Afdeling 5.53.3.
Meetinrichtingen voor het opgepompte grondwater


Art. 5.53.3.1.

De meetinrichtingen voor de in artikel 4.2.3.2, 1, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecordineerd op 15 juni 2018 bedoelde debietsmeting worden geplaatst voor het eerste aftappunt van het gewonnen grondwater. De meetinrichtingen worden zodanig voorzien dat het opgepompte volume grondwater per watervoerende laag getotaliseerd kan worden.

Indien zich tussen de debietmeter en de kop van de put enig verwijderbaar stuk bevindt kan dit door de met toezicht belaste ambtenaren verzegeld worden. Na elke debietmeter wordt een kraan geplaatst met een inwendige schroefdraad geschikt voor de aansluiting van een buis met uitwendige diameter van n duim.


Art. 5.53.3.2.

1.

De meetinrichting is ofwel:

1 een vleugelradmeter of meter met schroef van het Woltman type;
2 een dynamische turbinemeter;
3 een elektromagnetische meter;
4 een ultrasone meter;
5 een gecombineerde meter: een meter die binnen hetzelfde huis een combinatie is van meters, bedoeld in 1 tot en met 4.

2.

Een andere meter of meetmethode dan deze vermeld in 1 is toegelaten mits gemotiveerde aanvraag door de exploitant en uitdrukkelijke toestemming van de vergunningverlenende overheid.


Art. 5.53.3.3.

1.

De meters worden geplaatst volgens een code van goede praktijk.

2.

Elke meter meet en totaliseert het volume van het doorstromend water. Op de plaats van de meting moet het totaal volume eenvoudig afgelezen kunnen worden. De meter wordt zodanig geplaatst en aangesloten dat al het doorstromend water gemeten wordt (in het bijzonder wanneer de meting elektriciteit vereist). De mogelijkheid voor het uitschakelen, herzetten of op enige andere wijze wijzigen van de aanduiding van het onttrokken volume kan verzegeld worden door de met toezicht belaste ambtenaren.

3.

Elke meter wordt geplaatst zodanig dat een aflezing steeds in alle veiligheid kan plaatsvinden en dat beschadiging of verstoring van de meting vermeden wordt.

4.

Op elke meter staan volgende aanduidingen:

1 de naam van de fabricant of het merk van de meter;
2 het bouwjaar en het fabricagenummer;
3 de vermelding van de stroomrichting;
4 de maximale bedrijfsdruk indien deze hoger kan zijn dan 10 bar.

Op koudwatermeters, zoals gedefinieerd in het koninklijk besluit van 18 februari 1977 betreffende de koudwatermeters, moeten bovendien ook volgende gegevens vermeld staan:

1 de metrologische klasse en het nominaal meetvermogen;
2 het modelgoedkeuringsteken;
3 het ijkmerkteken.

5.

Elke meter wordt herijkt met een periodiciteit en volgens de voorschriften in de betrokken wetgeving.De ijking gebeurt door een daartoe gemachtigde ijkingsinstelling. De exploitant houdt van elke ijking een attest bij dat op eenvoudig verzoek aan de met toezicht belaste ambtenaren wordt voorgelegd. De exploitant deelt ook de datum van de laatste ijking van de debietmeter mee. Hij doet dit overeenkomstig artikel 2 en 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag, vr de datum die daarin wordt bepaald, en door middel van het deelformulier "Grondwaterstatistiek" van het integrale milieujaarverslag.

6.

Elke meter die om welke reden ook (nazicht, ijking enz..) weggenomen wordt, wordt zo spoedig mogelijk vervangen. Elke verwijdering en terugplaatsing van een debietmeter wordt onmiddellijk meegedeeld (schriftelijk, per fax of e-mail) aan de toezichthouders. De stand van de meter wordt bij het wegnemen en het terugplaatsen genoteerd in een register. De exploitant deelt dit ook mee overeenkomstig artikel 2 en 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag, vr de datum die daarin wordt bepaald, en door middel van het deelformulier "Grondwaterstatistiek" van het integrale milieujaarverslag.

7.

De met toezicht belaste ambtenaren kunnen een meetinrichting of een onderdeel ervan verzegelen. Indien de zegel verbroken wordt, verwittigt de exploitant onmiddellijk het afdelingshoofd van de afdeling , bevoegd voor milieuhandhaving.

8.

Voor bestaande grondwaterwinningen mogen de meters geplaatst worden in overeenstemming met de vergunningsvoorwaarden en de bepalingen van het besluit van 21 november 1973 betreffende de meetinrichtingen van grondwater en in dienst blijven voor de duur van de vergunning.

9.

De stand van iedere debietmeter wordt genoteerd in een register op de laatste kalenderdag van elk jaar waarin grondwater werd opgepompt en telkens wanneer, om welke reden ook, de debietmeter verwijderd of herplaatst wordt.