Hoofdstuk 5.53.
WINNING VAN GRONDWATER


Afdeling 5.53.1.
Algemene bepalingen


Art. 5.53.1.1.

§ 1.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in rubriek 53 van de indelingslijst.

 

§ 2.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op grondwaterwinningen:

vergund met toepassing van het besluit van de Vlaamse regering van 27 maart 1985 houdende reglementering en vergunning voor het gebruik van grondwater en de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones;
waarvoor de vergunningsaanvraag met toepassing van het besluit, vermeld in 1°, werd ingediend;
vergund op basis van de reglementering van toepassing voor de inwerkingtreding van het besluit, vermeld in 1°.

Art. 5.53.1.2.

De grondwaterwinning wordt aangelegd, gewijzigd, verbouwd en geexploiteerd volgens de regels van goed vakmanschap zoals opgenomen in de code van goede praktijk voor boren, exploiteren en afsluiten van boorputten voor grondwaterwinning vastgesteld in bijlage 5.53.1 bij dit besluit. Elke verontreiniging van het grondwater, zowel tijdens de aanleg als tijdens de exploitatie wordt vermeden. Het aanleggen, wijzigen, verbouwen en buiten dienst stellen van een grondwaterwinning mag vanaf 1 januari 2015 alleen gebeuren door een boorbedrijf, erkend volgens het VLAREL, voor de desbetreffende discipline, vermeld in artikel 6, 7°, a), van het voormelde besluit, als die activiteit niet uitgesloten is van het toepassingsgebied van een boorbedrijf, vermeld in artikel 6, 7°, a), van het voormelde besluit.


Art. 5.53.1.3. De exploitant neemt alle voorzorgen teneinde schade aan onroerende goederen binnen de invloedsstraal van een grondwaterwinning te vermijden. Indien door het onttrekken van het grondwater zettingsgevoelige gronden, inzonderheid veen en turf, ontwaterd kunnen worden, laat hij op zijn kosten voor de ingebruikname van de grondwaterwinning een plaatsbeschrijving uitvoeren van al de constructies gelegen in zettingsgevoelige gronden die door ontwatering een gevaar zijn voor de stabiliteit van deze constructies binnen de invloedszone. Op deze constructies worden zettingsbakens aangebracht en genivelleerd ten opzichte van een referentiepunt buiten de invloedszone.

Art. 5.53.1.4.

Het is verboden de inrichtingen, vermeld in rubriek 53 van de indelingslijst, aan te leggen of te exploiteren als ze zich dieper dan 2,5 m onder het maaiveld bevinden en geheel of gedeeltelijk liggen in een beschermingszone van het type I of II van grondwaterwinningen, bestemd voor de openbare watervoorziening, zoals afgebakend in uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 maart 1985 houdende nadere regelen voor de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones, tenzij ze noodzakelijk zijn voor de productie van drinkwater.


Afdeling 5.53.2.
Algemene voorwaarden


Art. 5.53.2.1. Het boorgat wordt bovenaan afgedicht om verontreiniging van de grondwaterlagen te voorkomen. Het is verboden om verschillende watervoerende lagen met elkaar in verbinding te brengen, zowel via meerdere filters in één boorgat als via de ruimte tussen de boorput en de wand van het boorgat. Het plaatsen van kleistoppen ter hoogte van de scheidende lagen of het cementeren van de ruimte tussen de ingebrachte buizen en de wand van het boorgat is verplicht.

Art. 5.53.2.2.

Het grondwaterpeil in de pompput, de boring of elke installatie voor het winnen van het grondwater, uitgezonderd bronbemalingen door middel van vacuümpompen, moet zowel met de winning in rust als in werking steeds gemeten kunnen worden. Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, wordt er daarom in elke boorgat een rechte onvervormbare peilbuis geplaatst met een binnendiameter van ten minste 18 mm. De peilbuis wordt geplaatst conform de voorschriften in de code van goede praktijk voor boren, exploiteren en afsluiten van boorputten voor grondwaterwinning vastgesteld in bijlage 5.53.1 bij dit besluit.


Art. 5.53.2.3.

Het herboren van grondwaterwinningsputten is toegelaten mits:

deze worden aangelegd volgens de voorwaarden bepaald in de verleende vergunning;
dit geen weerslag heeft op het totaal vergunde debiet;
geen andere watervoerende laag wordt aangeboord;
de nieuwe grondwaterwinningsputten gelegen zijn op een afstand van minder dan 10 meter van de te vervangen grondwaterwinningsputten en op de kadastrale percelen, opgenomen in het vergunningsbesluit;
de oude niet-gebruikte putten ofwel worden afgedekt en opgevuld volgens de bepalingen van artikel 5.53.5.1, ofwel worden ingericht en gebruikt als peilput.

 


Afdeling 5.53.3.
Meetinrichtingen voor het opgepompte grondwater


Art. 5.53.3.1.

De meetinrichtingen voor de in artikel 4.2.3.2, §1, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018 bedoelde debietsmeting worden geplaatst voor het eerste aftappunt van het gewonnen grondwater. De meetinrichtingen worden zodanig voorzien dat het opgepompte volume grondwater per watervoerende laag getotaliseerd kan worden.

 

Indien zich tussen de debietmeter en de kop van de put enig verwijderbaar stuk bevindt kan dit door de met toezicht belaste ambtenaren verzegeld worden. Na elke debietmeter wordt een kraan geplaatst met een inwendige schroefdraad geschikt voor de aansluiting van een buis met uitwendige diameter van één duim.


Art. 5.53.3.2.

§ 1.

De meetinrichting is ofwel:

een vleugelradmeter of meter met schroef van het Woltman type;
een dynamische turbinemeter;
een elektromagnetische meter;
een ultrasone meter;
een gecombineerde meter: een meter die binnen hetzelfde huis een combinatie is van meters, bedoeld in 1° tot en met 4°.

 

§ 2.

Een andere meter of meetmethode dan deze vermeld in § 1 is toegelaten mits gemotiveerde aanvraag door de exploitant en uitdrukkelijke toestemming van de vergunningverlenende overheid.


Art. 5.53.3.3.

§ 1.

De meters worden geplaatst volgens een code van goede praktijk.

 

§ 2.

Elke meter meet en totaliseert het volume van het doorstromend water. Op de plaats van de meting moet het totaal volume eenvoudig afgelezen kunnen worden. De meter wordt zodanig geplaatst en aangesloten dat al het doorstromend water gemeten wordt (in het bijzonder wanneer de meting elektriciteit vereist). De mogelijkheid voor het uitschakelen, herzetten of op enige andere wijze wijzigen van de aanduiding van het onttrokken volume kan verzegeld worden door de met toezicht belaste ambtenaren.

 

§ 3.

Elke meter wordt geplaatst zodanig dat een aflezing steeds in alle veiligheid kan plaatsvinden en dat beschadiging of verstoring van de meting vermeden wordt.

 

§ 4.

Op elke meter staan volgende aanduidingen:

de naam van de fabricant of het merk van de meter;
het bouwjaar en het fabricagenummer;
de vermelding van de stroomrichting;
de maximale bedrijfsdruk indien deze hoger kan zijn dan 10 bar.

Op koudwatermeters, zoals gedefinieerd in het koninklijk besluit van 18 februari 1977 betreffende de koudwatermeters, moeten bovendien ook volgende gegevens vermeld staan:

de metrologische klasse en het nominaal meetvermogen;
het modelgoedkeuringsteken;
het ijkmerkteken.

 

§ 5.

Elke meter wordt herijkt met een periodiciteit en volgens de voorschriften in de betrokken wetgeving. De ijking gebeurt door een daartoe gemachtigde ijkingsinstelling. De exploitant houdt van elke ijking een attest bij dat op eenvoudig verzoek aan de met toezicht belaste ambtenaren wordt voorgelegd. De exploitant deelt ook de datum van de laatste ijking van de debietmeter mee. Hij doet dit overeenkomstig artikel 2 en 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag, vóór de datum die daarin wordt bepaald, en door middel van het deelformulier "Grondwaterstatistiek" van het integrale milieujaarverslag.

 

§ 6.

Elke meter die om welke reden ook (nazicht, ijking enz..) weggenomen wordt, wordt zo spoedig mogelijk vervangen. Elke verwijdering en terugplaatsing van een debietmeter wordt onmiddellijk meegedeeld (schriftelijk, per fax of e-mail) aan de toezichthouders. De stand van de meter wordt bij het wegnemen en het terugplaatsen genoteerd in een register. De exploitant deelt dit ook mee overeenkomstig artikel 2 en 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag, vóór de datum die daarin wordt bepaald, en door middel van het deelformulier "Grondwaterstatistiek" van het integrale milieujaarverslag.

 

§ 7.

De met toezicht belaste ambtenaren kunnen een meetinrichting of een onderdeel ervan verzegelen. Indien de zegel verbroken wordt, verwittigt de exploitant onmiddellijk het afdelingshoofd van de afdeling , bevoegd voor milieuhandhaving.

 

§ 8.

Voor bestaande grondwaterwinningen mogen de meters geplaatst worden in overeenstemming met de vergunningsvoorwaarden en de bepalingen van het besluit van 21 november 1973 betreffende de meetinrichtingen van grondwater en in dienst blijven voor de duur van de vergunning.

 

§ 9.

De stand van iedere debietmeter wordt genoteerd in een register op de laatste kalenderdag van elk jaar waarin grondwater werd opgepompt en telkens wanneer, om welke reden ook, de debietmeter verwijderd of herplaatst wordt.


Afdeling 5.53.4.
Grondwaterwinningen waarvan het vergunde volume meer dan 30.000 kubieke meter per jaar bedraagt


Art. 5.53.4.1.

§ 1.

Deze afdeling is alleen van toepassing op inrichtingen die ingedeeld zijn in de eerste klasse.

 

§ 2.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, is de aanleg van de volgende peilputten verplicht:

voor grondwaterwinningen uitsluitend uit freatische watervoerende lagen:
  a) voor de schijf van 30001 m³ tot 1 miljoen m³ per jaar vergund debiet: één peilput per begonnen eenheid van 200.000 m³ per jaar vergund debiet;
  b) voor de schijf van 1 miljoen of meer m³ per jaar vergund debiet: één peilput per begonnen eenheid van 500.000 m³ per jaar vergund debiet;
voor grondwaterwinningen uitsluitend uit afgesloten watervoerende lagen:
  a) voor de schijf van 30.001 m³ tot 500.000 m³ per jaar vergund debiet: één peilput;
  b) voor de schijf van 500.000 of meer m³ per jaar vergund debiet: één peilput per begonnen eenheid van 500.000 m³ per jaar vergund debiet met een maximum van drie peilputten;
voor grondwaterwinningen zowel uit freatische als uit afgesloten watervoerende lagen:
  a) voor zowel de freatische watervoerende laag als de afgesloten watervoerende lagen wordt met toepassing van punt 1° en 2° het aantal peilputten vastgelegd;
  b) onafhankelijk van het aantal peilputten dat met toepassing van punt a) verkregen wordt, moet er minimaal één peilput zijn met filters in de diepste watervoerende laag waaruit grondwater gewonnen wordt en alle bovenliggende watervoerende lagen;
voor grondwaterwinningen uit verschillende afgesloten watervoerende lagen:
  a) voor elk van de afgesloten watervoerende lagen afzonderlijk worden met toepassing van punt 2° het aantal peilputten vastgelegd;
  b) onafhankelijk van het aantal peilputten dat met toepassing van punt a) verkregen wordt, moet er minimaal één peilput zijn met filters in de diepste watervoerende laag waaruit grondwater gewonnen wordt en alle bovenliggende watervoerende lagen.

 

De peilputten worden aangelegd volgens de regels van het goede vakmanschap, vermeld in artikel 5.53.1.2, 5.53.2.1 en 5.53.2.2. Elke peilput wordt voorzien van peilbuizen met filters in de watervoerende laag waaruit grondwater gewonnen wordt en in alle daarboven gelegen watervoerende lagen. Als de peilbuizen in meerdere peilputten worden geïnstalleerd, worden de gesplitste peilputten maar als één peilput beschouwd bij het bepalen van het aantal peilputten. De ligging van de peilputten moet in overleg met een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein geohydrologie als vermeld in artikel 6, 1°, d), 4), van het VLAREL, zo worden bepaald dat de afpompingskegel van de waterwinning in de aangesproken watervoerende laag en de invloed in de bovenliggende watervoerende lagen door meting bepaald kan worden. De diameter van de peilbuis in de watervoerende laag waaruit water gewonnen wordt, moet ook het nemen van waterstalen mogelijk maken.


Art. 5.53.4.2. Voor een grondwaterwinning, waarvan het vergunde volume meer dan 30.000 m3 per jaar bedraagt, moet ten minste één peilput worden aangelegd. In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen bijkomende peilputten worden opgelegd [...].

Art. 5.53.4.3. In het geval van afgesloten watervoerende lagen mag het grondwaterpeil in een centraal aangelegde peilput of bij ontstentenis daarvan in elke grondwaterwinningsput van de grondwaterwinning niet dalen beneden een door de vergunningverlenende overheid bepaald peil (in meters onder het maaiveld). De vergunningverlenende overheid kan de plaatsing van een contactelektrode in een centraal aangelegde peilput of bij ontstentenis daarvan in elke grondwaterwinningsput die de winning stillegt wanneer dit peil bereikt wordt, opleggen.

Art. 5.53.4.4.

Gedurende ten minste twee maanden voorafgaand aan het oppompen van grondwater moeten wekelijkse peilmetingen worden uitgevoerd in de peilputten, bedoeld in artikel 5.53.4.1.


Art. 5.53.4.5.

§ 1.

Alvorens met het oppompen van grondwater te starten, laat de exploitant het grondwater uit elke productieput en/of andere opvanginstallatie bemonsteren en analyseren door een erkend laboratorium, in de discipline water, deeldomein grondwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL. Ten minste de volgende parameters worden bepaald:

de anionen : SO4--, NO2-, NO3-, Cl-, PO4---, CO3-, OH-, HCO3, F-, allemaal uitgedrukt in mg/l;
de kationen: Ca++, K+, Na+, Mg++, NH4+, Mn++, Fe++, Fe+++, allemaal uitgedrukt in mg/l;
de zuurtegraad (pH) in pH-eenheid;;
de temperatuur in °C;
de elektrische geleidbaarheid in µS/cm bij 20 °C;
de totale hardheid in °F;
het zuurstofgehalte in mg/l;
de alkaliniteit ten opzichte van methyloranje in °F;
de alkaliniteit ten opzichte van fenolftaleïne in °F.

 

§ 2.

De bemonstering en analyse, vermeld in paragraaf 1, wordt jaarlijks herhaald op het grondwater uit de, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, meest centraal gelegen productieput van de grondwaterwinning, die grondwater oppompt uit dezelfde watervoerende laag. Een jaarlijkse analyse is noodzakelijk voor alle watervoerende lagen waaruit gepompt wordt.


Art. 5.53.4.6.

§ 1.

Het grondwaterpeil in de meest centraal gelegen productieput en in de peilputten wordt minimaal maandelijks gemeten. Hierbij wordt het ononderbroken gewonnen volume gedurende één uur voorafgaand aan de meting [...] genoteerd. Eénmaal per jaar na het stilleggen van een grondwaterwinning gedurende ten minste 24 uur tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, wordt het grondwaterpeil in de productieputten en de peilputten gemeten. De tijd van stilstand van de grondwaterwinning [...] en de peilmetingen worden zorgvuldig genoteerd.

 

In afwijking van het eerste lid, is het stilleggen van de grondwaterwinning gedurende ten minste 24 uur niet vereist als het grondwaterpeil in de meest centraal gelegen productieput en in elke peilfilter in de watervoerende laag waaruit grondwater gewonnen wordt, minstens 6-uurlijks gemeten wordt met een automatisch peilregistratiesysteem. Synchroon met de peilmeting wordt ook het totaal gewonnen volume per watervoerende laag geregistreerd. Eénmaal per jaar worden de grondwaterpeilmetingen van het automatisch peilregistratiesysteem gekalibreerd aan de hand van een manuele peilmeting. In elke productieput waarin geen automatisch peilregistratiesysteem aanwezig is, wordt ook minimaal éénmaal per jaar het grondwaterpeil gemeten.

 

§ 2.

De gegevens, bedoeld in artikel 5.53.4.5 en § 1, worden door de exploitant bijgehouden in een register, dat ter plaatse of in een gecentraliseerde databank van het bedrijf ter inzage wordt gehouden van de toezichthouders.


Art. 5.53.4.7. De exploitant van een grondwaterwinning, waarvan het vergunde volume meer dan 30.000 m3 per jaar bedraagt, deelt elk jaar de resultaten van het voorgaande kalenderjaar mee van de gewonnen volumes grondwater per watervoerende laag, de analyses van het grondwater en de peilmetingen. Hij doet dit overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van het besluit van de Vlaamse Regering tot invoering van het integrale milieujaarverslag, voor de datum die daarin wordt bepaald, en door middel van de deel IA en IV van het integrale milieujaarverslag waarvan het model is gevoegd als bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 januari 2005 tot wijziging van de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, 18 maart 1997 houdende vaststelling van de modaliteiten voor aangifte van de opgepompte of gewonnen hoeveelheden grondwater door de maatschappijen die instaan voor de openbare drinkwatervoorziening ten behoeve van de bepaling van de heffing, 28 juni 2002 tot uitvoering van het Hoofdstuk IIIbis van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging en Hoofdstuk IVbis van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer, 5 december 2003 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer, en 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag.

Art. 5.53.4.8.

Ten laatste negentig dagen na het boren respectievelijk het herboren of de aanleg, wijziging of verbouwing van een grondwaterwinning of grondwaterwinningseenheid, waarvan het vergunde volume meer dan 30.000 m3 per jaar bedraagt, bezorgt de exploitant de volgende gegevens aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater:

[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
de kwaliteit van het opgepompte grondwater aan de hand van de analyseresultaten bedoeld in artikel 5.53.4.5. § 1;
[...]
[...]
10° vanaf een vergund debiet van 1.000.000 m3 per jaar, het verslag van een deskundig uitgevoerde pompproef;
11°

[...]


Afdeling 5.53.5.
Aanleg, wijziging of verbouwing van een grondwaterwinning buitendienststellingen


Art. 5.53.5.1.

§ 1.

Wanneer de exploitant een grondwaterwinning, [...] of een boorgat of een ander onderdeel hiervan, buiten dienst stelt, moet hij de ontsluiting van de watervoerende laag afdekken met een ondoorlatend materiaal (zwelklei, cement), om verontreiniging of waterverlies te voorkomen.

 

[...]

 

§ 2.

De exploitant is verplicht een buiten dienst gestelde grondwaterwinning of een onderdeel hiervan, op te vullen wanneer deze een potentieel gevaar betekent voor de kwaliteit van het grondwater. De opvulling dient te gebeuren overeenkomstig de code van goede praktijk voor boren, exploiteren en afsluiten van boorputten voor grondwaterwinning vastgesteld in bijlage 5.53.1 bij dit besluit.


Art. 5.53.5.2.

De toezichthoudende overheid wordt minimaal twee dagen vooraf op de hoogte gebracht van het aanleggen of opvullen van een vergunningsplichtige grondwaterwinning, zodat haar toezichthouders mogelijk aanwezig kunnen zijn.


Afdeling 5.53.6.
Specifieke voorschriften


Onderafdeling 5.53.6.1.
Bronbemalingen en draineringen


Art. 5.53.6.1.1.

§ 1.

De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op de activiteiten bedoeld in subrubriek 53.2 van de indelingslijst.

 

§ 2.

Het grondwater dat onttrokken wordt, moet, in zoverre dit met toepassing van beste beschikbare technieken mogelijk is, zoveel mogelijk terug in de grond worden ingebracht. Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van infiltratieputten, infiltratiebekkens of infiltratiegrachten. Indien dit technisch onmogelijk is, mag het water geloosd worden in het openbare of private hydrografische net. De infiltratie of de lozing van het opgepompte grondwater mag geen wateroverlast voor derden veroorzaken.

 

Volumes hoger dan 10 m3 per uur mogen niet geloosd worden in openbare rioleringen aangesloten op een rioolwaterzuiveringsinstallatie behoudens de uitdrukkelijke schriftelijke toelating van de exploitant van deze installatie.

 

§ 3.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, heeft het bemalingswater dat terug in de grond wordt ingebracht, geen behandeling ondergaan.

 

§ 4.

Het bemalingswater dat terug in de grond wordt ingebracht, voldoet aan de milieukwaliteitsnormen voor grondwater, bedoeld in artikel 2.4.1.1.

 


Art. 5.53.6.1.2.

§ 1.

Het grondwater dat onttrokken wordt bij de draineringen, bedoeld in subrubriek 53.3 van de indelingslijst alsook bij de bronbemalingen, bedoeld in subrubriek 53.4 en 53.5 van de indelingslijst, moet, in zoverre dit met toepassing van de beste beschikbare technieken mogelijk is, nuttig worden gebruikt.

 

Volumes hoger dan 10 m3 per uur mogen niet geloosd worden in openbare rioleringen aangesloten op een rioolwaterzuiveringsinstallatie behoudens de uitdrukkelijke schriftelijke toelating van de exploitant van deze installatie.

 

§ 2.

Bij overmacht door overstromingsgevaar is de exploitant van een bronbemaling die noodzakelijk is voor de waterbeheersing van de mijnverzakkingsgebieden, bedoeld in subrubriek 53.4.2° van de indelingslijst, ontslagen van het respecteren van het vergunde dagdebiet, opgelegd in de verleende vergunning.


Onderafdeling 5.53.6.2.
Grondwaterwinningen voor thermische energieopslag in watervoerende lagen met inbegrip van terugpompingen


Art. 5.53.6.2.1.

Elke grondwaterwinning wordt gedimensioneerd, ontworpen en onderhouden volgens een code van goede praktijk.

 

De inrichtingen, vermeld in rubriek 53.6, 1°, van de indelingslijst en gelegen buiten een beschermingszone van het type I of II van grondwaterwinningen, bestemd voor de openbare watervoorziening, zoals afgebakend in uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 maart 1985 houdende nadere regelen voor de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones worden minimaal vijfjaarlijks nagekeken en onderhouden door een deskundige ter zake. De overige inrichtingen, vermeld in rubriek 53.6 van de indelingslijst, worden minimaal tweejaarlijks nagekeken en onderhouden door een deskundige ter zake. Hierbij worden het systeem, de putten en de beveiliging op hun correcte werking nagekeken, alsook de registers van de debieten en indien van toepassing ook de peilen en grondwateranalyses. Eveneens worden alle uitgevoerde of nog uit te voeren werkzaamheden beschreven.

 

De exploitant houdt hiervan een verslag ter inzage van de toezichthouders.


Art. 5.53.6.2.2. Het grondwater wordt opnieuw geïnjecteerd in dezelfde watervoerende laag als waaruit het onttrokken is.

Art. 5.53.6.2.3.

Het grondwater wordt in een leidingsysteem rondgepompt dat fysiek afgesloten is van het water in het gebouwsysteem.

 

Het leidingsysteem met grondwater wordt altijd onder voldoende overdruk gehouden tot op het punt van injectie onder het waterpeil om ontgassing en luchtintreding te voorkomen. Het leidingsysteem met grondwater bevindt zich continu in overdruk ten opzichte van het gebouwsysteem, tenzij er wordt gebruikgemaakt van een dubbele warmtewisselaar.

 

Het leidingsysteem met grondwater is voorzien van een automatische monitoring van de druk. Een beveiliging legt het systeem stil bij een te hoge of te lage druk. Voor inrichtingen, vermeld onder rubriek 53.6, 2°, van de indelingslijst, worden de drukmetingen en de inwerkingtreding van de beveiliging bijgehouden in een register dat ter plaatse of in een gecentraliseerde databank ter inzage wordt gehouden van de toezichthouders.


Art. 5.53.6.2.4.

Indien de inrichting toelaat het grondwater in meerdere richtingen rond te pompen, wordt er, in afwijking van artikel 5.53.3.1, één of meerdere meetinrichtingen voorzien, zodat het opgepompte volume grondwater per pomprichting en per watervoerende laag getotaliseerd kan worden. Daarnaast wordt er op elke spuileiding een meetinrichting voor het gespuide grondwater aangebracht. In afwijking van artikel 5.53.3.1, tweede lid, moet er alleen na een debietmeter die op een spuileiding staat, een kraan geplaatst worden met een inwendige schroefdraad die geschikt is voor de aansluiting van een buis met uitwendige diameter van één duim.


Art. 5.53.6.2.5.

Voor grondwaterwinningen, vermeld in rubriek 53.6, 2°, van de indelingslijst, wordt in afwijking van artikel 5.53.4.5, § 2, het grondwater uit zowel een onttrekkings- als injectiefilter in het voorjaar en in het najaar geanalyseerd door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein grondwater, vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL. Als er verschillende bronparen zijn, wordt altijd hetzelfde bronpaar gevolgd en bij voorkeur het paar met het grootste debiet.


Art. 5.53.6.2.6.

Voor de grondwaterwinningen, vermeld in rubriek 53.6, 2°, van de indelingslijst, worden in afwijking van artikel 5.53.4.6 met de productieput of –putten ook de injectieput of –putten bedoeld.


Art. 5.53.6.2.7.

De putten worden geregenereerd op mechanische wijze. Als een chemische reiniging noodzakelijk is, legt de exploitant voorafgaandelijk een plan van aanpak ter goedkeuring voor aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater.

 

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, blijft de spui bij de regeneratie van de putten beperkt tot maximaal 500 m3 per put per jaar.


Art. 5.53.6.2.8. Als de herinjectie van het opgepompte grondwater, al dan niet tijdelijk, niet mogelijk is, wordt het oppompen van het grondwater stopgezet.

Art. 5.53.6.2.9.

De temperatuur van grondwater dat opnieuw wordt geïnjecteerd, bedraagt maximaal 25°C. Voor inrichtingen, vermeld in rubriek 53.6, 2°, van de indelingslijst, wordt de temperatuur van het geïnjecteerde grondwater via automatische registratie gevolgd.


Art. 5.53.6.2.10. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in deze onderafdeling, vanaf 1 januari 2015.

Onderafdeling 5.53.6.3.
Grondwaterwinningen voor de openbare watervoorziening


Art. 5.53.6.3.1.

§ 1.

Alvorens met het oppompen van grondwater te starten, laat de exploitant van een grondwaterwinning, bedoeld in subrubriek 53.7 van de indelingslijst, aanvullend aan de analyses, bedoeld in artikel 5.53.4.5, het grondwater uit elke productieput en/of andere opvanginstallatie waarbij grondwater wordt opgepompt uit freatische watervoerende lagen, analyseren door een erkend laboratorium, in de discipline water, deeldomein grondwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL voor de volgende bijkomende parameters:

pesticiden: atrazine, simazine, diuron, isoproturon en chloortoluron;
geëmulgeerde of opgeloste koolwaterstoffen, minerale oliën;
zware metalen: arseen, cadmium, zink en nikkel;
polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) : fluoranteen, benzo 3,4 fluoranteen, benzo 11,12 fluoranteen, benzo 3,4 pyreen, benzo 1,12 peryleen en indeno-pyreen (1,2,3 cd).

 

§ 2.

De parameters, vermeld in artikel 5.53.4.5, worden viermaal per jaar bepaald op het grondwater uit de, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, meest centraal gelegen productieput van de grondwaterwinning, die grondwater oppompt uit dezelfde watervoerende laag. De parameters, vermeld in paragraaf 1, worden jaarlijks bepaald op het grondwater uit de, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, meest centraal gelegen productieput van de grondwaterwinning, die grondwater oppompt uit dezelfde watervoerende laag. Een jaarlijkse analyse is noodzakelijk voor alle watervoerende lagen waaruit gepompt wordt.

 

§ 3.

Indien de kwaliteit van het ruwe watermengsel volgende maximale waarden overtreft, wordt de frequentie opgevoerd tot viermaal per jaar op de productieputten die verontreinigd zijn met de desbetreffende parameters. De maximale waarden zijn:

som PAK’s < 0,020 µg/l;
som geëmulgeerde of opgeloste koolwaterstoffen en minerale oliën < 5 µg/l;
voor de pesticiden atrazine, simazine, diuron, isoproturon en chloortoluron < 0,020 µg/l per individueel actief product;
voor de zware metalen: arseen < 50 µg/l, cadmium < 5 µg/l, zink < 200 µg/l en nikkel < 50 µg/l.

Deze bepaling is niet van toepassing voor stoffen die van nature in het grondwater aanwezig zijn.

 

§ 4.

De gegevens, bedoeld in § 1 en § 2, worden bijgehouden in een register, dat ter plaatse of in een gecentraliseerde databank van het bedrijf ter inzage wordt gehouden van de toezichthouders.

 

§ 5.

De exploitant deelt elk jaar de gegevens, vermeld in paragraaf 1 en 2, van het voorgaande kalenderjaar mee conform de voorwaarden, vermeld in artikel 5.53.4.7.

 

§ 6.

In afwijking van paragraaf 2 worden, voor grondwaterwinningen waarbij het grondwater door middel van één pomp of hevelsysteem uit meerdere productieputten in dezelfde watervoerende laag tegelijk wordt aangetrokken, de parameters, vermeld in artikel 5.53.4.5, en de parameters, vermeld in paragraaf 1, bepaald op een mengstaal per pomp of hevelsysteem.


Art. 5.53.6.3.2.

De exploitant van een grondwaterwinning, bedoeld in subrubriek 53.7 van de indelingslijst, maakt per periode van vijf jaren een rapport op met de volgende inhoud:

de beschrijving van de evolutie van de opgepompte debieten en overeenkomstige peilen in de productieputten en de peilputten over de afgelopen periode (ev. weergegeven in tijdsreeksen) alsook een evaluatie hiervan;
de beschrijving van de eventuele mogelijke vastgestelde invloeden op de bovengrondse eigendommen, zowel wat betreft stabiliteit van de grond als de mogelijke invloed op gewassen en het natuurlijk milieu;
bij grondwaterwinningen met vijf peilputten en meer, twee stijghoogtekaarten respectievelijk in de aangepompte watervoerende laag en de freatische watervoerende laag van de omgeving, opgemaakt op basis van de reële metingen, één met de hoogste en één met de laagste gemeten grondwaterstand.
De exploitant bezorgt een kopie van dit rapport aan de vergunningverlenende overheid alsook aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater.

Art. 5.53.6.3.3.

In afwijking van artikel 5.53.2.3 is het herboren van grondwaterwinningsputten en het boren van reservegrondwaterwinningsputten toegelaten mits:

deze worden aangelegd volgens de voorwaarden bepaald in de verleende vergunning;
dit geen weerslag heeft op het totale vergunde debiet;
geen andere watervoerende laag wordt aangeboord;
alle nieuwe inrichtingen gelegen zijn op de in het vergunningsbesluit opgenomen kadastrale percelen en binnen het afgebakend waterwingebied;
de oude putten worden, van zodra ze niet meer in gebruik zijn, ofwel afgedekt en opgevuld volgens de bepalingen van artikel 5.53.5.1, ofwel ingericht en gebruikt als peilput.

Onderafdeling 5.53.6.4.
Grondwaterwinningen met ondergronds beluchten van grondwater


Art. 5.53.6.4.1.

Deze onderafdeling is van toepassing op inrichtingen voor het boren van grondwaterwinningsputten en grondwaterwinning met inbegrip van terugpompingen van belucht grondwater in dezelfde freatische watervoerende laag die ressorteren onder rubriek 53.12 van de indelingslijst.


Art. 5.53.6.4.2.

§ 1.

Het grondwater voor de ondergrondse beluchting wordt terug geïnjecteerd in dezelfde freatische watervoerende laag als waaruit het onttrokken is.

 

§ 2.

Het grondwater dat terug geïnjecteerd wordt, wordt enkel belucht en kent geen andere toevoegingen of behandelingen. Het grondwater mag ook niet verontreinigd zijn.


Art. 5.53.6.4.3.

In aanvulling op de meetinrichtingen die voorzien moeten worden conform artikel 5.53.3.1, zijn er voldoende meetinrichtingen voorzien om per boorput het opgepompte en het geïnjecteerde volume grondwater te kunnen totaliseren.


Art. 5.53.6.4.4.

Voor inrichtingen die in toepassing van artikel 5.53.4.1 peilputten moeten aanleggen, wordt de ligging van de peilputten in overleg met een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein geohydrologie, vermeld in artikel 6, 1°, d), 4), van het VLAREL, zodanig bepaald dat enerzijds de afpompingskegel van de waterwinning in de aangesproken watervoerende laag en de invloed in de bovenliggende watervoerende lagen door meting kan bepaald worden en anderzijds de invloed van de ondergrondse beluchting op de kwaliteit van het grondwater opgevolgd kan worden.


Art. 5.53.6.4.5.

§ 1.

In aanvulling op artikel 5.53.4.5, wordt de bemonstering en analyse uitgevoerd voor zowel de rubriek 53.12.1° als 53.12.2° van de indelingslijst. Als de ondergrondse beluchting via meerdere putten gebeurt, wordt, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, de meest centraal gelegen put bemonsterd en dit pas nadat er minimaal twaalf uren, al dan niet ononderbroken, grondwater werd onttrokken uit deze put.

 

§ 2.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, worden in de analyses, als vermeld in paragraaf 1, in aanvulling op de parameters vermeld onder artikel 5.53.4.5. §1, 1° tot en met 9°, ook de zware metalen Zn, Pb, Cu, Cd, Ni en As bepaald, allemaal uitgedrukt in µg/l.

 

§ 3.

Na de start van het ondergronds beluchten, moeten de bemonsteringen en analyses, vermeld in paragraaf 1, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, ten minste halfjaarlijks uitgevoerd worden op het opgepompte grondwater uit de meest centraal gelegen productieput van de inrichting en dit voor elke watervoerende laag die ondergronds belucht wordt.

 

§ 4.

De verslagen van de bemonsteringen en analyses, vermeld in paragraaf 1, worden door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthouder.

 

§ 5.

Voor inrichtingen die ressorteren onder rubriek 53.12.2° van de indelingslijst wordt de periodiciteit van de bemonsteringen en analyses, vermeld in paragraaf 3, aangepast naar driemaandelijks.