen type 3 waarvan de stikstofinhoud laag is, die in de periode vanaf 1 september tot en met 15 november opgebracht wordt, samen met de hoeveelheid die in de daarop volgende periode vanaf 16 januari tot en met 15 februari opgebracht wordt, is beperkt tot 30 kg stikstof per hectare waarvan maximaal 10 kg minerale stikstof.


Voor de toepassing van deze paragraaf wordt, op percelen met als hoofdteelt grasland, het scheuren van de hoofdteelt grasland beschouwd als het oogsten van de hoofdteelt.


Voor de toepassing van deze paragraaf worden percelen grasland, waar het grasland geteeld wordt voor zaaizaadvermeerdering, als akkers beschouwd.

 

§ 5

Een bedrijf, waartoe landbouwgrond behoort, kan een vrijstelling van de kwalificatie als focusbedrijf krijgen.


De landbouwer die een vrijstelling van de kwalificatie als focusbedrijf wil verkrijgen, vraagt dit aan de Mestbank. De aanvraag wordt uiterlijk op 1 juni van het jaar bij de Mestbank ingediend via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. In afwijking hiervan wordt elke landbouwer die in een bepaald jaar een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau moet uitvoeren, van rechtswege aanzien als een landbouwer die een vrijstelling van de kwalificatie als focusbedrijf wil verkrijgen.


Een landbouwer kan tot uiterlijk 1 juni een ingediende aanvraag intrekken. Elke landbouwer die op 2 juni een niet-ingetrokken aanvraag tot het bekomen van een vrijstelling van de kwalificatie als focusbedrijf heeft, is verplicht om de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau uit te voeren. Na 1 juni duidt de Mestbank de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond aan waarop de landbouwer de nitraatresidubepalingen moet laten uitvoeren. De beoordeling van de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau gebeurt overeenkomstig de bepalingen van artikel 15.

 

Een bedrijf ontvangt een vrijstelling als voldaan is aan de volgende voorwaarden:

bij de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau, wordt het bedrijf, bij een beoordeling op basis van de overeenkomstige nitraatresidudrempelwaarden voor focusbedrijven, als categorie nul beoordeeld als vermeld in artikel 15;
in het jaar van de aanvraag of in het jaar voorafgaand aan het jaar van de aanvraag, is:
a) hetzij door de betrokken landbouwer, hetzij op het betrokken bedrijf of op de tot het bedrijf behorende landbouwgronden, geen overtreding van de bepalingen van artikel 8, 12, 13, 20, 21 of 22, begaan;
b) aan de betrokken landbouwer geen maatregel, correctie, andere mestsamenstelling, beperking van de afvoer, bijkomende mestverwerking of reductie als vermeld in artikel 62, opgelegd en is geen administratieve geldboete als vermeld in artikel 63, § 1 tot en met § 3, of § 5 opgelegd.

 

Als voldaan is aan al de voorwaarden, vermeld in het vierde lid, krijgt het bedrijf een vrijstelling van de kwalificatie als focusbedrijf vanaf 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau uitgevoerd is.


De vrijstelling van de kwalificatie als focusbedrijf wordt in de volgende situaties ingetrokken:

het bedrijf wordt bij een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau niet als categorie nul beoordeeld als vermeld in artikel 15;


 
in het jaar van vrijstelling of in het jaar voorafgaand aan het jaar van vrijstelling, is:
a) hetzij door de betrokken landbouwer, hetzij op het betrokken bedrijf of op de tot het bedrijf behorende landbouwgronden, een overtreding van de bepalingen van artikel 8, 12, 13, 20, 21 of 22, begaan;
b) aan de betrokken landbouwer een maatregel, correctie, andere mestsamenstelling, beperking van de afvoer, bijkomende mestverwerking of reductie als vermeld in artikel 62, opgelegd of een administratieve geldboete als vermeld in artikel 63, § 1 tot en met § 3, of § 5, opgelegd.


De intrekking van de vrijstelling gebeurt op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin:

de nitraatresidubepalingen in het kader van de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau die niet als categorie nul is beoordeeld als vermeld in artikel 15, zijn genomen of hadden moeten worden genomen;
een proces-verbaal of inspectieverslag werd opgemaakt wegens één of meerdere van de feiten, vermeld in het zesde lid, 2°, a);
een maatregel, correctie, andere mestsamenstelling, beperking van de afvoer, bijkomende mestverwerking, reductie of boete als vermeld in het zesde lid, 2°, b), werd opgelegd.

 

De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen en kan bepalen dat een vrijstelling ook ingetrokken wordt als deze niet langer representatief is voor het betrokken bedrijf.


Voor het beoordelen van een aanvraag, vermeld in het vierde lid, wordt enkel rekening gehouden met feiten als vermeld in het zevende lid, die zich voordeden in het jaar 2015 of later.

 

Een aanvraag tot vrijstelling van de kwalificatie als focusbedrijf is onontvankelijk als er geen landbouwgronden behoren tot het bedrijf dat de vrijstelling wil bekomen.

 

§ 10.

De kwalificaties als focusbedrijf met maatregelen van categorie 1, van categorie 2 of van categorie 3 als vermeld in paragraaf 3, en de toekenning van vrijstellingen als vermeld in paragraaf 5 gebeuren van rechtswege. De Mestbank vermeldt de kwalificaties en de vrijstellingen op het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De landbouwer kan tegen deze kwalificaties en deze vrijstellingen bezwaar indienen uiterlijk op 15 maart van het betrokken jaar. In afwijking hiervan wordt, als voor een bepaald bedrijf op 15 februari van een bepaald jaar de kwalificatie of vrijstelling nog niet vermeld wordt op het door de Mestbank ter beschikking gesteld internetloket, voor de betrokken landbouwer de termijn om bezwaar in te dienen verlengd tot de dertigste dag nadat de kwalificatie of vrijstelling voor zijn bedrijf op het internetloket vermeld werd. Het bezwaar moet per aangetekende brief gericht worden aan het afdelingshoofd van de Mestbank.


Het afdelingshoofd van de Mestbank neemt een beslissing binnen 90 dagen vanaf de afgifte op de post van de aangetekende brief, vermeld in het eerste lid. De beslissing wordt aan de indiener van het bezwaar ter kennis gebracht via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De indiening van een bezwaar schorst de aangevochten beslissing niet.

 

§ 11.

De Vlaamse Regering kan nadere regels voor de toepassing van dit artikel stellen, onder meer met betrekking tot de inhoud van de verschillende maatregelen, vermeld in paragraaf 6 tot en met 8, en de wijze waarop de naleving van deze maatregelen gestaafd moet worden, de wijze waarop een bemestingsplan als vermeld in paragraaf 7, 6°, en paragraaf 8, 6°, en een bodembalans voor tuinbouw als vermeld in paragraaf 7, 7°, en paragraaf 8, 7°, moet opgemaakt, onderbouwd en bijgehouden worden, en op welke wijze de resultaten van de nitraatresidubepalingen aan de Mestbank overgemaakt moeten worden.


De Vlaamse Regering kan bepalen dat, in het kader van de verplichting van het inzaaien van een vanggewas als vermeld in paragraaf 8, 3°, voor het bepalen van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, er ook geen rekening gehouden wordt met andere types landbouwgrond dan landbouwgronden die permanent overkapt zijn of waarop een blijvende teelt wordt verbouwd.

 

§ 12.

De Vlaamse Regering kan bepalen dat bij een overdracht, een overname, een opsplitsing of een wijziging van de bedrijfsstructuur van een bedrijf, de kwalificaties als focusbedrijf met maatregelen van categorie 1, van categorie 2 of van categorie 3 als vermeld in paragraaf 3, en de toekenning van een vrijstelling als vermeld in paragraaf 5, aan beide bedrijven of aan één van beide bedrijven toegekend worden.

 

Voor de toepassing van dit artikel kan de Vlaamse Regering een afwijkende regeling uitwerken voor landbouwers die laattijdig nog bepaalde aanpassingen doorvoeren in de verzamelaanvraag die betrekking heeft op het betreffende kalenderjaar.


Voor de toepassing van dit artikel kan de Vlaamse Regering een afwijkende regeling uitwerken voor landbouwers van wie de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgronden, over verschillende jaren heen significant wijzigt.