Hoofdstuk XIII.
Het gebruik en de traceerbaarheid van bodemmaterialen


Afdeling I.
Toepassingsgebied


Art. 136.

De bepalingen van dit hoofdstuk regelen het gebruik en de traceerbaarheid van bodemmaterialen, gereinigde bodemmaterialen en bodemmaterialen waarop een fysische scheiding wordt toegepast.


Art. 137.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op:

1 primaire oppervlaktedelfstoffen als vermeld in het decreet van 4 april 2003 betreffende de oppervlaktedelfstoffen;
2 delfstoffen die in grindwinningsgebieden volgens het decreet van 14 juli 1993 tot oprichting van het Grindfonds en tot regeling van de grondwinning ontgonnen worden;
3 ingevoerde minerale delfstoffen die als geologische afzetting in hun natuurlijke staat ontgonnen worden;
4 bagger- en ruimingsspecie die wordt teruggestort in de waterloop waaruit ze afkomstig is als vermeld in rubriek 2.3.7, b), van de indelingslijst, vermeld in artikel 5.5.1, 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.


Afdeling II.
Algemene bepalingen


Art. 138.

1

Om de verspreiding van bodemverontreiniging te beheersen en het duurzame gebruik van bodemmaterialen te bevorderen stelt de Vlaamse Regering nadere regelen vast betreffende de voorwaarden voor het gebruik van bodemmaterialen, de procedure voor het traceren van bodemmaterialen en de taken die een bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats, grondreinigingscentrum en inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie als vermeld in artikel 139 hierbij vervult.

2

De Vlaamse Regering kan het gebruik van tussentijdse opslagplaats, grondreinigingscentrum en inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspeciebodemmaterialen afhankelijk maken van het opstellen van een technisch verslag. De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast met betrekking tot de inhoud van het technisch verslag.
Een technisch verslag wordt opgesteld onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij ontstentenis van dergelijke standaardprocedure wordt het technisch verslag opgesteld volgens een code van goede praktijk.


Afdeling III.
Erkenning als bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats, grondreinigingscentrum of inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie


Art. 139.

1

De Vlaamse Regering is bevoegd om een rechtspersoon te erkennen als bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats, grondreinigingscentrum of inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie voor het uitvoeren van de taken met betrekking tot de procedure voor het traceren van bodemmaterialen, vastgesteld door de Vlaamse Regering krachtens de bepalingen van artikel 138, 1.

2

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en de procedure tot erkenning, schorsing en opheffing van de erkenning als bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats, grondreinigingscentrum of inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie, evenals de voorwaarden voor het gebruik van de erkenning.

3

De Vlaamse Regering kan bepalen in welke gevallen de OVAM de taken van een erkende bodembeheerorganisatie kan overnemen. De Vlaamse Regering kan ook nadere regelen vaststellen betreffende de procedure en de voorwaarden tot overname van de taken door de OVAM.