Hoofdstuk IX.
Onteigening van gronden


Afdeling I.
Bepalingen van toepassing op alle onteigeningen


Art. 119.

De overheid die van plan is over te gaan tot onteigening vraagt bij de OVAM een bodemattest aan betreffende de gronden die ze wil onteigenen.


De onteigening van een grond waarop blijkens het Grondeninformatieregister bodemverontreiniging tot stand gekomen is waarvoor het saneringscriterium, vermeld in artikel 9 of 19, overschreden is, heeft van rechtswege de volgende gevolgen:

1 een eventuele bestaande saneringsplicht voor die bodemverontreiniging vervalt op het ogenblik van de onteigening;
2 de onteigenende overheid wordt saneringsplichtig voor die bodemverontreiniging op het ogenblik van de onteigening. Dit is niet het geval als de personen, vermeld in artikel 11 en 21, vr de onteigening vrijstelling van saneringsplicht hebben bekomen voor die bodemverontreiniging.

Voor de bodemverontreiniging, vermeld in het tweede lid, die op het ogenblik van de onteigening niet in het Grondeninformatieregister opgenomen is, ontstaat de saneringsplicht of wordt de saneringsplicht gevestigd na de onteigening overeenkomstig artikel 9 en 11 of artikel 19 en 22.

[...]


Art. 119bis. De overheid die van plan is tot onteigening van een grond of gronden over te gaan, kan op de te onteigenen grond of gronden op eigen kosten een bodemonderzoek uitvoeren.

Afdeling II.
Bepalingen van toepassing op de onteigening van risicogronden


Art. 120. [...]

Art. 121. [...]