Hoofdstuk XII.
Waterbodems


Afdeling I.
Waterbodemonderzoek


Onderafdeling I.
Verplichting om een waterbodemonderzoek uit te voeren


Art. 124.

§ 1

De Vlaamse Regering wijst de waterbodems aan waar de beheerder binnen een door haar bepaalde termijn op eigen initiatief en op eigen kosten een waterbodemonderzoek moet uitvoeren.

 

§ 2

Een waterbodemonderzoek kan worden uitgevoerd door een andere persoon dan de beheerder van de waterbodem.


Onderafdeling II.
Doel, inhoud en procedure


Art. 125.

§ 1

Een waterbodemonderzoek heeft tot doel uit te maken of er een ernstige bodemverontreiniging ter hoogte van de waterbodem bestaat. Het beoogt een beschrijving te geven van de aard, hoeveelheid, concentratie, oorsprong en omvang van de verontreinigende stoffen of organismen, de mogelijkheid op verspreiding ervan en het gevaar op blootstelling eraan van mensen, planten en dieren en van het grond- en oppervlaktewater.
  Daarnaast kunnen in een waterbodemonderzoek gegevens worden opgenomen met betrekking tot de inschatting van het gevaar op blootstelling aan de bodemverontreiniging van mensen, planten en dieren en van het grond- en oppervlaktewater bij een potentieel andere bestemming.

 

§ 2

Een waterbodemonderzoek bestaat uit een historisch onderzoek en een monsterneming van de waterbodem en de gronden die verontreinigd kunnen zijn ten gevolge van de verspreiding van de verontreiniging van de waterbodem of het oppervlaktewater.

 

§ 3

Een waterbodemonderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure vastgesteld door de Vlaamse Regering. Bij ontstentenis van dergelijke standaardprocedure wordt het waterbodemonderzoek uitgevoerd volgens een code van goede praktijk.

 

§ 4

Een waterbodemonderzoek kan gefaseerd worden uitgevoerd in de gevallen en overeenkomstig de voorwaarden bepaald in de standaardprocedure, vermeld in § 3.


Onderafdeling III.
Conformverklaring van het waterbodemonderzoek


Art. 126.

§ 1

Binnen een termijn van negentig dagen na ontvangst van het verslag van het waterbodemonderzoek spreekt de OVAM zich uit over de conformiteit van het onderzoek met de bepalingen van deze afdeling, en levert ze een conformiteitsattest af of legt ze aanvullende onderzoeksverrichtingen op.

 

§ 2

De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende de kennisgeving en de conformverklaring van het waterbodemonderzoek en de inhoud en de kennisgeving van het conformiteitsattest.


Onderafdeling IV.
Ernst van de bodemverontreiniging


Art. 127. Op het moment van de conformverklaring van het waterbodemonderzoek beoordeelt de OVAM of er sprake is van een ernstige bodemverontreiniging.

Onderafdeling V.
Administratief beroep


Art. 128.

Alle belanghebbenden kunnen tegen de beslissingen van de OVAM, vermeld in artikelen 126 en 127, beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeenkomstig artikel 153 tot met 155.


Onderafdeling VI.
Ambtshalve waterbodemonderzoek


Art. 129. Onverminderd de bevoegdheden van de toezichthoudende ambtenaren krachtens andere wetten of decreten, kan de Vlaamse Regering de OVAM belasten om ambtshalve een waterbodemonderzoek uit te voeren.

Afdeling II.
Saneringsplicht


Onderafdeling I.
Saneringscriterium


Art. 130.

§ 1

Er wordt overgegaan tot bodemsanering als het waterbodemonderzoek de aanwezigheid van een ernstige bodemverontreiniging aantoont.
 

 

§ 2

De Vlaamse Regering wijst die waterbodems met een ernstige bodemverontreiniging aan, evenals de gronden die verontreinigd zijn ten gevolge van de verspreiding van de verontreiniging van de waterbodem of het oppervlaktewater, waar bodemsanering prioritair moet plaatsvinden. De Vlaamse Regering kan zich bij de prioriteitsbepaling baseren op de stroomgebiedbeheerplannen, vermeld in het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid.


Onderafdeling II.
Saneringsdoel


Art. 131.

De bepalingen van artikel 21 zijn van overeenkomstige toepassing.
 


Onderafdeling III.
Aanduiding van de plichtige tot uitvoering en (pre)financiering van de bodemsanering


Art. 132.

§ 1

De verplichting om op eigen kosten de bodemsanering voor de verontreiniging, vermeld in artikel 130, § 2, uit te voeren, rust op de beheerder van de waterbodem. In afwijking hiervan rust voor die verontreiniging van de waterbodem waarvoor kan worden aangewezen op welke grond ze tot stand gekomen is, de saneringsplicht op de persoon, vermeld in artikel 22.

 

§ 2

De personen, vermeld in § 1, kunnen de kosten van de bodemsanering verhalen op de personen die overeenkomstig artikel 25 aansprakelijk is en kunnen van deze saneringsaansprakelijke een voorschot vorderen of eisen dat hij een financiėle zekerheid stelt.

 

§ 3

De bodemsanering kan worden uitgevoerd door een andere persoon dan de saneringsplichtige personen, vermeld in § 1.


Onderafdeling IV.
Vrijstelling van de saneringsplicht


Art. 133.

De bepalingen van artikel 23 zijn van overeenkomstige toepassing.
 


Onderafdeling V.
Aansprakelijkheid


Art. 134.

De bepalingen van artikel 25 zijn van overeenkomstige toepassing.
 


Afdeling III.
Bodemsanering


Art. 135.

De bepalingen van hoofdstuk V en hoofdstuk VI zijn van overeenkomstige toepassing op de bodemsanering van waterbodems, met uitzondering van [...] de bepalingen vastgesteld krachtens artikelen 48, 51 58, § 2, en 66, voor zover de saneringswerken plaatsvinden binnen een strook vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam tot vijf meter landinwaarts.