Hoofdstuk X.
Sluiting van een risico-inrichting


Art. 122.

§ 1

Binnen een termijn van negentig dagen na de sluiting van een risico-inrichting wordt een oriėnterend bodemonderzoek uitgevoerd op de grond waar de inrichting gevestigd is of was.

 

§ 2

Het oriėnterend bodemonderzoek wordt op initiatief en op kosten van de exploitant uitgevoerd.

 

§ 3

De exploitant meldt aan de OVAM de sluiting van de risico-inrichtingbinnen de termijn, vermeld in § 1. Op straffe van niet-ontvankelijkheid wordt uiterlijk op de datum van de melding aan de OVAM een verslag van het oriėnterende bodemonderzoek of, in voorkomend geval, een verslag van het oriėnterende en het beschrijvende bodemonderzoek bezorgd. De melding moet, op straffe van niet-ontvankelijkheid, gedaan worden met een volledig ingevuld, gedagtekend en ondertekend meldingsformulier voor sluiting.


De Vlaamse Regering kan nadere regelen vaststellen betreffende de modaliteiten van deze melding.

 

§ 4

Als de OVAM op basis van het oriėnterend bodemonderzoek van oordeel is dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat de risicogrond is aangetast door een nieuwe bodemverontreiniging die de bodemsaneringsnormen overschrijdt of dreigt te overschrijden, of door een ernstige nieuwe of historische bodemverontreiniging, maant ze binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van de ontvankelijke melding van sluiting de exploitant, vermeld in § 2, aan om een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren.

 

Als de OVAM op basis van het verslag van beschrijvend bodemonderzoek of het verslag van oriėnterend en beschrijvend bodemonderzoek van oordeel is dat de nieuwe bodemverontreiniging de bodemsaneringsnormen overschrijdt of dat er sprake is van een ernstige nieuwe of historische bodemverontreiniging, maant ze de exploitant, vermeld in § 2, binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van het verslag van beschrijvend bodemonderzoek of het verslag van oriėnterend en beschrijvend bodemonderzoek aan om over te gaan tot bodemsanering en uitvoering van de eventuele nazorg.

 

Op verzoek van de OVAM stelt de exploitant financiėle zekerheden tot waarborg van de uitvoering van zijn verplichtingen, vermeld in het eerste en tweede lid. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop die financiėle zekerheden worden gesteld.

 

De OVAM kan de termijn bepalen waarin het beschrijvend bodemonderzoek wordt uitgevoerd en het bodemsaneringsproject wordt opgesteld, en het verslag van het beschrijvend bodemonderzoek en het bodemsaneringsproject aan haar wordt bezorgd.

 

§ 5.

De exploitant, vermeld in § 2, is niet verplicht om op de aanmaning tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek of bodemsanering en de eventuele nazorg in te gaan, als de OVAM op basis van het dossier van de grond of het gemotiveerd standpunt van de exploitant van oordeel is dat hij cumulatief voldoet aan de volgende voorwaarden :

hij heeft de bodemverontreiniging niet zelf veroorzaakt;

de bodemverontreiniging is tot stand gekomen voor het tijdstip waarop hij de grond in exploitatie heeft genomen.

Als de OVAM op basis van het dossier of het standpunt van oordeel is dat de exploitant voor een deel van de bodemverontreiniging cumulatief aan die voorwaarden voldoet, wordt de exploitant voor dat deel van de bodemverontreiniging vrijgesteld van de saneringsplicht.

 

In afwijking van het eerste lid is de exploitant, vermeld in § 2, alsnog verplicht in te gaan op de aanmaning tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek of bodemsanering en de eventuele nazorg, als de OVAM aantoont dat een rechtsvoorganger de bodemverontreiniging heeft veroorzaakt of dat de bodemverontreiniging tot stand gekomen is tijdens de periode dat een rechtsvoorganger de grond in exploitatie had.

 

De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende de behandeling van de aanvraag van de vrijstelling van de verplichting om het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering en de eventuele nazorg uit te voeren. De Vlaamse Regering kan een termijn vaststellen waarbinnen de aanvraag tot vrijstelling, op straffe van onontvankelijkheid, bij de OVAM moet worden ingediend.

 

§ 6.

Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslissingen van de OVAM, vermeld in § 4 en § 5, beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeenkomstig de bepalingen van artikelen 153 tot en met 155.