Afdeling II.
Saneringsplicht


Onderafdeling I.
Saneringscriterium


Art. 130.

§ 1

Er wordt overgegaan tot bodemsanering als het waterbodemonderzoek de aanwezigheid van een ernstige bodemverontreiniging aantoont.
 

 

§ 2

De Vlaamse Regering wijst die waterbodems met een ernstige bodemverontreiniging aan, evenals de gronden die verontreinigd zijn ten gevolge van de verspreiding van de verontreiniging van de waterbodem of het oppervlaktewater, waar bodemsanering prioritair moet plaatsvinden. De Vlaamse Regering kan zich bij de prioriteitsbepaling baseren op de stroomgebiedbeheerplannen, vermeld in het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid.


Onderafdeling II.
Saneringsdoel


Art. 131.

De bepalingen van artikel 21 zijn van overeenkomstige toepassing.
 


Onderafdeling III.
Aanduiding van de plichtige tot uitvoering en (pre)financiering van de bodemsanering


Art. 132.

§ 1

De verplichting om op eigen kosten de bodemsanering voor de verontreiniging, vermeld in artikel 130, § 2, uit te voeren, rust op de beheerder van de waterbodem. In afwijking hiervan rust voor die verontreiniging van de waterbodem waarvoor kan worden aangewezen op welke grond ze tot stand gekomen is, de saneringsplicht op de persoon, vermeld in artikel 22.

 

§ 2

De personen, vermeld in § 1, kunnen de kosten van de bodemsanering verhalen op de personen die overeenkomstig artikel 25 aansprakelijk is en kunnen van deze saneringsaansprakelijke een voorschot vorderen of eisen dat hij een financiėle zekerheid stelt.

 

§ 3

De bodemsanering kan worden uitgevoerd door een andere persoon dan de saneringsplichtige personen, vermeld in § 1.


Onderafdeling IV.
Vrijstelling van de saneringsplicht


Art. 133.

De bepalingen van artikel 23 zijn van overeenkomstige toepassing.
 


Onderafdeling V.
Aansprakelijkheid


Art. 134.

De bepalingen van artikel 25 zijn van overeenkomstige toepassing.